Hoge Raad
ECLI:NL:HR:2019:1610
2019-10-18
Bestuursrecht; Belastingrecht
18/03614
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Formele procesketen
- cassatie ECLI:NL:HR:2019:1610 → ECLI:NL:GHSHE:2018:2931
Inhoudsindicatie
Dividendbelasting; artikel 10, lid 1, Wet DB 1965; heeft een Japans pensioenfonds recht op teruggaaf van dividendbelasting op grond van de vrijheid van kapitaalverkeer? Bewijslastverdeling bij de beoordeling van de vraag of belanghebbende (i) de tot de opbrengst gerechtigde is en (ii) de uiteindelijk gerechtigde is.
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (51)
- ECLI:NL:GHSHE:2026:1082 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 22-04-2026
- ECLI:NL:GHDHA:2025:2672 Gerechtshof Den Haag 11-12-2025
- ECLI:NL:GHDHA:2025:2672 Gerechtshof Den Haag 11-12-2025
- ECLI:NL:RBZWB:2025:325 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 23-01-2025
- ECLI:NL:RBZWB:2024:6955 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 14-10-2024
- ECLI:NL:RBZWB:2024:6952 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 14-10-2024
- ECLI:NL:RBZWB:2024:6954 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 14-10-2024
- ECLI:NL:RBZWB:2024:6949 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 14-10-2024
- ECLI:NL:RBZWB:2024:6947 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 14-10-2024
- ECLI:NL:RBZWB:2024:6951 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 14-10-2024
- ECLI:NL:PHR:2024:165 Parket bij de Hoge Raad 02-02-2024
- ECLI:NL:PHR:2024:117 Parket bij de Hoge Raad 02-02-2024
- ECLI:NL:PHR:2024:166 Parket bij de Hoge Raad 02-02-2024
- ECLI:NL:PHR:2024:164 Parket bij de Hoge Raad 02-02-2024
- ECLI:NL:PHR:2024:151 Parket bij de Hoge Raad 02-02-2024
- ECLI:NL:PHR:2024:121 Parket bij de Hoge Raad 02-02-2024
- ECLI:NL:PHR:2024:156 Parket bij de Hoge Raad 02-02-2024
- ECLI:NL:PHR:2024:150 Parket bij de Hoge Raad 02-02-2024
- ECLI:NL:PHR:2024:153 Parket bij de Hoge Raad 02-02-2024
- ECLI:NL:PHR:2024:159 Parket bij de Hoge Raad 02-02-2024
- ECLI:NL:PHR:2024:160 Parket bij de Hoge Raad 02-02-2024
- ECLI:NL:PHR:2024:161 Parket bij de Hoge Raad 02-02-2024
- ECLI:NL:HR:2024:49 Hoge Raad 19-01-2024
- ECLI:NL:HR:2024:49 Hoge Raad 19-01-2024
- ECLI:NL:HR:2024:49 Hoge Raad 19-01-2024
- ECLI:NL:GHSHE:2023:3117 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 27-09-2023
- ECLI:NL:GHSHE:2023:3034 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 20-09-2023
- ECLI:NL:GHSHE:2023:3029 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 20-09-2023
- ECLI:NL:GHSHE:2023:3035 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 20-09-2023
- ECLI:NL:GHSHE:2023:3031 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 20-09-2023
- ECLI:NL:GHSHE:2023:2711 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 23-08-2023
- ECLI:NL:GHSHE:2023:2708 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 23-08-2023
- ECLI:NL:GHSHE:2023:2697 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 23-08-2023
- ECLI:NL:GHSHE:2023:2707 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 23-08-2023
- ECLI:NL:GHSHE:2023:1699 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 24-05-2023
- ECLI:NL:GHSHE:2023:1689 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 24-05-2023
- ECLI:NL:GHSHE:2023:1687 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 24-05-2023
- ECLI:NL:GHSHE:2023:1697 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 24-05-2023
- ECLI:NL:GHSHE:2023:1691 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 24-05-2023
- ECLI:NL:GHSHE:2023:1683 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 24-05-2023
- ECLI:NL:GHSHE:2023:1684 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 24-05-2023
- ECLI:NL:GHSHE:2023:1695 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 24-05-2023
- ECLI:NL:GHSHE:2023:1696 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 24-05-2023
- ECLI:NL:GHSHE:2023:1686 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 24-05-2023
- ECLI:NL:GHSHE:2023:1692 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 24-05-2023
- ECLI:NL:GHSHE:2023:1271 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 19-04-2023
- ECLI:NL:GHSHE:2023:1273 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 19-04-2023
- ECLI:NL:GHSHE:2023:1279 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 19-04-2023
- ECLI:NL:HR:2021:212 Hoge Raad 12-02-2021
- ECLI:NL:GHARL:2021:237 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 12-01-2021
- ECLI:NL:HR:2020:115 Hoge Raad 24-01-2020
Volledige tekst
Volledige tekst (7.290 tekens)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer 18/03614
Datum 18 oktober 2019
ARREST
in de zaak van
[X] te [Z], Japan (hierna: belanghebbende)
tegen
de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN
op het beroep in cassatie gericht tegen de uitspraak van het Gerechtshof 's-Hertogenbosch van 12 juli 2018, nrs. 17/00296 tot en met 17/00299, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant (nrs. BRE 14/7470 tot en met 14/7473) betreffende de ten aanzien van belanghebbende gegeven beschikkingen inzake dividendbelasting. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
1Geding in cassatie
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.
Namens belanghebbende is de zaak toegelicht door A.J.C. Perdaems, advocaat te Breda.
2Beoordeling van de middelen
2.1
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
2.1.1
Belanghebbende is door de 72 bij haar aangesloten Japanse pensioenfondsen opgericht naar Japans recht en is in Japan gevestigd. Zij is een “public interest corporation”.
2.1.2
Belanghebbende heeft voor de jaren 2010 en 2011 verzocht om teruggaaf van dividendbelasting die is ingehouden op dividenden, uitgekeerd op aandelen in Nederlandse vennootschappen. De Inspecteur heeft deze verzoeken afgewezen.
2.2.1
Voor het Hof was in geschil of de vrijheid van kapitaalverkeer van artikel 63 VWEU met zich brengt dat belanghebbende in aanmerking komt voor teruggaaf van dividendbelasting ter zake van de door haar in 2010 en 2011 ontvangen dividenden.
2.2.2
Het Hof heeft die vraag ontkennend beantwoord. Het Hof heeft tot uitgangspunt genomen dat voor de vraag of sprake is van strijd met de vrijheid van kapitaalverkeer, moet worden vastgesteld of de situatie van belanghebbende vergelijkbaar is met die van een niet aan de Nederlandse vennootschapsbelasting onderworpen rechtspersoon als bedoeld in artikel 10, lid 1, van de Wet op de dividendbelasting 1965 (tekst tot en met 2011; hierna: de Wet).
2.2.3
Naar het oordeel van het Hof eist artikel 10, lid 1, van de Wet voor teruggaaf dat een rechtspersoon uiteindelijk gerechtigde is tot de opbrengsten waarop de dividendbelasting is ingehouden. Daarbij rust de bewijslast op belanghebbende, aldus het Hof. Het heeft vervolgens geoordeeld dat belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij de uiteindelijk gerechtigde is tot de dividenden waarop de teruggevraagde dividendbelasting betrekking heeft.
2.3
De eerste twee middelen richten zich tegen de hiervoor in 2.2.3 weergegeven oordelen van het Hof. Het tweede middel betoogt dat het Hof bij de beoordeling van de vraag of belanghebbende al of niet als uiteindelijk gerechtigde kan worden aangemerkt, is uitgegaan van een onjuiste bewijslastverdeling.
2.4
Bij de beoordeling van het tweede middel stelt de Hoge Raad het volgende voorop.
2.4.1
Het hiervoor in 2.2.2 weergegeven uitgangspunt van het Hof wordt in cassatie terecht niet bestreden.
2.4.2
Artikel 10, lid 1, van de Wet bepaalt dat aan een in Nederland gevestigde rechtspersoon op zijn verzoek teruggaaf wordt verleend van in een kalenderjaar te zijnen laste ingehouden dividendbelasting. Met de woorden “te zijnen laste ingehouden dividendbelasting” is tot uitdrukking gebracht dat de teruggevraagde dividendbelasting moet zijn geheven van de verzoeker als gerechtigde tot de opbrengst in de zin van artikel 1, lid 1, van de Wet. Betwist de inspecteur dat de verzoeker die hoedanigheid heeft, dan rust op deze verzoeker de last om feiten te stellen en, bij betwisting daarvan door de inspecteur, aannemelijk te maken, die meebrengen dat hij de gerechtigde tot die opbrengst is.
2.4.3
Indien de verzoeker de gerechtigde tot de opbrengst is, kan de vraag aan de orde komen of hij al of niet de uiteindelijk gerechtigde tot die opbrengst is. Bij wijze van uitzondering geldt namelijk op grond van de vierde volzin van artikel 10, lid 1, van de Wet dat geen teruggaaf wordt verleend voor zover de dividendbelasting is ingehouden op opbrengsten met betrekking waartoe de verzoeker niet de uiteindelijk gerechtigde is. Gelet op het uitzonderingskarakter van deze volzin en de geschiedenis van de totstandkoming daarvan heeft de inspecteur de stelplicht en de bewijslast met betrekking tot feiten die meebrengen dat de verzoeker niet de uiteindelijk gerechtigde is.
2.5
Gelet op hetgeen hiervoor in 2.4.3 is overwogen, geeft het in 2.2.3 weergegeven oordeel van het Hof blijk van een onjuiste opvatting omtrent de bij de toepassing van artikel 10, lid 1, van de Wet geldende bewijslastverdeling. Het tweede middel slaagt daarom.
2.6
Het derde en het vierde middel kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu die middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
2.7
Gelet op hetgeen hiervoor in 2.5 is overwogen, kan de uitspraak van het Hof niet in stand blijven. Het eerste middel behoeft geen behandeling. Verwijzing moet volgen. Het verwijzingshof zal zo nodig alsnog moeten ingaan op de vraag of de dividendbelasting waarop de teruggaafverzoeken zien, ten laste van belanghebbende is ingehouden.
3Proceskosten
De Staatssecretaris zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie.
4Beslissing
De Hoge Raad:
- verklaart het beroep in cassatie gegrond,
- vernietigt de uitspraak van het Hof,
- verwijst het geding naar het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden ter verdere behandeling en beslissing van de zaak met inachtneming van dit arrest,
- draagt de Staatssecretaris van Financiën op aan belanghebbende te vergoeden het griffierecht dat belanghebbende voor de behandeling van het beroep in cassatie heeft betaald van € 508, en
- veroordeelt de Staatssecretaris van Financiën in de kosten van belanghebbende voor het geding in cassatie, vastgesteld op € 2.048 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Dit arrest is gewezen door de vice-president R.J. Koopman als voorzitter, en de raadsheren P.M.F. van Loon, L.F. van Kalmthout, M.E. van Hilten en E.F. Faase, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 18 oktober 2019.
Kamerstukken II 2000/01, 27 896, nr. 3, blz. 2, 5 en 8, alsmede Kamerstukken II 2000/01, 27 896, nr. B, blz. 4.
BELASTINGKAMER
Nummer 18/03614
Datum 18 oktober 2019
ARREST
in de zaak van
[X] te [Z], Japan (hierna: belanghebbende)
tegen
de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN
op het beroep in cassatie gericht tegen de uitspraak van het Gerechtshof 's-Hertogenbosch van 12 juli 2018, nrs. 17/00296 tot en met 17/00299, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant (nrs. BRE 14/7470 tot en met 14/7473) betreffende de ten aanzien van belanghebbende gegeven beschikkingen inzake dividendbelasting. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
1Geding in cassatie
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.
Namens belanghebbende is de zaak toegelicht door A.J.C. Perdaems, advocaat te Breda.
2Beoordeling van de middelen
2.1
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
2.1.1
Belanghebbende is door de 72 bij haar aangesloten Japanse pensioenfondsen opgericht naar Japans recht en is in Japan gevestigd. Zij is een “public interest corporation”.
2.1.2
Belanghebbende heeft voor de jaren 2010 en 2011 verzocht om teruggaaf van dividendbelasting die is ingehouden op dividenden, uitgekeerd op aandelen in Nederlandse vennootschappen. De Inspecteur heeft deze verzoeken afgewezen.
2.2.1
Voor het Hof was in geschil of de vrijheid van kapitaalverkeer van artikel 63 VWEU met zich brengt dat belanghebbende in aanmerking komt voor teruggaaf van dividendbelasting ter zake van de door haar in 2010 en 2011 ontvangen dividenden.
2.2.2
Het Hof heeft die vraag ontkennend beantwoord. Het Hof heeft tot uitgangspunt genomen dat voor de vraag of sprake is van strijd met de vrijheid van kapitaalverkeer, moet worden vastgesteld of de situatie van belanghebbende vergelijkbaar is met die van een niet aan de Nederlandse vennootschapsbelasting onderworpen rechtspersoon als bedoeld in artikel 10, lid 1, van de Wet op de dividendbelasting 1965 (tekst tot en met 2011; hierna: de Wet).
2.2.3
Naar het oordeel van het Hof eist artikel 10, lid 1, van de Wet voor teruggaaf dat een rechtspersoon uiteindelijk gerechtigde is tot de opbrengsten waarop de dividendbelasting is ingehouden. Daarbij rust de bewijslast op belanghebbende, aldus het Hof. Het heeft vervolgens geoordeeld dat belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij de uiteindelijk gerechtigde is tot de dividenden waarop de teruggevraagde dividendbelasting betrekking heeft.
2.3
De eerste twee middelen richten zich tegen de hiervoor in 2.2.3 weergegeven oordelen van het Hof. Het tweede middel betoogt dat het Hof bij de beoordeling van de vraag of belanghebbende al of niet als uiteindelijk gerechtigde kan worden aangemerkt, is uitgegaan van een onjuiste bewijslastverdeling.
2.4
Bij de beoordeling van het tweede middel stelt de Hoge Raad het volgende voorop.
2.4.1
Het hiervoor in 2.2.2 weergegeven uitgangspunt van het Hof wordt in cassatie terecht niet bestreden.
2.4.2
Artikel 10, lid 1, van de Wet bepaalt dat aan een in Nederland gevestigde rechtspersoon op zijn verzoek teruggaaf wordt verleend van in een kalenderjaar te zijnen laste ingehouden dividendbelasting. Met de woorden “te zijnen laste ingehouden dividendbelasting” is tot uitdrukking gebracht dat de teruggevraagde dividendbelasting moet zijn geheven van de verzoeker als gerechtigde tot de opbrengst in de zin van artikel 1, lid 1, van de Wet. Betwist de inspecteur dat de verzoeker die hoedanigheid heeft, dan rust op deze verzoeker de last om feiten te stellen en, bij betwisting daarvan door de inspecteur, aannemelijk te maken, die meebrengen dat hij de gerechtigde tot die opbrengst is.
2.4.3
Indien de verzoeker de gerechtigde tot de opbrengst is, kan de vraag aan de orde komen of hij al of niet de uiteindelijk gerechtigde tot die opbrengst is. Bij wijze van uitzondering geldt namelijk op grond van de vierde volzin van artikel 10, lid 1, van de Wet dat geen teruggaaf wordt verleend voor zover de dividendbelasting is ingehouden op opbrengsten met betrekking waartoe de verzoeker niet de uiteindelijk gerechtigde is. Gelet op het uitzonderingskarakter van deze volzin en de geschiedenis van de totstandkoming daarvan heeft de inspecteur de stelplicht en de bewijslast met betrekking tot feiten die meebrengen dat de verzoeker niet de uiteindelijk gerechtigde is.
2.5
Gelet op hetgeen hiervoor in 2.4.3 is overwogen, geeft het in 2.2.3 weergegeven oordeel van het Hof blijk van een onjuiste opvatting omtrent de bij de toepassing van artikel 10, lid 1, van de Wet geldende bewijslastverdeling. Het tweede middel slaagt daarom.
2.6
Het derde en het vierde middel kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu die middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
2.7
Gelet op hetgeen hiervoor in 2.5 is overwogen, kan de uitspraak van het Hof niet in stand blijven. Het eerste middel behoeft geen behandeling. Verwijzing moet volgen. Het verwijzingshof zal zo nodig alsnog moeten ingaan op de vraag of de dividendbelasting waarop de teruggaafverzoeken zien, ten laste van belanghebbende is ingehouden.
3Proceskosten
De Staatssecretaris zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie.
4Beslissing
De Hoge Raad:
- verklaart het beroep in cassatie gegrond,
- vernietigt de uitspraak van het Hof,
- verwijst het geding naar het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden ter verdere behandeling en beslissing van de zaak met inachtneming van dit arrest,
- draagt de Staatssecretaris van Financiën op aan belanghebbende te vergoeden het griffierecht dat belanghebbende voor de behandeling van het beroep in cassatie heeft betaald van € 508, en
- veroordeelt de Staatssecretaris van Financiën in de kosten van belanghebbende voor het geding in cassatie, vastgesteld op € 2.048 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Dit arrest is gewezen door de vice-president R.J. Koopman als voorzitter, en de raadsheren P.M.F. van Loon, L.F. van Kalmthout, M.E. van Hilten en E.F. Faase, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 18 oktober 2019.
Kamerstukken II 2000/01, 27 896, nr. 3, blz. 2, 5 en 8, alsmede Kamerstukken II 2000/01, 27 896, nr. B, blz. 4.