Hoge Raad
ECLI:NL:HR:2019:77
2019-01-22
Strafrecht
18/05543
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Formele procesketen
- herziening ECLI:NL:HR:2019:77 → ECLI:NL:GHDHA:2016:1760
Inhoudsindicatie
Herziening. Door gewezen verdachte opgesteld en door raadsman ingezonden herzieningsverzoek t.z.v. mishandeling, art. 300.1 Sr. Volgens art. 460.2 Sv kan slechts raadsman namens gewezen verdachte herzieningsaanvraag indienen. Herzieningsverzoek kan daarom niet worden aangemerkt als herzieningsaanvraag in de zin van de wet. Volgt niet-ontvankelijkverklaring. Vervolg op ECLI:NL:HR:2017:2855.
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (2)
- ECLI:NL:GHSHE:2025:1140 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 22-04-2025
- ECLI:NL:GHSHE:2024:2298 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 16-07-2024
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (2.003 tekens)
22 januari 2019
Strafkamer
nr. S 18/05543 H
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op een verzoek tot herziening van een in kracht van gewijsde gegaan arrest van het Gerechtshof Den Haag van 17 juni 2016, nummer 22/000289-15, ingediend door C.P. Posthuma, advocaat te Maastricht, namens:
[verdachte]
, geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1953.
1De uitspraak waarvan herziening is gevraagd
Het Hof heeft de gewezen verdachte wegens "mishandeling" veroordeeld tot een geldboete van € 150,-, subsidiair drie dagen hechtenis, voorwaardelijk met een proeftijd van een jaar.
2Beoordeling van de ontvankelijkheid van het verzoek
2.1.
Het door de raadsman ingezonden schrijven houdt het volgende in:
"Bijgaand doe ik aan u toekomen een herzieningsverzoek inzake uw uitspraak bij u bekend onder nummer S 16/03872.
Cliënt wil graag aan u zijn visie kenbaar maken en is van mening dat er inzake deze uitspraak sprake is van een novum in de zin van artikel 457 Sv. Bij dezen leg ik aan u het verzoek van mijn cliënt voor."
2.2.
Volgens art. 460, tweede lid, Sv kan slechts een raadsman namens de gewezen verdachte een herzieningsaanvraag indienen. Het door de gewezen verdachte opgestelde en door de raadsman ingezonden herzieningsverzoek kan daarom niet worden aangemerkt als een herzieningsaanvraag in de zin van de wet, zodat als volgt moet worden beslist.
3Beslissing
De Hoge Raad verklaart het herzieningsverzoek niet-ontvankelijk.
Dit arrest is gewezen door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren A.J.A. van Dorst en M.T. Boerlage, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 22 januari 2019.
Strafkamer
nr. S 18/05543 H
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op een verzoek tot herziening van een in kracht van gewijsde gegaan arrest van het Gerechtshof Den Haag van 17 juni 2016, nummer 22/000289-15, ingediend door C.P. Posthuma, advocaat te Maastricht, namens:
[verdachte]
, geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1953.
1De uitspraak waarvan herziening is gevraagd
Het Hof heeft de gewezen verdachte wegens "mishandeling" veroordeeld tot een geldboete van € 150,-, subsidiair drie dagen hechtenis, voorwaardelijk met een proeftijd van een jaar.
2Beoordeling van de ontvankelijkheid van het verzoek
2.1.
Het door de raadsman ingezonden schrijven houdt het volgende in:
"Bijgaand doe ik aan u toekomen een herzieningsverzoek inzake uw uitspraak bij u bekend onder nummer S 16/03872.
Cliënt wil graag aan u zijn visie kenbaar maken en is van mening dat er inzake deze uitspraak sprake is van een novum in de zin van artikel 457 Sv. Bij dezen leg ik aan u het verzoek van mijn cliënt voor."
2.2.
Volgens art. 460, tweede lid, Sv kan slechts een raadsman namens de gewezen verdachte een herzieningsaanvraag indienen. Het door de gewezen verdachte opgestelde en door de raadsman ingezonden herzieningsverzoek kan daarom niet worden aangemerkt als een herzieningsaanvraag in de zin van de wet, zodat als volgt moet worden beslist.
3Beslissing
De Hoge Raad verklaart het herzieningsverzoek niet-ontvankelijk.
Dit arrest is gewezen door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren A.J.A. van Dorst en M.T. Boerlage, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 22 januari 2019.