Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Hoge Raad

ECLI:NL:HR:2019:1709

2019-11-05 Strafrecht 18/03927
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Hoge Raad
Uitspraakdatum
2019-11-05
Publicatiedatum
2019-11-05
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedure
Artikel 81 RO-zaken
Zaaknummer
18/03927
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl | RvdW 2019/1167

Formele procesketen

Inhoudsindicatie

Diefstal in vereniging (art. 310 jo. 311 Sr), medeplegen zware mishandeling met voorbedachte raad (art. 301 Sr) en poging tot diefstal in vereniging, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht d.m.v. een valse sleutel (art. 310 jo. 311 Sr). Bewijsklacht t.a.v. voorbedachte raad. HR: art. 81.1 RO. Samenhang met 18/03902.

Citeert (0)

  • geen

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (1.585 tekens)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN



STRAFKAMER






Nummer 18/03927

Datum 5 november 2019




ARREST




op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, van 24 augustus 2018, nummer 21/003055-17, in de strafzaak



tegen




[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1982,
hierna: de verdachte.





1Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft K. Cras, advocaat te Amsterdam-Duivendrecht, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal A.E. Harteveld heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
De raadsvrouw heeft daarop schriftelijk gereageerd.




2Beoordeling van het middel
Het middel kan niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81, eerste lid, RO, geen nadere motivering nu het middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.



3Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.



Dit arrest is gewezen door de vice-president J. de Hullu als voorzitter, en de raadsheren M.J. Borgers en A.E.M. Röttgering, in bijzijn van de waarnemend griffier J.D.M. Hart, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 5 november 2019.