Hoge Raad
ECLI:NL:HR:2019:979
Formele procesketen
- conclusie ECLI:NL:HR:2019:979 → ECLI:NL:PHR:2019:661
Inhoudsindicatie
Rijden onder invloed (art. 8.2 WVW 1994) en besturen van motorrijtuig zonder rijbewijs (art. 107.1 WVW 1994). Hof heeft verdachte t.z.v. misdrijf en overtreding veroordeeld tot 1 (bijkomende) straf (geldboete van € 500,-, subsidiair 10 dagen hechtenis, en 6 maanden ontzegging bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voorwaardelijk). Voldoet strafoplegging aan art. 62 Sr? Hof had voor bewezenverklaarde feiten 2 afzonderlijke straffen moeten opleggen i.p.v. 1. HR leest bestreden uitspraak verbeterd in die zin dat Hof verdachte t.z.v. art. 8.2 WVW 1994 heeft veroordeeld tot geldboete van € 350,-, subsidiair 7 dagen hechtenis, en 6 maanden ontzegging bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voorwaardelijk, en t.z.v. art. 107.1 WVW 1994 tot geldboete van € 150,-, subsidiair 3 dagen hechtenis. Volgt verwerping. Vervolg op 14/04413 (niet gepubliceerd).
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (1)
- ECLI:NL:PHR:2023:882 Parket bij de Hoge Raad 11-07-2023
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (3.191 tekens)
Strafkamer
nr. S 17/04990
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, van 15 september 2016, nummer 21/007261-15, in de strafzaak tegen:
[verdachte]
, geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1983.
1Geding in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft B.R. Koenders, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal T.N.B.M. Spronken heeft geconcludeerd dat de Hoge Raad verstaat dat het hof de verdachte ter zake van het onder 1 bewezenverklaarde een geldboete van € 350,-, subsidiair zeven dagen hechtenis, en een voorwaardelijke rijontzegging van zes maanden en voor het onder feit 2 bewezenverklaarde feit een geldboete van € 150, subsidiair drie dagen hechtenis, heeft opgelegd, dat de Hoge Raad het arrest vernietigt voor zover daarin als wettelijk voorschrift waarop de strafoplegging mede berust art. 63 Sr niet is vermeld en dat de Hoge Raad dit verzuim herstelt, met verwerping van het beroep voor het overige.
2Beoordeling van het eerste middel
2.1.
Het middel klaagt over de strafoplegging. Het voert daartoe aan dat het Hof heeft nagelaten ingevolge art. 62 Sr aan te geven welke straf is opgelegd voor de bewezenverklaarde overtreding van art. 107 Wegenverkeerswet 1994.
2.2.
Op de gronden vermeld in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 2.2 tot en met 2.4 had het Hof ingevolge art. 62 Sr voor de bewezenverklaarde feiten twee afzonderlijke straffen moeten opleggen in plaats van één.
2.3.
De Hoge Raad leest de bestreden uitspraak verbeterd in die zin dat het Hof de verdachte ter zake van het onder 1 bewezenverklaarde heeft veroordeeld tot een geldboete van € 350,-, subsidiair 7 dagen hechtenis, en een voorwaardelijk opgelegde ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 6 maanden met een proeftijd van 2 jaren, en ter zake van het onder 2 bewezenverklaarde tot een geldboete van € 150,-, subsidiair 3 dagen hechtenis. Het middel kan dus niet tot cassatie kan leiden.
3Beoordeling van de overige middelen
De middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81, eerste lid, RO, geen nadere motivering nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J. de Hullu als voorzitter, en de raadsheren E.S.G.N.A.I. van de Griend en A.E.M. Röttgering, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 18 juni 2019.