Hoge Raad
ECLI:NL:HR:2019:1680
2019-11-01
Civiel recht
18/04740
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Formele procesketen
- conclusie ECLI:NL:HR:2019:1680 → ECLI:NL:PHR:2019:1111
Inhoudsindicatie
Art. 81 lid 1 RO. Onteigeningsrecht. Verplichting onteigenaar om te trachten de te onteigenen onroerende zaken bij minnelijke overeenkomst te verkrijgen. Art. 17 Ow.
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (2.238 tekens)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CIVIELE KAMER
Nummer 18/04740
Datum 1 november 2019
ARREST
In de zaak van
[eiser] , in zijn hoedanigheid van gevolmachtigde ex artikel 20 Onteigeningswet voor [betrokkene 1] ,wonende te [woonplaats] ,
EISER tot cassatie,
hierna: [eiser] q.q.,
advocaat: mr. R.T. Wiegerink,
tegen
DE STAAT DER NEDERLANDEN,zetelende te Den Haag,
VERWEERDER in cassatie,
hierna: de Staat,
advocaat: mr. M.W. Scheltema.
1. Procesverloop
Voor het verloop van het geding in feitelijke instantie verwijst de Hoge Raad naar het vonnis in de zaak C/10/552892/HA ZA 18-597 van de rechtbank Rotterdam van 17 oktober 2018.
[eiser] q.q. heeft tegen het vonnis van de rechtbank beroep in cassatie ingesteld. De Staat heeft een verweerschrift tot verwerping ingediend.
De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten en voor de Staat mede door mr. S.J.M. Bouwman.
De conclusie van de Advocaat-Generaal W.L. Valk strekt tot verwerping van het cassatieberoep met toepassing van art. 81 Wet RO.
De advocaat van [eiser] q.q. heeft schriftelijk op die conclusie gereageerd.
2Beoordeling van het middel
De in het middel aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 lid 1 RO, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
3Beslissing
De Hoge Raad:
verwerpt het beroep;
veroordeelt [eiser] q.q. in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van de Staat begroot op € 865,34 aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris, vermeerderd met de wettelijke rente over deze kosten indien [eiser] q.q. deze niet binnen veertien dagen na heden heeft voldaan.
Dit arrest is gewezen door de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, als voorzitter, C.H. Sieburgh en H.M. Wattendorff, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer C.E. du Perron op 1 november 2019.
CIVIELE KAMER
Nummer 18/04740
Datum 1 november 2019
ARREST
In de zaak van
[eiser] , in zijn hoedanigheid van gevolmachtigde ex artikel 20 Onteigeningswet voor [betrokkene 1] ,wonende te [woonplaats] ,
EISER tot cassatie,
hierna: [eiser] q.q.,
advocaat: mr. R.T. Wiegerink,
tegen
DE STAAT DER NEDERLANDEN,zetelende te Den Haag,
VERWEERDER in cassatie,
hierna: de Staat,
advocaat: mr. M.W. Scheltema.
1. Procesverloop
Voor het verloop van het geding in feitelijke instantie verwijst de Hoge Raad naar het vonnis in de zaak C/10/552892/HA ZA 18-597 van de rechtbank Rotterdam van 17 oktober 2018.
[eiser] q.q. heeft tegen het vonnis van de rechtbank beroep in cassatie ingesteld. De Staat heeft een verweerschrift tot verwerping ingediend.
De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten en voor de Staat mede door mr. S.J.M. Bouwman.
De conclusie van de Advocaat-Generaal W.L. Valk strekt tot verwerping van het cassatieberoep met toepassing van art. 81 Wet RO.
De advocaat van [eiser] q.q. heeft schriftelijk op die conclusie gereageerd.
2Beoordeling van het middel
De in het middel aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 lid 1 RO, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
3Beslissing
De Hoge Raad:
verwerpt het beroep;
veroordeelt [eiser] q.q. in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van de Staat begroot op € 865,34 aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris, vermeerderd met de wettelijke rente over deze kosten indien [eiser] q.q. deze niet binnen veertien dagen na heden heeft voldaan.
Dit arrest is gewezen door de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, als voorzitter, C.H. Sieburgh en H.M. Wattendorff, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer C.E. du Perron op 1 november 2019.