Hoge Raad
ECLI:NL:HR:2018:1819
Formele procesketen
- conclusie ECLI:NL:HR:2018:1819 → ECLI:NL:PHR:2018:712
Inhoudsindicatie
Medeplegen handel in cocaïne (meermalen gepleegd), art. 2.B Opiumwet. VI en duur vrijheidsbeneming in relatie tot gedeeltelijk voorwaardelijke gevangenisstraf. Leidt VI regeling van art. 15 e.v. Sr ertoe dat oplegging van gedeeltelijk voorwaardelijke gevangenisstraf langere vrijheidsbeneming met zich brengt dan oplegging van geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf? Hof heeft in strafmotivering overwogen dat in beginsel een gevangenisstraf van 24 maanden passend en geboden zou zijn maar dat vanwege overschrijding van redelijke termijn een gevangenisstraf van 22 maanden zal worden opgelegd en vervolgens een gevangenisstraf van 22 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren, opgelegd. HR: art. 81.1 RO. CAG: Verdachte zit in beginsel korter vast indien hem een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf van 22 maanden wordt opgelegd (met toepassing van VI regeling), dan wanneer deze straf ook een voorwaardelijke component van 6 maanden omvat (zonder toepassing VI regeling). Daarbij verdient opmerking dat VI regeling niet inhoudt dat verdachte in alle gevallen voorwaardelijk in vrijheid wordt gesteld (art. 15d Sr). Geen innerlijke tegenstrijdigheid tussen strafmotivering en dictum, omdat aankondiging van vermindering van gevangenisstraf vanwege overschrijding van redelijke termijn nog niet uitsluit dat vervolgens o.g.v. andere overwegingen daarvan een deel voorwaardelijk wordt opgelegd. De voor het achterwege laten van een voorwaardelijk deel van de sanctie aangevoerde feiten en omstandigheden zijn door Hof kennelijk en niet onbegrijpelijk te licht bevonden.
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (1)
- ECLI:NL:PHR:2019:989 Parket bij de Hoge Raad 08-10-2019
Volledige tekst
Volledige tekst (1.485 tekens)
Strafkamer
nr. S 17/01171
IF/AJ
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Den Haag van 7 februari 2017, nummer 22/001296-13, in de strafzaak tegen:
[verdachte]
, geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1983.
1Geding in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben R.J. Baumgardt en P. van Dongen, beiden advocaat te Rotterdam, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De plaatsvervangend Advocaat-Generaal D.J.M.W. Paridaens heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
2Beoordeling van het middel
Het middel kan niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81, eerste lid, RO, geen nadere motivering nu het middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
3Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J. de Hullu als voorzitter, en de raadsheren E.S.G.N.A.I. van de Griend en M.J. Borgers, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 2 oktober 2018.