Hoge Raad
ECLI:NL:HR:2019:59
2019-01-18
Bestuursrecht; Belastingrecht
18/01558
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Formele procesketen
- cassatie ECLI:NL:HR:2019:59 → ECLI:NL:GHDHA:2018:707
Inhoudsindicatie
art. 7:2 en 7:3, aanhef en onder d, Awb. Terugwijzing naar Inspecteur wegens schending hoorplicht (HR 15 mei 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI3751).
Citeert (1)
- ECLI:NL:HR:2009:BI3751 Hoge Raad 15-05-2009
Geciteerd door (47)
- ECLI:NL:RBOBR:2026:4808 Rechtbank Oost-Brabant 09-07-2026
- ECLI:NL:RBOBR:2026:4808 Rechtbank Oost-Brabant 09-07-2026
- ECLI:NL:RBOBR:2026:4807 Rechtbank Oost-Brabant 09-07-2026
- ECLI:NL:RBOBR:2026:4811 Rechtbank Oost-Brabant 09-07-2026
- ECLI:NL:RBOBR:2026:4807 Rechtbank Oost-Brabant 09-07-2026
- ECLI:NL:RBOBR:2026:4811 Rechtbank Oost-Brabant 09-07-2026
- ECLI:NL:GHDHA:2026:434 Gerechtshof Den Haag 17-03-2026
- ECLI:NL:GHARL:2026:406 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 20-01-2026
- ECLI:NL:GHDHA:2025:2395 Gerechtshof Den Haag 18-11-2025
- ECLI:NL:RBZWB:2025:6003 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 08-09-2025
- ECLI:NL:RBZWB:2025:7794 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 01-08-2025
- ECLI:NL:RBOBR:2025:1726 Rechtbank Oost-Brabant 28-03-2025
- ECLI:NL:GHDHA:2025:358 Gerechtshof Den Haag 06-03-2025
- ECLI:NL:RBOBR:2025:966 Rechtbank Oost-Brabant 19-02-2025
- ECLI:NL:RBOBR:2025:730 Rechtbank Oost-Brabant 13-02-2025
- ECLI:NL:GHSHE:2024:2525 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 07-08-2024
- ECLI:NL:RBOBR:2024:3540 Rechtbank Oost-Brabant 01-08-2024
- ECLI:NL:RBZWB:2024:3634 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 03-06-2024
- ECLI:NL:GHAMS:2023:2705 Gerechtshof Amsterdam 10-10-2023
- ECLI:NL:GHDHA:2023:1438 Gerechtshof Den Haag 19-07-2023
- ECLI:NL:RBOBR:2023:3022 Rechtbank Oost-Brabant 23-06-2023
- ECLI:NL:RBAMS:2023:2878 Rechtbank Amsterdam 09-05-2023
- ECLI:NL:RBNNE:2022:3303 Rechtbank Noord-Nederland 08-09-2022
- ECLI:NL:GHSHE:2022:2261 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 01-06-2022
- ECLI:NL:GHSHE:2022:2262 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 01-06-2022
- ECLI:NL:GHSHE:2022:2236 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 01-06-2022
- ECLI:NL:GHSHE:2022:2238 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 01-06-2022
- ECLI:NL:GHSHE:2022:2261 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 01-06-2022
- ECLI:NL:RBNNE:2022:489 Rechtbank Noord-Nederland 02-03-2022
- ECLI:NL:RBNNE:2022:490 Rechtbank Noord-Nederland 02-03-2022
- ECLI:NL:RBNHO:2022:1300 Rechtbank Noord-Holland 18-01-2022
- ECLI:NL:RBZWB:2021:3295 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 14-05-2021
- ECLI:NL:RBZWB:2021:3296 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 14-05-2021
- ECLI:NL:RBZWB:2021:3290 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 14-05-2021
- ECLI:NL:RBZWB:2021:3291 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 14-05-2021
- ECLI:NL:RBZWB:2021:3294 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 14-04-2021
- ECLI:NL:GHDHA:2021:360 Gerechtshof Den Haag 24-02-2021
- ECLI:NL:GHDHA:2021:359 Gerechtshof Den Haag 24-02-2021
- ECLI:NL:GHDHA:2020:1317 Gerechtshof Den Haag 14-07-2020
- ECLI:NL:PHR:2020:184 Parket bij de Hoge Raad 28-02-2020
- ECLI:NL:GHSHE:2019:3251 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 30-08-2019
- ECLI:NL:GHDHA:2019:2198 Gerechtshof Den Haag 10-07-2019
- ECLI:NL:GHDHA:2019:2190 Gerechtshof Den Haag 10-07-2019
- ECLI:NL:PHR:2019:701 Parket bij de Hoge Raad 29-05-2019
- ECLI:NL:GHSHE:2019:1261 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 04-04-2019
- ECLI:NL:GHSHE:2019:1260 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 04-04-2019
- ECLI:NL:GHDHA:2019:760 Gerechtshof Den Haag 03-04-2019
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (5.831 tekens)
18 januari 2019
Nr. 18/01558
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van [X] te [Z] (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het Gerechtshof Den Haag van 16 maart 2018, nr. BK‑17/00888, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Den Haag (nr. SGR 17/4498) betreffende de aan belanghebbende gegeven boetebeschikking bij de voor het jaar 2015 opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
1Geding in cassatie
Belanghebbende heeft tegen ’s Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.
2Beoordeling van de klachten
2.1.
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
2.1.1.
Namens belanghebbende is op 26 april 2017 een pro forma bezwaarschrift bij de Inspecteur ingediend, gericht tegen een met dagtekening 24 februari 2017 opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen voor het jaar 2015 met een daarbij gegeven boetebeschikking.
2.1.2.
In het pro forma bezwaarschrift is verzocht op het bezwaar te worden gehoord. Bij brief van 22 mei 2017 heeft de Inspecteur medegedeeld dat hij voornemens was het bezwaar wegens termijnoverschrijding niet-ontvankelijk te verklaren, maar dat hij belanghebbende nog de gelegenheid bood het bezwaar mondeling toe te lichten, met het verzoek daarvoor uiterlijk 12 juni 2017 een afspraak te maken. Nadien heeft de Inspecteur deze termijn verlengd tot 29 juni 2017.
2.1.3.
In een e-mailbericht van 13 juni 2017 heeft de gemachtigde van belanghebbende een toelichting op het bezwaarschrift gegeven. Daarbij is hij niet meer teruggekomen op het verzoek om op het bezwaar te worden gehoord.
2.1.4.
Bij uitspraak op bezwaar van 15 juni 2017 is het bezwaar wegens overschrijding van de daarvoor geldende termijn niet-ontvankelijk verklaard.
2.2.1.
Bij de Rechtbank en het Hof was in geschil of het bezwaar terecht niet-ontvankelijk is verklaard, en of de Inspecteur een hoorzitting achterwege mocht laten.
2.2.2.
De Rechtbank heeft geoordeeld dat de Inspecteur het bezwaar ten onrechte heeft aangemerkt als kennelijk niet-ontvankelijk als bedoeld in artikel 7:3, aanhef en letter a, Awb, maar dat hij uit de omstandigheid dat na zijn uitnodiging tot het maken van een afspraak voor een hoorgesprek het bezwaar nader is gemotiveerd zonder dat nog iets is vermeld inzake het verzoek te worden gehoord, mocht afleiden dat van het hoorgesprek kon worden afgezien, als voorzien in artikel 7:3 aanhef en letter d, Awb.
2.2.3.
Het Hof heeft de uitspraak van de Rechtbank bevestigd, overwegende dat de Rechtbank op goede gronden juiste beslissingen heeft genomen.
2.3.
De in cassatie aangevoerde klachten treffen doel voor zover zij zijn gericht tegen het hiervoor in onderdeel 2.2.2 als tweede weergegeven oordeel.
Uit de omstandigheid dat belanghebbende in zijn e‑mailbericht van 13 juni 2017 niet is teruggekomen op zijn eerder gedane verzoek te worden gehoord, mocht de Inspecteur niet zonder meer afleiden dat belanghebbende afstand had gedaan van zijn recht te worden gehoord (vgl. HR 15 mei 2009, nr. 08/00437, ECLI:NL:HR:2009:BI3751). Het in de bestreden uitspraak bevestigde oordeel dat de Inspecteur kon afzien van het horen, is daarom onjuist. De Inspecteur dient alsnog toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 7:2 Awb.
De bestreden uitspraak kan niet in stand blijven. De klachten behoeven voor het overige geen behandeling.
3Proceskosten
De Staatssecretaris zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie en de Inspecteur in de kosten van het geding voor het Hof en van het geding voor de Rechtbank.
4Beslissing
De Hoge Raad:
verklaart het beroep in cassatie gegrond,
vernietigt de uitspraak van het Hof, en de uitspraak van de Rechtbank en de uitspraak van de Inspecteur,
draagt de Inspecteur op om met inachtneming van dit arrest opnieuw uitspraak te doen op het bezwaarschrift van belanghebbende,
gelast dat de Staatssecretaris van Financiën aan belanghebbende vergoedt het door deze ter zake van de behandeling van het beroep in cassatie betaalde griffierecht ten bedrage van € 126, en gelast dat de Inspecteur aan belanghebbende vergoedt het bij het Hof betaalde griffierecht ter zake van de behandeling van de zaak voor het Hof ten bedrage van € 124 en het bij de Rechtbank betaalde griffierecht ter zake van de behandeling van de zaak voor de Rechtbank ten bedrage van € 46,
veroordeelt de Staatssecretaris van Financiën in de kosten van het geding in cassatie aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 2048 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand, en
veroordeelt de Inspecteur in de kosten van het geding voor het Hof aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 1024 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand en in de kosten van het geding voor de Rechtbank aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 1024 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Dit arrest is gewezen door de raadsheer J. Wortel als voorzitter, en de raadsheren A.F.M.Q. Beukers-van Dooren en P.A.G.M. Cools, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 18 januari 2019.
Nr. 18/01558
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van [X] te [Z] (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het Gerechtshof Den Haag van 16 maart 2018, nr. BK‑17/00888, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Den Haag (nr. SGR 17/4498) betreffende de aan belanghebbende gegeven boetebeschikking bij de voor het jaar 2015 opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
1Geding in cassatie
Belanghebbende heeft tegen ’s Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.
2Beoordeling van de klachten
2.1.
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
2.1.1.
Namens belanghebbende is op 26 april 2017 een pro forma bezwaarschrift bij de Inspecteur ingediend, gericht tegen een met dagtekening 24 februari 2017 opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen voor het jaar 2015 met een daarbij gegeven boetebeschikking.
2.1.2.
In het pro forma bezwaarschrift is verzocht op het bezwaar te worden gehoord. Bij brief van 22 mei 2017 heeft de Inspecteur medegedeeld dat hij voornemens was het bezwaar wegens termijnoverschrijding niet-ontvankelijk te verklaren, maar dat hij belanghebbende nog de gelegenheid bood het bezwaar mondeling toe te lichten, met het verzoek daarvoor uiterlijk 12 juni 2017 een afspraak te maken. Nadien heeft de Inspecteur deze termijn verlengd tot 29 juni 2017.
2.1.3.
In een e-mailbericht van 13 juni 2017 heeft de gemachtigde van belanghebbende een toelichting op het bezwaarschrift gegeven. Daarbij is hij niet meer teruggekomen op het verzoek om op het bezwaar te worden gehoord.
2.1.4.
Bij uitspraak op bezwaar van 15 juni 2017 is het bezwaar wegens overschrijding van de daarvoor geldende termijn niet-ontvankelijk verklaard.
2.2.1.
Bij de Rechtbank en het Hof was in geschil of het bezwaar terecht niet-ontvankelijk is verklaard, en of de Inspecteur een hoorzitting achterwege mocht laten.
2.2.2.
De Rechtbank heeft geoordeeld dat de Inspecteur het bezwaar ten onrechte heeft aangemerkt als kennelijk niet-ontvankelijk als bedoeld in artikel 7:3, aanhef en letter a, Awb, maar dat hij uit de omstandigheid dat na zijn uitnodiging tot het maken van een afspraak voor een hoorgesprek het bezwaar nader is gemotiveerd zonder dat nog iets is vermeld inzake het verzoek te worden gehoord, mocht afleiden dat van het hoorgesprek kon worden afgezien, als voorzien in artikel 7:3 aanhef en letter d, Awb.
2.2.3.
Het Hof heeft de uitspraak van de Rechtbank bevestigd, overwegende dat de Rechtbank op goede gronden juiste beslissingen heeft genomen.
2.3.
De in cassatie aangevoerde klachten treffen doel voor zover zij zijn gericht tegen het hiervoor in onderdeel 2.2.2 als tweede weergegeven oordeel.
Uit de omstandigheid dat belanghebbende in zijn e‑mailbericht van 13 juni 2017 niet is teruggekomen op zijn eerder gedane verzoek te worden gehoord, mocht de Inspecteur niet zonder meer afleiden dat belanghebbende afstand had gedaan van zijn recht te worden gehoord (vgl. HR 15 mei 2009, nr. 08/00437, ECLI:NL:HR:2009:BI3751). Het in de bestreden uitspraak bevestigde oordeel dat de Inspecteur kon afzien van het horen, is daarom onjuist. De Inspecteur dient alsnog toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 7:2 Awb.
De bestreden uitspraak kan niet in stand blijven. De klachten behoeven voor het overige geen behandeling.
3Proceskosten
De Staatssecretaris zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie en de Inspecteur in de kosten van het geding voor het Hof en van het geding voor de Rechtbank.
4Beslissing
De Hoge Raad:
verklaart het beroep in cassatie gegrond,
vernietigt de uitspraak van het Hof, en de uitspraak van de Rechtbank en de uitspraak van de Inspecteur,
draagt de Inspecteur op om met inachtneming van dit arrest opnieuw uitspraak te doen op het bezwaarschrift van belanghebbende,
gelast dat de Staatssecretaris van Financiën aan belanghebbende vergoedt het door deze ter zake van de behandeling van het beroep in cassatie betaalde griffierecht ten bedrage van € 126, en gelast dat de Inspecteur aan belanghebbende vergoedt het bij het Hof betaalde griffierecht ter zake van de behandeling van de zaak voor het Hof ten bedrage van € 124 en het bij de Rechtbank betaalde griffierecht ter zake van de behandeling van de zaak voor de Rechtbank ten bedrage van € 46,
veroordeelt de Staatssecretaris van Financiën in de kosten van het geding in cassatie aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 2048 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand, en
veroordeelt de Inspecteur in de kosten van het geding voor het Hof aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 1024 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand en in de kosten van het geding voor de Rechtbank aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 1024 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Dit arrest is gewezen door de raadsheer J. Wortel als voorzitter, en de raadsheren A.F.M.Q. Beukers-van Dooren en P.A.G.M. Cools, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 18 januari 2019.