Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Hoge Raad

ECLI:NL:HR:2019:1641

2019-10-29 Strafrecht 18/00468
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Hoge Raad
Uitspraakdatum
2019-10-29
Publicatiedatum
2019-10-28
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedure
Artikel 81 RO-zaken
Zaaknummer
18/00468
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl | RvdW 2019/1148

Formele procesketen

Inhoudsindicatie

Ontucht met minderjarige dochter, art. 245 Sr. Middelen over 1. ondervragingsrecht, art. 6 EVRM, doordat het hof verklaringen van aangeefster voor het bewijs heeft gebezigd, terwijl de verdachte haar in geen enkel stadium van het geding heeft kunnen (doen) ondervragen, en 2. Aanwezigheid van onvoldoende steunbewijs is, zodat niet is voldaan aan art. 342.2 Sv, unus testis. HR: art. 81.1 RO.

Citeert (0)

  • geen

Geciteerd door (6)

Volledige tekst

Volledige tekst (1.533 tekens)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN



STRAFKAMER




Nummer 18/00468

Datum 29 oktober 2019




ARREST




op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Den Haag van 20 december 2017, nummer 22/002967-16, in de strafzaak



tegen




[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1958,
hierna: de verdachte.





1Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft J.S. Nan, advocaat te 's‑Gravenhage, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal P.C. Vegter heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
De raadsman heeft daarop schriftelijk gereageerd.




2Beoordeling van de middelen
De middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81, eerste lid, RO, geen nadere motivering nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.



3Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.


Dit arrest is gewezen door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren Y. Buruma en J.C.A.M. Claassens, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 29 oktober 2019.