Hoge Raad
ECLI:NL:HR:2019:1818
2019-11-22
Bestuursrecht; Belastingrecht
19/01594
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Formele procesketen
- cassatie ECLI:NL:HR:2019:1818 → ECLI:NL:GHSHE:2019:550
Inhoudsindicatie
Procesrecht. Vergoeding immateriële schade bij overschrijding van de redelijke termijn. Redelijk te achten termijn na terugwijzing door gerechtshof naar Inspecteur.
Citeert (3)
- ECLI:NL:HR:2016:252 Hoge Raad 19-02-2016
- ECLI:NL:RVS:2010:BM0213 Raad van State 07-04-2010
- ECLI:NL:CRVB:2009:BH9991 Centrale Raad van Beroep 25-03-2009
Geciteerd door (50)
- ECLI:NL:GHDHA:2025:2673 Gerechtshof Den Haag 09-12-2025
- ECLI:NL:RBDHA:2025:22400 Rechtbank Den Haag 02-12-2025
- ECLI:NL:GHARL:2025:5581 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 09-09-2025
- ECLI:NL:GHDHA:2025:1233 Gerechtshof Den Haag 24-06-2025
- ECLI:NL:GHSHE:2025:220 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 29-01-2025
- ECLI:NL:RBDHA:2025:931 Rechtbank Den Haag 28-01-2025
- ECLI:NL:RBNHO:2024:13416 Rechtbank Noord-Holland 20-12-2024
- ECLI:NL:GHDHA:2024:2250 Gerechtshof Den Haag 16-10-2024
- ECLI:NL:GHDHA:2024:2250 Gerechtshof Den Haag 16-10-2024
- ECLI:NL:RBMNE:2024:5863 Rechtbank Midden-Nederland 13-09-2024
- ECLI:NL:RBMNE:2024:5485 Rechtbank Midden-Nederland 13-09-2024
- ECLI:NL:GHAMS:2024:2185 Gerechtshof Amsterdam 16-07-2024
- ECLI:NL:GHDHA:2024:1773 Gerechtshof Den Haag 10-07-2024
- ECLI:NL:GHARL:2024:2278 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 02-04-2024
- ECLI:NL:GHARL:2024:1286 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 20-02-2024
- ECLI:NL:RBROT:2023:10619 Rechtbank Rotterdam 10-11-2023
- ECLI:NL:RBNNE:2023:5585 Rechtbank Noord-Nederland 02-11-2023
- ECLI:NL:GHDHA:2023:1285 Gerechtshof Den Haag 20-06-2023
- ECLI:NL:GHDHA:2023:1286 Gerechtshof Den Haag 20-06-2023
- ECLI:NL:RBZWB:2023:4118 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 14-06-2023
- ECLI:NL:GHSHE:2022:3464 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 12-10-2022
- ECLI:NL:HR:2022:1153 Hoge Raad 09-09-2022
- ECLI:NL:PHR:2022:756 Parket bij de Hoge Raad 16-08-2022
- ECLI:NL:PHR:2022:756 Parket bij de Hoge Raad 16-08-2022
- ECLI:NL:RBDHA:2022:6563 Rechtbank Den Haag 24-06-2022
- ECLI:NL:RBZWB:2022:2817 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 03-06-2022
- ECLI:NL:RBZWB:2022:2816 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 03-06-2022
- ECLI:NL:RBROT:2022:4259 Rechtbank Rotterdam 02-06-2022
- ECLI:NL:RBNNE:2022:1303 Rechtbank Noord-Nederland 22-04-2022
- ECLI:NL:GHARL:2022:1282 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 22-02-2022
- ECLI:NL:RBAMS:2021:7049 Rechtbank Amsterdam 06-12-2021
- ECLI:NL:GHAMS:2021:3794 Gerechtshof Amsterdam 23-11-2021
- ECLI:NL:GHARL:2021:9184 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 28-09-2021
- ECLI:NL:RBZWB:2021:4815 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 24-09-2021
- ECLI:NL:GHSHE:2021:2920 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 23-09-2021
- ECLI:NL:GHARL:2021:8827 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 21-09-2021
- ECLI:NL:GHAMS:2021:2759 Gerechtshof Amsterdam 26-08-2021
- ECLI:NL:GHDHA:2021:1386 Gerechtshof Den Haag 15-07-2021
- ECLI:NL:RBROT:2021:1798 Rechtbank Rotterdam 05-03-2021
- ECLI:NL:GHAMS:2021:94 Gerechtshof Amsterdam 14-01-2021
- ECLI:NL:RBNHO:2020:8892 Rechtbank Noord-Holland 30-10-2020
- ECLI:NL:RBNHO:2020:9373 Rechtbank Noord-Holland 28-09-2020
- ECLI:NL:RBGEL:2020:4909 Rechtbank Gelderland 22-09-2020
- ECLI:NL:RBGEL:2020:4909 Rechtbank Gelderland 22-09-2020
- ECLI:NL:RBNHO:2020:6834 Rechtbank Noord-Holland 31-07-2020
- ECLI:NL:RVS:2020:948 Raad van State 01-04-2020
- ECLI:NL:GHDHA:2020:867 Gerechtshof Den Haag 31-03-2020
- ECLI:NL:GHAMS:2020:427 Gerechtshof Amsterdam 18-02-2020
- ECLI:NL:RBNHO:2020:642 Rechtbank Noord-Holland 30-01-2020
- ECLI:NL:RBZWB:2019:5771 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 19-12-2019
Volledige tekst
Volledige tekst (7.083 tekens)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer 19/01594
Datum 22 november 2019
ARREST
in de zaak van
[X] te [Z] (hierna: belanghebbende)
tegen
de STAAT (de Minister van Justitie en Veiligheid)
op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof 's-Hertogenbosch van 15 februari 2019, nr. 17/00834, op het hoger beroep van de Staat tegen een uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant (nr. AWB 16/4599) betreffende een aan belanghebbende over tijdvakken in de periode 1 januari 2008 tot en met 31 december 2010 opgelegde naheffingsaanslag in de omzetbelasting en de daarbij gegeven boetebeschikking.
1Geding in cassatie
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staat heeft een verweerschrift ingediend.
2Uitgangspunten in cassatie
2.1.1
Aan belanghebbende is een naheffingsaanslag in de omzetbelasting opgelegd. Tegelijkertijd is bij beschikking een boete opgelegd. Tegen de naheffingsaanslag en de boetebeschikking heeft belanghebbende op 12 juli 2012 bezwaar gemaakt. De Inspecteur heeft bij uitspraken op bezwaar van 1 september 2012 de bezwaren niet-ontvankelijk verklaard.
2.1.2
De rechtbank Zeeland-West-Brabant heeft bij uitspraak van 17 april 2014 geoordeeld dat de bezwaren tijdig zijn gemaakt en daarom ontvankelijk zijn. Die rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard en heeft de zaak afgedaan. Zij heeft de uitspraken op bezwaar vernietigd, de naheffingsaanslag gehandhaafd en de boete verminderd.
2.1.3
Het gerechtshof 's-Hertogenbosch heeft het tegen die uitspraak ingestelde hoger beroep van belanghebbende bij uitspraak van 15 april 2016 gegrond verklaard, de uitspraak van de rechtbank en de beide uitspraken van de Inspecteur vernietigd, en de Inspecteur opgedragen opnieuw uitspraak te doen op de bezwaren.
2.1.4
De Inspecteur heeft opnieuw uitspraak op de bezwaren gedaan. Hij heeft de boete verminderd wegens overschrijding van de redelijke termijn en de naheffingsaanslag gehandhaafd.Belanghebbende heeft tegen deze uitsprakenberoep ingesteld bij de Rechtbank. De Rechtbank heeft bij uitspraak van 25 oktober 2017 het beroep gegrond verklaard voor zover het de boetebeschikking betreft en de uitspraak op bezwaar betreffende die boetebeschikking alsook de boetebeschikking vernietigd. Zij heeft het beroep voor het overige ongegrond verklaard, en heeft – vanwege de te lange behandelingsduur door de rechter – de Staat veroordeeld tot vergoeding van € 500 aan immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn.
2.2.1
De Staat heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank geen (incidenteel) hoger beroep ingesteld.Bij het Hof was in geschil of de in aanmerking te nemen termijn voor de fase van berechting tot aan de uitspraak van de Rechtbank (hierna: de berechting in eerste aanleg) is overschreden.
2.2.2
Het Hof heeft die vraag ontkennend beantwoord. Het Hof heeft daarbij tot uitgangspunt genomen dat de berechting van een zaak in eerste aanleg niet binnen een redelijke termijn is geschied indien de rechtbank niet binnen twee jaren nadat die termijn is aangevangen, uitspraak doet. Het Hof heeft vervolgens geoordeeld dat na terugwijzing door het hof naar de inspecteur in beginsel opnieuw van een termijn van twee jaren voor de behandeling van het bezwaar en beroep dient te worden uitgegaan. Na terugwijzing van de zaak door het hof naar de inspecteur vangt volgens het Hof de in aanmerking te nemen termijn voor behandeling van de zaak in eerste aanleg aan op de dag na de uitspraak van het hof die tot deze terugwijzing leidde. Dit betekent volgens het Hof dat in dit geval die termijn op 16 april 2016 is aangevangen. Aangezien de Rechtbank op 25 oktober 2017 uitspraak heeft gedaan, is volgens het Hof de redelijke termijn van berechting in eerste aanleg niet overschreden.
2.3
Het middel is gericht tegen het hiervoor in 2.2.2 weergegeven oordeel van het Hof.
3Beoordeling van het middel
3.1
Het Hof heeft terecht tot uitgangspunt genomen dat de berechting van een zaak in eerste aanleg niet binnen een redelijke termijn heeft plaatsgevonden indien de rechtbank niet binnen twee jaren nadat die termijn is aangevangen, uitspraak doet (vgl. rechtsoverweging 3.4.2 van het overzichtsarrest).
3.2
Het Hof heeft echter miskend dat als de bestuursrechter de zaak terugwijst naar de inspecteur om opnieuw uitspraak op bezwaar te doen, voor het vaststellen van de redelijke termijn voor berechting in eerste aanleg niet een nieuwe behandelingsfase start.In zulke zaken geldt als uitgangspunt dat de berechting in eerste aanleg niet binnen een redelijke termijn heeft plaatsgevonden als het totale tijdsverloop in deze fase, dat is dus de optelsom van het tijdsverloop van die fase vóór terugwijzing en van die fase na terugwijzing, langer heeft geduurd dan twee jaren. Daarbij geldt dat de duur van de hervatte berechting in eerste aanleg aanvangt op de dag nadat de terugwijzingsuitspraak is gewezen.
3.3
3 Gelet op hetgeen hiervoor in 3.2 is overwogen, slaagt het middel. De uitspraak van het Hof kan niet in stand blijven. De Hoge Raad kan de zaak afdoen. Het hoger beroep van de Staat dient ongegrond te worden verklaard. Aangezien belanghebbende geen (incidenteel) hoger beroep heeft ingesteld tegen de uitspraak van de Rechtbank, moet de uitspraak van de Rechtbank worden bevestigd.
4Proceskosten
De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
5Beslissing
De Hoge Raad:
- verklaart het beroep in cassatie gegrond,
- vernietigt de uitspraak van het Hof,
- bevestigt de uitspraak van de Rechtbank,
- draagt de Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid) op aan het Hof een griffierecht van € 250 te betalen voor de behandeling van het hoger beroep, en
- draagt de Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid) op aan belanghebbende te vergoeden het griffierecht van € 253 dat belanghebbende voor de behandeling van het beroep in cassatie heeft betaald.
Dit arrest is gewezen door de vice-president R.J. Koopman als voorzitter, en de raadsheren E.N. Punt, P.M.F. van Loon, M.E. van Hilten en E.F. Faase, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 22 november 2019.
HR 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252.
Vgl. ABRvS 7 april 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BM0213, en CRvB 25 maart 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BH9991.
BELASTINGKAMER
Nummer 19/01594
Datum 22 november 2019
ARREST
in de zaak van
[X] te [Z] (hierna: belanghebbende)
tegen
de STAAT (de Minister van Justitie en Veiligheid)
op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof 's-Hertogenbosch van 15 februari 2019, nr. 17/00834, op het hoger beroep van de Staat tegen een uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant (nr. AWB 16/4599) betreffende een aan belanghebbende over tijdvakken in de periode 1 januari 2008 tot en met 31 december 2010 opgelegde naheffingsaanslag in de omzetbelasting en de daarbij gegeven boetebeschikking.
1Geding in cassatie
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staat heeft een verweerschrift ingediend.
2Uitgangspunten in cassatie
2.1.1
Aan belanghebbende is een naheffingsaanslag in de omzetbelasting opgelegd. Tegelijkertijd is bij beschikking een boete opgelegd. Tegen de naheffingsaanslag en de boetebeschikking heeft belanghebbende op 12 juli 2012 bezwaar gemaakt. De Inspecteur heeft bij uitspraken op bezwaar van 1 september 2012 de bezwaren niet-ontvankelijk verklaard.
2.1.2
De rechtbank Zeeland-West-Brabant heeft bij uitspraak van 17 april 2014 geoordeeld dat de bezwaren tijdig zijn gemaakt en daarom ontvankelijk zijn. Die rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard en heeft de zaak afgedaan. Zij heeft de uitspraken op bezwaar vernietigd, de naheffingsaanslag gehandhaafd en de boete verminderd.
2.1.3
Het gerechtshof 's-Hertogenbosch heeft het tegen die uitspraak ingestelde hoger beroep van belanghebbende bij uitspraak van 15 april 2016 gegrond verklaard, de uitspraak van de rechtbank en de beide uitspraken van de Inspecteur vernietigd, en de Inspecteur opgedragen opnieuw uitspraak te doen op de bezwaren.
2.1.4
De Inspecteur heeft opnieuw uitspraak op de bezwaren gedaan. Hij heeft de boete verminderd wegens overschrijding van de redelijke termijn en de naheffingsaanslag gehandhaafd.Belanghebbende heeft tegen deze uitsprakenberoep ingesteld bij de Rechtbank. De Rechtbank heeft bij uitspraak van 25 oktober 2017 het beroep gegrond verklaard voor zover het de boetebeschikking betreft en de uitspraak op bezwaar betreffende die boetebeschikking alsook de boetebeschikking vernietigd. Zij heeft het beroep voor het overige ongegrond verklaard, en heeft – vanwege de te lange behandelingsduur door de rechter – de Staat veroordeeld tot vergoeding van € 500 aan immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn.
2.2.1
De Staat heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank geen (incidenteel) hoger beroep ingesteld.Bij het Hof was in geschil of de in aanmerking te nemen termijn voor de fase van berechting tot aan de uitspraak van de Rechtbank (hierna: de berechting in eerste aanleg) is overschreden.
2.2.2
Het Hof heeft die vraag ontkennend beantwoord. Het Hof heeft daarbij tot uitgangspunt genomen dat de berechting van een zaak in eerste aanleg niet binnen een redelijke termijn is geschied indien de rechtbank niet binnen twee jaren nadat die termijn is aangevangen, uitspraak doet. Het Hof heeft vervolgens geoordeeld dat na terugwijzing door het hof naar de inspecteur in beginsel opnieuw van een termijn van twee jaren voor de behandeling van het bezwaar en beroep dient te worden uitgegaan. Na terugwijzing van de zaak door het hof naar de inspecteur vangt volgens het Hof de in aanmerking te nemen termijn voor behandeling van de zaak in eerste aanleg aan op de dag na de uitspraak van het hof die tot deze terugwijzing leidde. Dit betekent volgens het Hof dat in dit geval die termijn op 16 april 2016 is aangevangen. Aangezien de Rechtbank op 25 oktober 2017 uitspraak heeft gedaan, is volgens het Hof de redelijke termijn van berechting in eerste aanleg niet overschreden.
2.3
Het middel is gericht tegen het hiervoor in 2.2.2 weergegeven oordeel van het Hof.
3Beoordeling van het middel
3.1
Het Hof heeft terecht tot uitgangspunt genomen dat de berechting van een zaak in eerste aanleg niet binnen een redelijke termijn heeft plaatsgevonden indien de rechtbank niet binnen twee jaren nadat die termijn is aangevangen, uitspraak doet (vgl. rechtsoverweging 3.4.2 van het overzichtsarrest).
3.2
Het Hof heeft echter miskend dat als de bestuursrechter de zaak terugwijst naar de inspecteur om opnieuw uitspraak op bezwaar te doen, voor het vaststellen van de redelijke termijn voor berechting in eerste aanleg niet een nieuwe behandelingsfase start.In zulke zaken geldt als uitgangspunt dat de berechting in eerste aanleg niet binnen een redelijke termijn heeft plaatsgevonden als het totale tijdsverloop in deze fase, dat is dus de optelsom van het tijdsverloop van die fase vóór terugwijzing en van die fase na terugwijzing, langer heeft geduurd dan twee jaren. Daarbij geldt dat de duur van de hervatte berechting in eerste aanleg aanvangt op de dag nadat de terugwijzingsuitspraak is gewezen.
3.3
3 Gelet op hetgeen hiervoor in 3.2 is overwogen, slaagt het middel. De uitspraak van het Hof kan niet in stand blijven. De Hoge Raad kan de zaak afdoen. Het hoger beroep van de Staat dient ongegrond te worden verklaard. Aangezien belanghebbende geen (incidenteel) hoger beroep heeft ingesteld tegen de uitspraak van de Rechtbank, moet de uitspraak van de Rechtbank worden bevestigd.
4Proceskosten
De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
5Beslissing
De Hoge Raad:
- verklaart het beroep in cassatie gegrond,
- vernietigt de uitspraak van het Hof,
- bevestigt de uitspraak van de Rechtbank,
- draagt de Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid) op aan het Hof een griffierecht van € 250 te betalen voor de behandeling van het hoger beroep, en
- draagt de Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid) op aan belanghebbende te vergoeden het griffierecht van € 253 dat belanghebbende voor de behandeling van het beroep in cassatie heeft betaald.
Dit arrest is gewezen door de vice-president R.J. Koopman als voorzitter, en de raadsheren E.N. Punt, P.M.F. van Loon, M.E. van Hilten en E.F. Faase, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 22 november 2019.
HR 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252.
Vgl. ABRvS 7 april 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BM0213, en CRvB 25 maart 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BH9991.