Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Hoge Raad

ECLI:NL:HR:2019:1156

2019-07-09 Strafrecht 17/05276
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Hoge Raad
Uitspraakdatum
2019-07-09
Publicatiedatum
2019-07-09
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedure
Artikel 81 RO-zaken
Zaaknummer
17/05276
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl | RvdW 2019/878

Formele procesketen

Inhoudsindicatie

Wederspannigheid, art. 180 Sr. Bewijsklachten dat (1) niet uit de bewijsvoering blijkt dat verdachte was aangehouden op verdenking van het overtreden van art. 311.5 jo. art. 310 Sr, en (2) dat uit bewijsvoering niet z.m. kan volgen dat de betrokken verbalisant werkzaam was in de rechtmatige uitoefening van zijn bediening. HR: art. 81.1 RO.

Citeert (0)

  • geen

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (1.588 tekens)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN





STRAFKAMER







Nummer 17/05276

Datum 9 juli 2019





ARREST





op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, van 6 november 2017, nummer 21/006657-16, in de strafzaak



tegen




[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1994,
hierna: de verdachte.





1Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft N. van Schaik, advocaat te Utrecht, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De plaatsvervangend Advocaat-Generaal D.J.M.W. Paridaens heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.




2Beoordeling van het middel
Het middel kan niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81, eerste lid, RO, geen nadere motivering nu het middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.



3Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.


Dit arrest is gewezen door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren E.S.G.N.A.I. van de Griend en M.J. Borgers, in bijzijn van de waarnemend griffier S.P.J. Lugtenburg, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 9 juli 2019.