Hoge Raad
ECLI:NL:HR:2019:1314
2019-09-20
Bestuursrecht; Belastingrecht
19/00864
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Formele procesketen
- cassatie ECLI:NL:HR:2019:1314 → ECLI:NL:GHAMS:2019:465
Inhoudsindicatie
Artikel 7:15, lid 2, Awb, vergoeding kosten van bezwaar.
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (23)
- ECLI:NL:PHR:2026:463 Parket bij de Hoge Raad 08-05-2026
- ECLI:NL:RBZWB:2023:703 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 07-02-2023
- ECLI:NL:GHAMS:2022:3693 Gerechtshof Amsterdam 20-12-2022
- ECLI:NL:GHAMS:2022:3693 Gerechtshof Amsterdam 20-12-2022
- ECLI:NL:GHAMS:2022:3730 Gerechtshof Amsterdam 13-12-2022
- ECLI:NL:GHAMS:2022:3730 Gerechtshof Amsterdam 13-12-2022
- ECLI:NL:GHAMS:2022:3730 Gerechtshof Amsterdam 13-12-2022
- ECLI:NL:RBZWB:2022:7307 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 08-12-2022
- ECLI:NL:GHAMS:2022:3014 Gerechtshof Amsterdam 06-10-2022
- ECLI:NL:RBNHO:2021:12886 Rechtbank Noord-Holland 15-12-2021
- ECLI:NL:RBNHO:2021:9976 Rechtbank Noord-Holland 15-10-2021
- ECLI:NL:RBNHO:2021:9825 Rechtbank Noord-Holland 04-10-2021
- ECLI:NL:RBNHO:2021:9825 Rechtbank Noord-Holland 04-10-2021
- ECLI:NL:RBNHO:2021:5562 Rechtbank Noord-Holland 09-07-2021
- ECLI:NL:RBNHO:2021:5562 Rechtbank Noord-Holland 09-07-2021
- ECLI:NL:RBNHO:2021:4036 Rechtbank Noord-Holland 20-05-2021
- ECLI:NL:RBNHO:2021:4036 Rechtbank Noord-Holland 20-05-2021
- ECLI:NL:RBNHO:2020:7929 Rechtbank Noord-Holland 16-10-2020
- ECLI:NL:RBNHO:2020:7933 Rechtbank Noord-Holland 16-10-2020
- ECLI:NL:RBNHO:2020:6477 Rechtbank Noord-Holland 22-07-2020
- ECLI:NL:RBNHO:2020:3194 Rechtbank Noord-Holland 17-04-2020
- ECLI:NL:RBNHO:2020:3196 Rechtbank Noord-Holland 17-04-2020
- ECLI:NL:RBNHO:2020:3196 Rechtbank Noord-Holland 17-04-2020
Volledige tekst
Volledige tekst (4.604 tekens)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer 19/00864
Datum 20 september 2019
ARREST
In de zaak van
[X] C.V. te [Z] (hierna: belanghebbende)
tegen
de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN
op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam van 22 januari 2019, nr. 17/00465, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Noord-Holland (nr. HAA 16/4254) betreffende een door belanghebbende gedaan verzoek om veroordeling in de proceskosten. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
1Geding in cassatie
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.
2Beoordeling van de klachten
2.1
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
2.1.1
De Ontvanger heeft aan belanghebbende bij beschikking € 7 aanmaningskosten in rekening gebracht. Na daartegen gemaakt bezwaar, heeft de Ontvanger bij uitspraak op bezwaar die beschikking vernietigd. Daarbij is niet beslist op het verzoek van belanghebbende om vergoeding van de kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
2.1.2
In hoger beroep was in geschil of belanghebbende aanspraak kan maken op vergoeding van de in bezwaar en beroep gemaakte kosten. Het Hof heeft het hoger beroep gegrond verklaard en een kostenvergoeding toegekend voor de bezwaarfase, beroepsfase en hogerberoepsfase. Daarbij heeft het Hof het gewicht van de zaak gesteld op 0,25 (zeer licht) als bedoeld in onderdeel C1 van de Bijlage bij het Besluit proceskosten bestuursrecht, omdat het geschil beperkt was tot de vergoeding van die kosten.
2.2.1
De klachten houden onder meer in dat het Hof bij de berekening van de kostenvergoeding voor de bezwaarfase ten onrechte heeft aangenomen dat het geschil uitsluitend betrekking had op de kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand en daarom ten onrechte een wegingsfactor van 0,25 heeft toegepast.
2.2.2
De klachten slagen in zoverre. Anders dan het Hof heeft geoordeeld was in bezwaar tevens de rechtmatigheid van de in rekening gebrachte aanmaningskosten in geschil.
2.2.3
De klachten voor het overige kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
2.3
Gelet op het hiervoor in 2.2.2 overwogene kan de uitspraak van het Hof niet in stand blijven. De Hoge Raad kan de zaak afdoen. De door de Ontvanger aan belanghebbende te vergoeden kosten voor door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand in de bezwaarfase worden gesteld op 1 (bezwaarschrift) maal 1 (wegingsfactor) maal € 254 = € 254.
3Proceskosten
De Staatssecretaris zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie en de Ontvanger in de kosten van het bezwaar.
4Beslissing
De Hoge Raad:
- verklaart het beroep in cassatie gegrond,
- vernietigt de uitspraak van het Hof, maar uitsluitend voor zover het betreft de beslissing over de proceskosten,
- veroordeelt de Ontvanger in de kosten van belanghebbende van het geding voor het Hof en van het geding voor de Rechtbank en in verband met de behandeling van het bezwaar, vastgesteld in totaal op € 796,
- draagt de Staatssecretaris van Financiën op aan belanghebbende te vergoeden het griffierecht dat belanghebbende voor de behandeling van het beroep in cassatie heeft betaald van € 519, en
- veroordeelt de Staatssecretaris van Financiën in de kosten aan de zijde van belanghebbende van het geding in cassatie, vastgesteld op € 2.048 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Dit arrest is gewezen door de vice-president G. de Groot als voorzitter, en de raadsheren M.A. Fierstra en P.A.G.M. Cools, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 20 september 2019.
BELASTINGKAMER
Nummer 19/00864
Datum 20 september 2019
ARREST
In de zaak van
[X] C.V. te [Z] (hierna: belanghebbende)
tegen
de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN
op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam van 22 januari 2019, nr. 17/00465, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Noord-Holland (nr. HAA 16/4254) betreffende een door belanghebbende gedaan verzoek om veroordeling in de proceskosten. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
1Geding in cassatie
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.
2Beoordeling van de klachten
2.1
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
2.1.1
De Ontvanger heeft aan belanghebbende bij beschikking € 7 aanmaningskosten in rekening gebracht. Na daartegen gemaakt bezwaar, heeft de Ontvanger bij uitspraak op bezwaar die beschikking vernietigd. Daarbij is niet beslist op het verzoek van belanghebbende om vergoeding van de kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
2.1.2
In hoger beroep was in geschil of belanghebbende aanspraak kan maken op vergoeding van de in bezwaar en beroep gemaakte kosten. Het Hof heeft het hoger beroep gegrond verklaard en een kostenvergoeding toegekend voor de bezwaarfase, beroepsfase en hogerberoepsfase. Daarbij heeft het Hof het gewicht van de zaak gesteld op 0,25 (zeer licht) als bedoeld in onderdeel C1 van de Bijlage bij het Besluit proceskosten bestuursrecht, omdat het geschil beperkt was tot de vergoeding van die kosten.
2.2.1
De klachten houden onder meer in dat het Hof bij de berekening van de kostenvergoeding voor de bezwaarfase ten onrechte heeft aangenomen dat het geschil uitsluitend betrekking had op de kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand en daarom ten onrechte een wegingsfactor van 0,25 heeft toegepast.
2.2.2
De klachten slagen in zoverre. Anders dan het Hof heeft geoordeeld was in bezwaar tevens de rechtmatigheid van de in rekening gebrachte aanmaningskosten in geschil.
2.2.3
De klachten voor het overige kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
2.3
Gelet op het hiervoor in 2.2.2 overwogene kan de uitspraak van het Hof niet in stand blijven. De Hoge Raad kan de zaak afdoen. De door de Ontvanger aan belanghebbende te vergoeden kosten voor door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand in de bezwaarfase worden gesteld op 1 (bezwaarschrift) maal 1 (wegingsfactor) maal € 254 = € 254.
3Proceskosten
De Staatssecretaris zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie en de Ontvanger in de kosten van het bezwaar.
4Beslissing
De Hoge Raad:
- verklaart het beroep in cassatie gegrond,
- vernietigt de uitspraak van het Hof, maar uitsluitend voor zover het betreft de beslissing over de proceskosten,
- veroordeelt de Ontvanger in de kosten van belanghebbende van het geding voor het Hof en van het geding voor de Rechtbank en in verband met de behandeling van het bezwaar, vastgesteld in totaal op € 796,
- draagt de Staatssecretaris van Financiën op aan belanghebbende te vergoeden het griffierecht dat belanghebbende voor de behandeling van het beroep in cassatie heeft betaald van € 519, en
- veroordeelt de Staatssecretaris van Financiën in de kosten aan de zijde van belanghebbende van het geding in cassatie, vastgesteld op € 2.048 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Dit arrest is gewezen door de vice-president G. de Groot als voorzitter, en de raadsheren M.A. Fierstra en P.A.G.M. Cools, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 20 september 2019.