Hoge Raad
ECLI:NL:HR:2018:1807
2018-09-28
Bestuursrecht; Belastingrecht
18/01388
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Formele procesketen
- cassatie ECLI:NL:HR:2018:1807 → ECLI:NL:GHDHA:2018:396
Inhoudsindicatie
HR: 81.1 RO.
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (1)
- ECLI:NL:GHDHA:2022:1738 Gerechtshof Den Haag 25-08-2022
Volledige tekst
Volledige tekst (1.721 tekens)
28 september 2018
Nr. 18/01388
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van de erfgenamen van [A], gewoond hebbende te [Q], (hierna: belanghebbenden) tegen de uitspraak van het Gerechtshof Den Haag van 20 februari 2018, nr. BK‑17/00765, op het hoger beroep van belanghebbenden tegen een uitspraak van de Rechtbank Den Haag (nr. SGR 17/263) betreffende een ingehouden bedrag aan loonheffing en inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet.
1Geding in cassatie
Belanghebbenden hebben tegen ’s Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld en daarbij een aantal klachten aangevoerd.
De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend. Nu deze conclusie bij de Hoge Raad na afloop van de daartoe gestelde termijn is ingediend, slaat de Hoge Raad op dit stuk geen acht.
2Beoordeling van de klachten
De klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
3Proceskosten
De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.
4Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de raadsheer M.A. Fierstra als voorzitter, en de raadsheren A.F.M.Q. Beukers-van Dooren en P.A.G.M. Cools, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 28 september 2018.
Nr. 18/01388
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van de erfgenamen van [A], gewoond hebbende te [Q], (hierna: belanghebbenden) tegen de uitspraak van het Gerechtshof Den Haag van 20 februari 2018, nr. BK‑17/00765, op het hoger beroep van belanghebbenden tegen een uitspraak van de Rechtbank Den Haag (nr. SGR 17/263) betreffende een ingehouden bedrag aan loonheffing en inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet.
1Geding in cassatie
Belanghebbenden hebben tegen ’s Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld en daarbij een aantal klachten aangevoerd.
De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend. Nu deze conclusie bij de Hoge Raad na afloop van de daartoe gestelde termijn is ingediend, slaat de Hoge Raad op dit stuk geen acht.
2Beoordeling van de klachten
De klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
3Proceskosten
De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.
4Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de raadsheer M.A. Fierstra als voorzitter, en de raadsheren A.F.M.Q. Beukers-van Dooren en P.A.G.M. Cools, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 28 september 2018.