Hoge Raad
ECLI:NL:HR:2018:1830
Formele procesketen
- conclusie ECLI:NL:HR:2018:1830 → ECLI:NL:PHR:2018:825
Inhoudsindicatie
Beroep op afwezigheid van alle schuld wegens verontschuldigbare dwaling t.a.v. de wederrechtelijkheid van het opzettelijk telen van hennep. CAG: het Hof heeft met zijn oordeel tot uitdrukking gebracht dat, omdat de rechter elke zaak - en ook een daarin gedaan beroep op verontschuldigbare rechtsdwaling - dient te beoordelen op basis van de concrete omstandigheden van het geval, verdachte er niet op mocht vertrouwen dat - waar hij eenmaal was ontslagen van alle rechtsvervolging ter zake van een drugsdelict omdat hij volgens de rechter in die zaak onder de uitzonderingsgevallen als bedoeld in art. 3a Opiumwet viel - hij ook daarna onder alle omstandigheden onder die uitzonderingsgevallen zou vallen en derhalve legaal hennep mocht telen. HR: art. 81.1 RO. Samenhang met 17/02754.
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (1.426 tekens)
Strafkamer
nr. S 17/02751
AKA
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, van 30 januari 2017, nummer 21/001921-15, in de strafzaak tegen:
[verdachte]
, geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1959.
1Geding in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft B.J. Tieman, advocaat te Utrecht, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal A.E. Harteveld heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
2Beoordeling van het middel
Het middel kan niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81, eerste lid, RO, geen nadere motivering nu het middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
3Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J. de Hullu als voorzitter, en de raadsheren A.J.A. van Dorst en M.J. Borgers, in bijzijn van de griffier S.P. Bakker, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 9 oktober 2018.