Hoge Raad
ECLI:NL:HR:2019:671
Formele procesketen
- conclusie ECLI:NL:HR:2019:671 → ECLI:NL:PHR:2019:283
Inhoudsindicatie
Uitlevering ter strafvervolging aan Verenigde Staten. Middelen over 1. verwerping verweer dat uitlevering opgeëiste persoon zal blootstellen aan risico van dreigende flagrante inbreuk op art. 6 EVRM en 2. kwalificatie naar NL recht van feit waarvoor uitlevering wordt verzocht als deelnemen aan criminele organisatie a.b.i. art. 140 Sr. HR t.a.v. middelen: art. 81.1 RO. HR ambtshalve: Rb heeft uitlevering toelaatbaar verklaard ter strafvervolging “van het feit omschreven in het hiervoor genoemde uitleveringsverzoek”. Noch de bestreden uitspraak noch voormeld uitleveringsverzoek behelst een omschrijving van dit feit. HR herstelt dit verzuim door uitlevering toelaatbaar te verklaren voor het feit dat is omschreven in de “Affidavit in Support of Request for Extradition”.
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (1)
- ECLI:NL:PHR:2020:156 Parket bij de Hoge Raad 18-02-2020
Volledige tekst
Volledige tekst (3.070 tekens)
Strafkamer
nr. S 18/05006 U
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een uitspraak van de Rechtbank Rotterdam van 8 november 2018, nummer UTL-12018020047, op een verzoek van de Republiek Verenigde Staten van Amerika tot uitlevering van:
[de opgeëiste persoon]
, geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1984.
1Geding in cassatie
Het beroep is ingesteld door de opgeëiste persoon. Namens deze heeft F.T.C. Dölle, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De plaatsvervangend Advocaat-Generaal D.J.M.W. Paridaens heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend voor zover de rechtbank heeft verzuimd het feit waarvoor de uitlevering kan worden toegestaan, genoegzaam te vermelden, tot toelaatbaarverklaring van de uitlevering ter fine van vervolging ter zake van het feit zoals uiteen gezet in de "Affidavit in Support of Request for Extradition" van 15 juni 2018 en tot verwerping van het beroep voor het overige.
De raadsvrouwe heeft daarop schriftelijk gereageerd.
2Beoordeling van de middelen
De middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81, eerste lid, RO, geen nadere motivering nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
3Ambtshalve beoordeling van de bestreden uitspraak
De Rechtbank heeft de uitlevering van de opgeëiste persoon aan de Verenigde Staten van Amerika toelaatbaar verklaard ter strafvervolging "van het feit omschreven in het hiervoor genoemde uitleveringsverzoek".
Noch de bestreden uitspraak noch voormeld uitleveringsverzoek behelst evenwel een omschrijving van het feit waarvoor de uitlevering kan worden toegestaan. De Hoge Raad zal dit verzuim herstellen door de uitlevering toelaatbaar te verklaren voor het feit dat is omschreven in na te noemen door de verzoekende Staat bij het uitleveringsverzoek overgelegde stukken.
4Beslissing
De Hoge Raad:
vernietigt de bestreden uitspraak maar uitsluitend voor zover de Rechtbank heeft verzuimd het feit waarvoor de uitlevering kan worden toegestaan, genoegzaam te vermelden;
verklaart de uitlevering toelaatbaar voor het feit zoals omschreven in de "Affidavit in Support of Request for Extradition" van Michael K. Krouse, Assistent United States Attorney for the Southern District of New York, van 15 juni 2018;
verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J. de Hullu als voorzitter, en de raadsheren V. van den Brink en E.S.G.N.A.I. van de Griend, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 23 april 2019.