Hoge Raad
ECLI:NL:HR:2020:1027
Formele procesketen
- conclusie ECLI:NL:HR:2020:1027 → ECLI:NL:PHR:2020:361
Inhoudsindicatie
Beklag, beslag ex art. 94 Sv op hond (Maltezer Leeuwtje) onder derde, waarna strafzaak is geseponeerd en hond in bewaring is gegeven aan dochter van klaagster. Oordeel Rb dat klaagster niet redelijkerwijs als rechthebbende op hond kan worden aangemerkt begrijpelijk? HR: Op redenen vermeld in CAG slaagt middel. CAG: Redenering Rb dat hond al langere tijd bij bewaarster verbleef, door haar werd verzorgd en zij derhalve als rechthebbende kan worden aangemerkt, snijdt in de eerste plaats juridisch geen hout en doet ook geen recht aan door klaagster geschetst scenario dat bewaarster slechts op hond paste als zij werkte en dat zij geen recht had hond te behouden. Dat OvJ kennelijk op enig moment, nog in afwachting van beslissing in strafzaak, van oordeel was dat bewaarster redelijkerwijs als rechthebbende moest worden aangemerkt en daarom voorlopige teruggave heeft gelast aan bewaarster, geeft bewaarster evenmin eigendomsrecht op hond. Bovendien is OvJ tijdens raadkamerbehandeling teruggekomen op eerder standpunt. Daar komt nog bij dat beslagene eveneens tijdens raadkamerbehandeling heeft verklaard dat hond aan klaagster toebehoort. Waarom Rb scenario van klaagster als onaannemelijk terzijde heeft geschoven valt in beschikking evenmin te lezen. Enkele overweging van Rb dat feit dat klaagster destijds hond heeft gekocht en kosten heeft moeten maken voor behandelingen bij dierenarts er niet aan afdoet dat bewaarster redelijkerwijs als rechthebbende dient te worden aangemerkt, is daarvoor niet toereikend. Volgt vernietiging en terugwijzing.
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (1.959 tekens)
STRAFKAMER
Nummer 19/04983 B
Datum 9 juni 2020
BESCHIKKING
op het beroep in cassatie tegen een beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 20 augustus 2019, nummer RK 19/1088, op een klaagschrift als bedoeld in art. 552a Sv, ingediend
door
[klaagster],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1944,
hierna: de klaagster.
1Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de klaagster. Namens deze heeft L.C.J. Sars, advocaat te Helmond, bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld. De schriftuur is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.
De advocaat-generaal T.N.B.M. Spronken heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden beschikking en terugwijzing van de zaak naar de rechtbank Oost-Brabant, teneinde op het bestaande klaagschrift opnieuw te worden behandeld en afgedaan.
2Beoordeling van het cassatiemiddel
2.1
Het cassatiemiddel klaagt over het oordeel van de rechtbank dat de klaagster niet redelijkerwijs als rechthebbende op de inbeslaggenomen hond kan worden aangemerkt.
2.2
Het cassatiemiddel slaagt. De redenen daarvoor staan vermeld in de conclusie van de advocaat-generaal.
3Beslissing
De Hoge Raad:
- vernietigt de beschikking van de rechtbank;
- wijst de zaak terug naar de rechtbank Oost-Brabant, opdat de zaak opnieuw wordt behandeld en afgedaan.
Deze beschikking is gegeven door de vice-president J. de Hullu als voorzitter, en de raadsheren E.S.G.N.A.I. van de Griend en J.C.A.M. Claassens, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 9 juni 2020.