Hoge Raad
ECLI:NL:HR:2018:2217
2018-11-30
Civiel recht
17/05375
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Formele procesketen
- cassatie ECLI:NL:HR:2018:2217 → ECLI:NL:GHAMS:2017:3282 (Gedeeltelijke) vernietiging met verwijzen
- conclusie ECLI:NL:HR:2018:2217 → ECLI:NL:PHR:2018:1111 gevolgd
- verwijzing ECLI:NL:GHDHA:2020:2024 → ECLI:NL:HR:2018:2217
Inhoudsindicatie
Overeenkomstenrecht. Borgtocht. Is door tussenkomst van bestuurder vennootschap een overeenkomst van borgtocht tot stand gekomen tussen vennootschap en advocatenkantoor? Kribbebijter-maatstaf (HR 11 maart 1977, ECLI:NL:HR:1977:AC1877). Vertegenwoordigingsbevoegdheid.
Citeert (2)
- ECLI:NL:HR:1977:AC1877 Hoge Raad 11-03-1977
- ECLI:NL:HR:2014:3460 Hoge Raad 28-11-2014
Geciteerd door (46)
- ECLI:NL:GHARL:2026:3301 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 26-05-2026
- ECLI:NL:RBLIM:2026:1685 Rechtbank Limburg 04-03-2026
- ECLI:NL:GHAMS:2025:3225 Gerechtshof Amsterdam 02-12-2025
- ECLI:NL:RBDHA:2025:16818 Rechtbank Den Haag 20-08-2025
- ECLI:NL:OGHACMB:2025:89 Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba 01-04-2025
- ECLI:NL:GHSHE:2024:2798 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 03-09-2024
- ECLI:NL:RBAMS:2024:4831 Rechtbank Amsterdam 17-07-2024
- ECLI:NL:RBDHA:2024:8256 Rechtbank Den Haag 29-05-2024
- ECLI:NL:GHARL:2024:2727 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 09-04-2024
- ECLI:NL:RBZWB:2024:1891 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 20-03-2024
- ECLI:NL:RBZWB:2024:2367 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 28-02-2024
- ECLI:NL:GHARL:2024:1054 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 13-02-2024
- ECLI:NL:RBZWB:2024:501 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 24-01-2024
- ECLI:NL:GHARL:2023:9594 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 14-11-2023
- ECLI:NL:RBNNE:2023:3614 Rechtbank Noord-Nederland 30-08-2023
- ECLI:NL:RBOVE:2023:3347 Rechtbank Overijssel 15-08-2023
- ECLI:NL:RBGEL:2023:4162 Rechtbank Gelderland 19-07-2023
- ECLI:NL:RBGEL:2023:4974 Rechtbank Gelderland 07-07-2023
- ECLI:NL:PHR:2023:424 Parket bij de Hoge Raad 14-04-2023
- ECLI:NL:RBAMS:2022:8041 Rechtbank Amsterdam 19-10-2022
- ECLI:NL:PHR:2021:1145 Parket bij de Hoge Raad 03-12-2021
- ECLI:NL:HR:2021:1615 Hoge Raad 29-10-2021
- ECLI:NL:OGHACMB:2021:356 Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba 01-10-2021
- ECLI:NL:RBAMS:2021:6463 Rechtbank Amsterdam 29-09-2021
- ECLI:NL:RBNNE:2021:3321 Rechtbank Noord-Nederland 03-08-2021
- ECLI:NL:GHARL:2021:7212 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 27-07-2021
- ECLI:NL:RBNNE:2021:1885 Rechtbank Noord-Nederland 19-05-2021
- ECLI:NL:RBROT:2021:4535 Rechtbank Rotterdam 19-05-2021
- ECLI:NL:PHR:2021:426 Parket bij de Hoge Raad 23-04-2021
- ECLI:NL:PHR:2021:426 Parket bij de Hoge Raad 23-04-2021
- ECLI:NL:GHARL:2021:999 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 02-02-2021
- ECLI:NL:PHR:2020:1128 Parket bij de Hoge Raad 27-11-2020
- ECLI:NL:GHDHA:2020:2024 Gerechtshof Den Haag 27-10-2020
- ECLI:NL:OGEABES:2020:49 Gerecht in eerste aanleg van Bonaire, Sint Eustatius en Saba 29-07-2020
- ECLI:NL:GHARL:2020:2305 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 17-03-2020
- ECLI:NL:GHARL:2019:7800 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 24-09-2019
- ECLI:NL:GHSHE:2019:3174 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 27-08-2019
- ECLI:NL:GHSHE:2019:1694 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 07-05-2019
- ECLI:NL:GHARL:2019:3559 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 23-04-2019
- ECLI:NL:GHARL:2019:2964 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 02-04-2019
- ECLI:NL:GHARL:2019:2009 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 05-03-2019
- ECLI:NL:GHARL:2019:2011 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 05-03-2019
- ECLI:NL:GHARL:2019:2013 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 05-03-2019
- ECLI:NL:GHARL:2019:1023 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 05-02-2019
- ECLI:NL:GHSHE:2019:174 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 22-01-2019
- ECLI:NL:PHR:2019:61 Parket bij de Hoge Raad 11-01-2019
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (11.244 tekens)
30 november 2018
Eerste Kamer
17/05375
EV/AR
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
[eiseres] ,gevestigd te [plaats] , Spanje,
EISERES tot cassatie,
advocaat: mr. D.M. de Knijff,
t e g e n
UNISPHERE HOLDINGS N.V.,gevestigd te Haarlem,
VERWEERSTER in cassatie,
advocaat: mr. J.W. de Jong.
Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als [eiseres] en Unisphere.
1Het geding in feitelijke instanties
Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar:
a. de vonnissen in de zaak C/15/228438 HA ZA 15-440 van de rechtbank Noord-Holland van 26 augustus 2015, 6 april 2016 en 24 februari 2016;
b. het arrest in de zaak 200.191.662/01 van het gerechtshof Amsterdam van 15 augustus 2017.
Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.
2Het geding in cassatie
Tegen het arrest van het hof heeft [eiseres] beroep in cassatie ingesteld. De procesinleiding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Unisphere heeft een verweerschrift tot verwerping ingediend.
De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten.
De conclusie van de Advocaat-Generaal M.H. Wissink strekt tot vernietiging van het bestreden arrest en tot verwijzing.
De advocaat van Unisphere heeft schriftelijk op die conclusie gereageerd.
3Beoordeling van het middel
3.1
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
i) [eiseres] heeft sinds 2008 tot medio 2013 als Spaans advocatenkantoor juridische diensten verleend aan [betrokkene 1] (hierna: [betrokkene 1] ) en de aan hem gelieerde vennootschap [B] B.V. De dienstverlening betrof met name drie in Spanje gevestigde sportscholen, handelend onder de naam ‘Basic Fit’, waarvan de exploitatie is ondergebracht in BF Fitness Investments, S.L. (hierna: BFFI). Alle aandelen van BFFI worden gehouden door BF Fitness Enterprises Spain, S.L., waarvan [betrokkene 1] 75% van de aandelen hield.
ii) Begin 2013 kwam BFFI in financieel zwaar weer en een faillissement dreigde. De declaraties van [eiseres] , van wie met name de advocaat [betrokkene 3] (hierna: [betrokkene 3] ) de hiervoor onder (i) bedoelde juridische diensten verleende, bleven merendeels onbetaald. Medio 2013 is met [betrokkene 4] (hierna: [betrokkene 4] ), (indirect) bestuurder/aandeelhouder van Unisphere en Unisphere Capital N.V., gesproken over overname van de aandelenpositie van [betrokkene 1] . Op 14 augustus 2013 heeft Unisphere het aandelenbelang van 75% van [betrokkene 1] overgenomen.
iii) Bij e-mail van 30 augustus 2013 heeft [betrokkene 3] aan [betrokkene 4] meegedeeld:
“Zoals besproken zullen de declaraties op naam worden gesteld van BF Fitness Investments S.L. en jij en je vennootschappen staan voor de betaling ervan in.”
( iv) [betrokkene 4] heeft aan [betrokkene 3] bij e-mail van 1 oktober 2013 het volgende bericht:
“Wij hebben destijds begrepen dat verkoper in zou staan voor alle rekeningen van [ [eiseres] ] tot aan transactiedatum. In onze berekeningen zijn wij daarom uitgegaan dat de kosten van [ [eiseres] ] na datum overdracht voor onze rekening zouden zijn.”
( v) Tussen 15 oktober 2013 en 8 juni 2015 heeft [eiseres] via e-mails en brieven aan [betrokkene 4] regelmatig opgave gedaan van de openstaande, nog te betalen bedragen vanwege door haar ten behoeve van BFFI verrichte werkzaamheden en gemaakte kosten na 14 augustus 2013. De betalingsachterstand loopt in de verstrekte overzichten in die periode op van € 25.337,77 exclusief btw in november 2013 tot € 125.100,79 inclusief btw in juni 2015.
3.2.1
[eiseres] vordert in dit geding hoofdelijke veroordeling van [betrokkene 4] en Unisphere tot betaling van een hoofdsom van € 125.100,79, te vermeerderen met rente en kosten. [eiseres] heeft aan de vordering ten grondslag gelegd dat [betrokkene 4] en Unisphere zich borg hebben gesteld voor haar onbetaald gebleven declaraties.
3.2.2
De rechtbank heeft de vorderingen van [eiseres] tegen [betrokkene 4] afgewezen en de vorderingen tegen Unisphere toegewezen.
3.2.3
Unisphere is in hoger beroep opgekomen tegen toewijzing van de vordering jegens haar. [eiseres] is niet opgekomen tegen de afwijzing van haar vordering jegens [betrokkene 4] . Het hof heeft het vonnis van de rechtbank vernietigd en de vorderingen van [eiseres] jegens Unisphere alsnog afgewezen.
Het hof heeft daartoe, voor zover in cassatie van belang, het volgende overwogen:
“3.7 Unisphere bestrijdt (…) dat zij zich jegens [eiseres] borg heeft gesteld voor nakoming van de betalingsverplichtingen jegens BFFI. Tussen partijen staat vast dat zij géén borgstellingsovereenkomst schriftelijk hebben vastgelegd. Volgens [eiseres] is de afspraak tot borgstelling van Unisphere mondeling gemaakt in een telefoongesprek dat op 30 augustus 2013 plaatsvond tussen [betrokkene 3] en [betrokkene 4] . Ter terechtzitting in hoger beroep heeft [betrokkene 3] namens [eiseres] desgevraagd over het telefoongesprek van 30 augustus 2013 het volgende verklaard: ‘Ik heb tegen [betrokkene 4] gezegd dat er een hoop werk aan gaat komen en dat als het faillissement van BFFI rond komt, ik niet van plan ben om mijn rekeningen naar een failliete vennootschap te sturen. Ik ga ervan uit dat jij mijn rekeningen zal betalen als BFFI dat niet doet. Toen zei [betrokkene 4] dat het in orde komt en ik mij geen zorgen moet maken.’
3.8
Naar het oordeel van het hof volgt uit (de inhoud van) het telefoongesprek van 30 augustus 2013, zoals dat naar voren komt uit de verklaring van [betrokkene 3] , zonder nadere toelichting, die ontbreekt, niet dat ( [betrokkene 4] als vertegenwoordiger van) Unisphere met [eiseres] borgstellingsafspraken heeft gemaakt.
Uit dit telefoongesprek, mede in aanmerking genomen de onder 3.3 en 3.4 genoemde e-mails [Hoge Raad: de hiervoor in 3.1 onder (iii) en (iv) vermelde e-mails van 30 augustus 2013 en 1 oktober 2013] en de verklaringen van [betrokkene 2] en Vermeeren (…) heeft [eiseres] ook niet het gerechtvaardigd vertrouwen kunnen ontlenen dat Unisphere borg stond voor BFFI. Immers, hieruit is niet concreet af te leiden dat dit vermeende vertrouwen is ontstaan door toedoen van Unisphere. Feiten en omstandigheden die voor risico van Unisphere komen en waaruit naar verkeers-opvattingen zodanige schijn van vertegenwoordigings-bevoegdheid kan worden afgeleid, zijn niet gesteld of gebleken.”
3.3.1
De onderdelen 2.1-2.3 van het middel klagen dat het hof in rov. 3.8 is uitgegaan van een verkeerde maatstaf, dan wel zijn oordeel onvoldoende heeft gemotiveerd. De onderdelen wijzen erop dat het hof in rov 3.2 heeft vastgesteld dat [betrokkene 4] (indirect) bestuurder en aandeelhouder is van Unisphere en dat, gegeven die vaststelling, [betrokkene 4] op grond van art. 2:130 BW vertegenwoordigingsbevoegd is. Dan is niet relevant of door toedoen van Unisphere gerechtvaardigd vertrouwen is ontstaan dat Unisphere borg zou staan of dat blijkt van feiten en omstandigheden die voor haar rekening komen en waaruit naar verkeers-opvattingen zodanige schijn van vertegenwoordigings-bevoegdheid kan worden afgeleid, aldus de klachten.
3.3.2
De klachten slagen. Het hof heeft in rov. 3.8 van belang geacht of sprake is van een aan Unisphere toerekenbare schijn van vertegenwoordigingsbevoegdheid. Het hof heeft echter in rov. 3.2 vastgesteld dat [betrokkene 4] (indirect) bestuurder en aandeelhouder is van Unisphere. Als zodanig is [betrokkene 4] op grond van art. 2:130 BW bevoegd Unisphere te vertegenwoordigen. Omtrent eventuele beperkingen van deze vertegenwoordigingsbevoegdheid heeft het hof niets vastgesteld. Tegen deze achtergrond geeft het oordeel van het hof, indien het ervan uit is gegaan dat [betrokkene 4] niet bevoegd was de vennootschap te vertegenwoordigen, blijk van een onjuiste rechtsopvatting, dan wel is dit oordeel onvoldoende gemotiveerd.
3.3.3
De onderdelen 3.1-3.3 houden in de kern in dat, indien het hof in rov. 3.8 (eerste volzin) heeft geoordeeld dat [betrokkene 4] bij het maken van de borgstellingsafspraken niet heeft gehandeld als bestuurder van Unisphere maar voor zichzelf, het hof heeft miskend dat het bij de beantwoording van de vraag of [betrokkene 4] handelde voor zichzelf of namens Unisphere, aankomt op hetgeen [betrokkene 4] en [betrokkene 3] daaromtrent jegens elkaar hebben verklaard en over en weer uit elkaars gedragingen hebben afgeleid en hebben mogen afleiden.
3.3.4
Ook deze klacht slaagt. Het antwoord op de vraag of [betrokkene 4] bij het maken van borgstellingsafspraken als vertegenwoordiger van Unisphere heeft gehandeld, is afhankelijk van hetgeen [betrokkene 4] en [betrokkene 3] daaromtrent jegens elkaar hebben verklaard en over en weer uit elkaars verklaringen en gedragingen mochten afleiden (HR 11 maart 1977, ECLI:NL:HR:1977:AC1877 (Kribbebijter) en HR 28 november 2014, ECLI:NL:HR:2014:3460). Indien het hof voor zijn oordeel dat [betrokkene 4] niet als vertegenwoordiger van Unisphere met [eiseres] borgstellingsafspraken heeft gemaakt, in rov. 3.8 mede van belang heeft geacht of bij [eiseres] een gerechtvaardigd vertrouwen is gewekt door “feiten en omstandigheden die voor risico van Unisphere komen en waaruit naar verkeersopvattingen zodanige schijn van vertegenwoordigingsbevoegdheid kan worden afgeleid”, heeft het hof hetzij de hiervoor genoemde maatstaf miskend, hetzij onvoldoende inzicht gegeven in zijn gedachtegang.
3.3.5
Indien het hof niet is uitgegaan van de hiervoor in 3.3.2 en 3.3.4 onjuist of onvoldoende gemotiveerd bevonden oordelen, is onduidelijk op welke grond het hof de stellingen van [eiseres] verworpen heeft. In dat geval is zijn oordeel eveneens onvoldoende gemotiveerd.
3.4
Nu de klachten van de onderdelen 2.1-2.3 en 3 slagen, behoeven de overige klachten van het middel geen behandeling.
4Beslissing
De Hoge Raad:
vernietigt het arrest van het gerechtshof Amsterdam van 15 augustus 2017;
verwijst het geding naar het gerechtshof Den Haag ter verdere behandeling en beslissing;
veroordeelt Unisphere in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [eiseres] begroot op € 6.678,82 aan verschotten en € 2.600,-- voor salaris.
Dit arrest is gewezen door de vicepresident C.A. Streefkerk als voorzitter en de raadsheren A.H.T. Heisterkamp, M.V. Polak, C.E. du Perron en H.M. Wattendorff, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer M.V. Polak op 30 november 2018.
Eerste Kamer
17/05375
EV/AR
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
[eiseres] ,gevestigd te [plaats] , Spanje,
EISERES tot cassatie,
advocaat: mr. D.M. de Knijff,
t e g e n
UNISPHERE HOLDINGS N.V.,gevestigd te Haarlem,
VERWEERSTER in cassatie,
advocaat: mr. J.W. de Jong.
Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als [eiseres] en Unisphere.
1Het geding in feitelijke instanties
Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar:
a. de vonnissen in de zaak C/15/228438 HA ZA 15-440 van de rechtbank Noord-Holland van 26 augustus 2015, 6 april 2016 en 24 februari 2016;
b. het arrest in de zaak 200.191.662/01 van het gerechtshof Amsterdam van 15 augustus 2017.
Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.
2Het geding in cassatie
Tegen het arrest van het hof heeft [eiseres] beroep in cassatie ingesteld. De procesinleiding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Unisphere heeft een verweerschrift tot verwerping ingediend.
De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten.
De conclusie van de Advocaat-Generaal M.H. Wissink strekt tot vernietiging van het bestreden arrest en tot verwijzing.
De advocaat van Unisphere heeft schriftelijk op die conclusie gereageerd.
3Beoordeling van het middel
3.1
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
i) [eiseres] heeft sinds 2008 tot medio 2013 als Spaans advocatenkantoor juridische diensten verleend aan [betrokkene 1] (hierna: [betrokkene 1] ) en de aan hem gelieerde vennootschap [B] B.V. De dienstverlening betrof met name drie in Spanje gevestigde sportscholen, handelend onder de naam ‘Basic Fit’, waarvan de exploitatie is ondergebracht in BF Fitness Investments, S.L. (hierna: BFFI). Alle aandelen van BFFI worden gehouden door BF Fitness Enterprises Spain, S.L., waarvan [betrokkene 1] 75% van de aandelen hield.
ii) Begin 2013 kwam BFFI in financieel zwaar weer en een faillissement dreigde. De declaraties van [eiseres] , van wie met name de advocaat [betrokkene 3] (hierna: [betrokkene 3] ) de hiervoor onder (i) bedoelde juridische diensten verleende, bleven merendeels onbetaald. Medio 2013 is met [betrokkene 4] (hierna: [betrokkene 4] ), (indirect) bestuurder/aandeelhouder van Unisphere en Unisphere Capital N.V., gesproken over overname van de aandelenpositie van [betrokkene 1] . Op 14 augustus 2013 heeft Unisphere het aandelenbelang van 75% van [betrokkene 1] overgenomen.
iii) Bij e-mail van 30 augustus 2013 heeft [betrokkene 3] aan [betrokkene 4] meegedeeld:
“Zoals besproken zullen de declaraties op naam worden gesteld van BF Fitness Investments S.L. en jij en je vennootschappen staan voor de betaling ervan in.”
( iv) [betrokkene 4] heeft aan [betrokkene 3] bij e-mail van 1 oktober 2013 het volgende bericht:
“Wij hebben destijds begrepen dat verkoper in zou staan voor alle rekeningen van [ [eiseres] ] tot aan transactiedatum. In onze berekeningen zijn wij daarom uitgegaan dat de kosten van [ [eiseres] ] na datum overdracht voor onze rekening zouden zijn.”
( v) Tussen 15 oktober 2013 en 8 juni 2015 heeft [eiseres] via e-mails en brieven aan [betrokkene 4] regelmatig opgave gedaan van de openstaande, nog te betalen bedragen vanwege door haar ten behoeve van BFFI verrichte werkzaamheden en gemaakte kosten na 14 augustus 2013. De betalingsachterstand loopt in de verstrekte overzichten in die periode op van € 25.337,77 exclusief btw in november 2013 tot € 125.100,79 inclusief btw in juni 2015.
3.2.1
[eiseres] vordert in dit geding hoofdelijke veroordeling van [betrokkene 4] en Unisphere tot betaling van een hoofdsom van € 125.100,79, te vermeerderen met rente en kosten. [eiseres] heeft aan de vordering ten grondslag gelegd dat [betrokkene 4] en Unisphere zich borg hebben gesteld voor haar onbetaald gebleven declaraties.
3.2.2
De rechtbank heeft de vorderingen van [eiseres] tegen [betrokkene 4] afgewezen en de vorderingen tegen Unisphere toegewezen.
3.2.3
Unisphere is in hoger beroep opgekomen tegen toewijzing van de vordering jegens haar. [eiseres] is niet opgekomen tegen de afwijzing van haar vordering jegens [betrokkene 4] . Het hof heeft het vonnis van de rechtbank vernietigd en de vorderingen van [eiseres] jegens Unisphere alsnog afgewezen.
Het hof heeft daartoe, voor zover in cassatie van belang, het volgende overwogen:
“3.7 Unisphere bestrijdt (…) dat zij zich jegens [eiseres] borg heeft gesteld voor nakoming van de betalingsverplichtingen jegens BFFI. Tussen partijen staat vast dat zij géén borgstellingsovereenkomst schriftelijk hebben vastgelegd. Volgens [eiseres] is de afspraak tot borgstelling van Unisphere mondeling gemaakt in een telefoongesprek dat op 30 augustus 2013 plaatsvond tussen [betrokkene 3] en [betrokkene 4] . Ter terechtzitting in hoger beroep heeft [betrokkene 3] namens [eiseres] desgevraagd over het telefoongesprek van 30 augustus 2013 het volgende verklaard: ‘Ik heb tegen [betrokkene 4] gezegd dat er een hoop werk aan gaat komen en dat als het faillissement van BFFI rond komt, ik niet van plan ben om mijn rekeningen naar een failliete vennootschap te sturen. Ik ga ervan uit dat jij mijn rekeningen zal betalen als BFFI dat niet doet. Toen zei [betrokkene 4] dat het in orde komt en ik mij geen zorgen moet maken.’
3.8
Naar het oordeel van het hof volgt uit (de inhoud van) het telefoongesprek van 30 augustus 2013, zoals dat naar voren komt uit de verklaring van [betrokkene 3] , zonder nadere toelichting, die ontbreekt, niet dat ( [betrokkene 4] als vertegenwoordiger van) Unisphere met [eiseres] borgstellingsafspraken heeft gemaakt.
Uit dit telefoongesprek, mede in aanmerking genomen de onder 3.3 en 3.4 genoemde e-mails [Hoge Raad: de hiervoor in 3.1 onder (iii) en (iv) vermelde e-mails van 30 augustus 2013 en 1 oktober 2013] en de verklaringen van [betrokkene 2] en Vermeeren (…) heeft [eiseres] ook niet het gerechtvaardigd vertrouwen kunnen ontlenen dat Unisphere borg stond voor BFFI. Immers, hieruit is niet concreet af te leiden dat dit vermeende vertrouwen is ontstaan door toedoen van Unisphere. Feiten en omstandigheden die voor risico van Unisphere komen en waaruit naar verkeers-opvattingen zodanige schijn van vertegenwoordigings-bevoegdheid kan worden afgeleid, zijn niet gesteld of gebleken.”
3.3.1
De onderdelen 2.1-2.3 van het middel klagen dat het hof in rov. 3.8 is uitgegaan van een verkeerde maatstaf, dan wel zijn oordeel onvoldoende heeft gemotiveerd. De onderdelen wijzen erop dat het hof in rov 3.2 heeft vastgesteld dat [betrokkene 4] (indirect) bestuurder en aandeelhouder is van Unisphere en dat, gegeven die vaststelling, [betrokkene 4] op grond van art. 2:130 BW vertegenwoordigingsbevoegd is. Dan is niet relevant of door toedoen van Unisphere gerechtvaardigd vertrouwen is ontstaan dat Unisphere borg zou staan of dat blijkt van feiten en omstandigheden die voor haar rekening komen en waaruit naar verkeers-opvattingen zodanige schijn van vertegenwoordigings-bevoegdheid kan worden afgeleid, aldus de klachten.
3.3.2
De klachten slagen. Het hof heeft in rov. 3.8 van belang geacht of sprake is van een aan Unisphere toerekenbare schijn van vertegenwoordigingsbevoegdheid. Het hof heeft echter in rov. 3.2 vastgesteld dat [betrokkene 4] (indirect) bestuurder en aandeelhouder is van Unisphere. Als zodanig is [betrokkene 4] op grond van art. 2:130 BW bevoegd Unisphere te vertegenwoordigen. Omtrent eventuele beperkingen van deze vertegenwoordigingsbevoegdheid heeft het hof niets vastgesteld. Tegen deze achtergrond geeft het oordeel van het hof, indien het ervan uit is gegaan dat [betrokkene 4] niet bevoegd was de vennootschap te vertegenwoordigen, blijk van een onjuiste rechtsopvatting, dan wel is dit oordeel onvoldoende gemotiveerd.
3.3.3
De onderdelen 3.1-3.3 houden in de kern in dat, indien het hof in rov. 3.8 (eerste volzin) heeft geoordeeld dat [betrokkene 4] bij het maken van de borgstellingsafspraken niet heeft gehandeld als bestuurder van Unisphere maar voor zichzelf, het hof heeft miskend dat het bij de beantwoording van de vraag of [betrokkene 4] handelde voor zichzelf of namens Unisphere, aankomt op hetgeen [betrokkene 4] en [betrokkene 3] daaromtrent jegens elkaar hebben verklaard en over en weer uit elkaars gedragingen hebben afgeleid en hebben mogen afleiden.
3.3.4
Ook deze klacht slaagt. Het antwoord op de vraag of [betrokkene 4] bij het maken van borgstellingsafspraken als vertegenwoordiger van Unisphere heeft gehandeld, is afhankelijk van hetgeen [betrokkene 4] en [betrokkene 3] daaromtrent jegens elkaar hebben verklaard en over en weer uit elkaars verklaringen en gedragingen mochten afleiden (HR 11 maart 1977, ECLI:NL:HR:1977:AC1877 (Kribbebijter) en HR 28 november 2014, ECLI:NL:HR:2014:3460). Indien het hof voor zijn oordeel dat [betrokkene 4] niet als vertegenwoordiger van Unisphere met [eiseres] borgstellingsafspraken heeft gemaakt, in rov. 3.8 mede van belang heeft geacht of bij [eiseres] een gerechtvaardigd vertrouwen is gewekt door “feiten en omstandigheden die voor risico van Unisphere komen en waaruit naar verkeersopvattingen zodanige schijn van vertegenwoordigingsbevoegdheid kan worden afgeleid”, heeft het hof hetzij de hiervoor genoemde maatstaf miskend, hetzij onvoldoende inzicht gegeven in zijn gedachtegang.
3.3.5
Indien het hof niet is uitgegaan van de hiervoor in 3.3.2 en 3.3.4 onjuist of onvoldoende gemotiveerd bevonden oordelen, is onduidelijk op welke grond het hof de stellingen van [eiseres] verworpen heeft. In dat geval is zijn oordeel eveneens onvoldoende gemotiveerd.
3.4
Nu de klachten van de onderdelen 2.1-2.3 en 3 slagen, behoeven de overige klachten van het middel geen behandeling.
4Beslissing
De Hoge Raad:
vernietigt het arrest van het gerechtshof Amsterdam van 15 augustus 2017;
verwijst het geding naar het gerechtshof Den Haag ter verdere behandeling en beslissing;
veroordeelt Unisphere in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [eiseres] begroot op € 6.678,82 aan verschotten en € 2.600,-- voor salaris.
Dit arrest is gewezen door de vicepresident C.A. Streefkerk als voorzitter en de raadsheren A.H.T. Heisterkamp, M.V. Polak, C.E. du Perron en H.M. Wattendorff, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer M.V. Polak op 30 november 2018.