Hoge Raad
ECLI:NL:HR:2018:1319
2018-08-17
Bestuursrecht; Belastingrecht
17/00879
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Formele procesketen
- cassatie ECLI:NL:HR:2018:1319 → ECLI:NL:GHARL:2017:310 (Gedeeltelijke) vernietiging met verwijzen
- conclusie ECLI:NL:HR:2018:1319 → ECLI:NL:PHR:2017:1040 gevolgd
Inhoudsindicatie
Inkomstenbelasting. Art. 8:42, lid 1, Awb. De omstandigheid dat belanghebbende zelf beschikt over (een afschrift van) een stuk dat van belang kan zijn voor de besluitvorming in een zaak, brengt niet mee dat de inspecteur niet is gehouden (een afschrift van) dat stuk als een op de zaak betrekking hebbend stuk over te leggen. Die omstandigheid kan wel belang zijn voor de beantwoording van de vraag welke gevolgtrekking de rechter maakt indien de inspecteur dat stuk niet overlegt.
Citeert (3)
- ECLI:NL:PHR:2017:1040 Parket bij de Hoge Raad 25-09-2017
- ECLI:NL:HR:2018:672 Hoge Raad 04-05-2018
- ECLI:NL:HR:2009:BH6420 Hoge Raad 20-03-2009
Geciteerd door (26)
- ECLI:NL:RBZWB:2026:5556 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 22-06-2026
- ECLI:NL:PHR:2026:411 Parket bij de Hoge Raad 17-04-2026
- ECLI:NL:PHR:2026:421 Parket bij de Hoge Raad 17-04-2026
- ECLI:NL:GHDHA:2025:2403 Gerechtshof Den Haag 29-10-2025
- ECLI:NL:RBDHA:2025:18964 Rechtbank Den Haag 15-10-2025
- ECLI:NL:GHAMS:2025:1156 Gerechtshof Amsterdam 11-02-2025
- ECLI:NL:GHDHA:2024:1506 Gerechtshof Den Haag 28-08-2024
- ECLI:NL:HR:2024:567 Hoge Raad 31-05-2024
- ECLI:NL:PHR:2023:934 Parket bij de Hoge Raad 10-11-2023
- ECLI:NL:PHR:2023:1064 Parket bij de Hoge Raad 10-11-2023
- ECLI:NL:PHR:2023:1004 Parket bij de Hoge Raad 10-11-2023
- ECLI:NL:RBNHO:2023:1411 Rechtbank Noord-Holland 07-02-2023
- ECLI:NL:GHARL:2022:8231 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 27-09-2022
- ECLI:NL:RBNNE:2022:1426 Rechtbank Noord-Nederland 03-05-2022
- ECLI:NL:GHAMS:2022:1290 Gerechtshof Amsterdam 05-04-2022
- ECLI:NL:GHAMS:2022:1291 Gerechtshof Amsterdam 05-04-2022
- ECLI:NL:GHDHA:2022:490 Gerechtshof Den Haag 22-03-2022
- ECLI:NL:GHSHE:2021:3896 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 30-12-2021
- ECLI:NL:RBNHO:2021:11557 Rechtbank Noord-Holland 07-12-2021
- ECLI:NL:GHARL:2020:9074 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 03-11-2020
- ECLI:NL:GHSHE:2020:2353 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 23-07-2020
- ECLI:NL:GHSHE:2019:3628 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 03-10-2019
- ECLI:NL:PHR:2018:1291 Parket bij de Hoge Raad 15-11-2018
- ECLI:NL:PHR:2018:1292 Parket bij de Hoge Raad 15-11-2018
- ECLI:NL:GHSHE:2018:4235 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 11-10-2018
- ECLI:NL:HR:2018:1850 Hoge Raad 05-10-2018
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (6.287 tekens)
17 augustus 2018
nr. 17/00879
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van [X], domicilie gekozen hebbende te [Z] (hierna: belanghebbende), tegen de uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 17 januari 2017, nr. 16/00695, op het hoger beroep van belanghebbende en het incidentele hoger beroep van de Inspecteur tegen een uitspraak van de Rechtbank Gelderland (nrs. AWB 15/5799 en AWB 16/2678) betreffende de aan belanghebbende voor het jaar 2010 opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen, de daarbij gegeven boetebeschikking en de daarbij gegeven beschikking inzake heffingsrente. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
1Geding in cassatie
Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.
De Advocaat-Generaal R.L.H. IJzerman heeft op 25 september 2017 geconcludeerd tot gegrondverklaring van het beroep in cassatie (ECLI:NL:PHR:2017:1040).
2Beoordeling van de middelen
2.1.1.
Voor het Hof was onder meer in geschil de waarde van een aantal onroerende zaken. Die waarde was van belang voor de vaststelling van de hoogte van het door belanghebbende in het onderhavige jaar (2010) genoten belastbare inkomen uit sparen en beleggen. Met het oog op dit geschilpunt heeft belanghebbende met een beroep op artikel 8:42, lid 1, Awb verzocht om overlegging van de taxatiedossiers die ten grondslag liggen aan de taxatierapporten die de Inspecteur in het geding heeft gebracht ter onderbouwing van de door hem verdedigde waarde van de hiervoor genoemde onroerende zaken (hierna: de taxatiedossiers). Om dezelfde reden heeft belanghebbende verzocht om overlegging van schermprints van de WOZ-beschikkingen voor die onroerende zaken (hierna: de WOZ-beschikkingen).
2.1.2.
Het Hof heeft geoordeeld dat de Inspecteur niet is gehouden de taxatiedossiers en schermprints van de WOZ-beschikkingen over te leggen. Wat betreft de taxatiedossiers heeft het Hof daarvoor redengevend geacht dat zij de Inspecteur bij het vaststellen van de aanslag en bij het doen van de uitspraak op bezwaar niet ter beschikking hebben gestaan en derhalve geen rol hebben gespeeld bij zijn besluitvorming. Wat betreft de schermprints van de WOZ-beschikkingen heeft het Hof voor dat oordeel redengevend geacht dat belanghebbende als eigenaar van de panden zelf beschikt over deze WOZ-beschikkingen en derhalve zelf in staat is de door de Inspecteur gehanteerde waarden te controleren.
2.2.
Middel 1, dat zich richt tegen het hiervoor in 2.1.2 weergegeven oordeel van het Hof, slaagt.
Blijkens de uitspraak van het Hof heeft de Inspecteur in de beroepsfase de beschikking gekregen over de taxatiedossiers. Zij konden, naar belanghebbende voor het Hof gemotiveerd heeft gesteld, van belang zijn voor de beoordeling van het hiervoor in 2.1.1 genoemde geschilpunt. De taxatiedossiers behoren daarmee tot de op de zaak betrekking hebbende stukken die de Inspecteur op de voet van artikel 8:42, lid 1, Awb dient over te leggen (zie HR 4 mei 2018, nr. 16/04237, ECLI:NL:HR:2018:672, rechtsoverwegingen 3.4.1 en 3.4.2, onder ii)). Het hiervoor in 2.1.2 weergegeven oordeel van het Hof berust in zoverre op een onjuiste rechtsopvatting.
Ook wat betreft de schermprints van de WOZ-beschikkingen berust ’s Hofs oordeel op een onjuiste rechtsopvatting. De omstandigheid dat belanghebbende zelf beschikt over (een afschrift van) een stuk dat van belang kan zijn voor de besluitvorming in een zaak, brengt niet mee dat de inspecteur is ontslagen van de verplichting (een afschrift van) dat stuk als een op de zaak betrekking hebbend stuk over te leggen (vgl. HR 20 maart 2009, nr. 42232, ECLI:NL:HR:2009:BH6420, BNB 2009/132). Opmerking verdient dat de omstandigheid dat de belanghebbende zelf beschikt over (een afschrift van) dat stuk wel van belang kan zijn bij de beantwoording van de vraag welke gevolgtrekking de rechter maakt indien de inspecteur dat stuk niet overlegt.
2.3.
De middelen 3 en 4 kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu die middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
2.4.
Gelet op het hiervoor in 2.2 overwogene kan de uitspraak van het Hof niet in stand blijven. Middel 2 behoeft geen behandeling. Verwijzing moet volgen voor een nieuw onderzoek naar de hoogte van het belastbare inkomen uit sparen en beleggen en – in dat verband – voor een nieuwe beoordeling van het beroep van belanghebbende op artikel 8:42, lid 1, Awb.
3Proceskosten
De Staatssecretaris zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie. Door het verwijzingshof zal worden beoordeeld of aan belanghebbende voor de kosten van het principale hoger beroep een vergoeding dient te worden toegekend.
4Beslissing
De Hoge Raad:
verklaart het beroep in cassatie gegrond,
vernietigt de uitspraak van het Hof, behoudens de beslissing omtrent de proceskosten in het incidentele hoger beroep,
verwijst het geding naar het Gerechtshof ’s‑Hertogenbosch ter verdere behandeling en beslissing van de zaak met inachtneming van dit arrest,
gelast dat de Staatssecretaris van Financiën aan belanghebbende vergoedt het door deze ter zake van de behandeling van het beroep in cassatie betaalde griffierecht ten bedrage van € 124, en
veroordeelt de Staatssecretaris van Financiën in de kosten van het geding in cassatie aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 1503 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Dit arrest is gewezen door de vice-president R.J. Koopman als voorzitter, en de raadsheren P.M.F. van Loon, M.E. van Hilten, E.F. Faase en A.F.M.Q. Beukers-van Dooren, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 17 augustus 2018.
nr. 17/00879
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van [X], domicilie gekozen hebbende te [Z] (hierna: belanghebbende), tegen de uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 17 januari 2017, nr. 16/00695, op het hoger beroep van belanghebbende en het incidentele hoger beroep van de Inspecteur tegen een uitspraak van de Rechtbank Gelderland (nrs. AWB 15/5799 en AWB 16/2678) betreffende de aan belanghebbende voor het jaar 2010 opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen, de daarbij gegeven boetebeschikking en de daarbij gegeven beschikking inzake heffingsrente. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
1Geding in cassatie
Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.
De Advocaat-Generaal R.L.H. IJzerman heeft op 25 september 2017 geconcludeerd tot gegrondverklaring van het beroep in cassatie (ECLI:NL:PHR:2017:1040).
2Beoordeling van de middelen
2.1.1.
Voor het Hof was onder meer in geschil de waarde van een aantal onroerende zaken. Die waarde was van belang voor de vaststelling van de hoogte van het door belanghebbende in het onderhavige jaar (2010) genoten belastbare inkomen uit sparen en beleggen. Met het oog op dit geschilpunt heeft belanghebbende met een beroep op artikel 8:42, lid 1, Awb verzocht om overlegging van de taxatiedossiers die ten grondslag liggen aan de taxatierapporten die de Inspecteur in het geding heeft gebracht ter onderbouwing van de door hem verdedigde waarde van de hiervoor genoemde onroerende zaken (hierna: de taxatiedossiers). Om dezelfde reden heeft belanghebbende verzocht om overlegging van schermprints van de WOZ-beschikkingen voor die onroerende zaken (hierna: de WOZ-beschikkingen).
2.1.2.
Het Hof heeft geoordeeld dat de Inspecteur niet is gehouden de taxatiedossiers en schermprints van de WOZ-beschikkingen over te leggen. Wat betreft de taxatiedossiers heeft het Hof daarvoor redengevend geacht dat zij de Inspecteur bij het vaststellen van de aanslag en bij het doen van de uitspraak op bezwaar niet ter beschikking hebben gestaan en derhalve geen rol hebben gespeeld bij zijn besluitvorming. Wat betreft de schermprints van de WOZ-beschikkingen heeft het Hof voor dat oordeel redengevend geacht dat belanghebbende als eigenaar van de panden zelf beschikt over deze WOZ-beschikkingen en derhalve zelf in staat is de door de Inspecteur gehanteerde waarden te controleren.
2.2.
Middel 1, dat zich richt tegen het hiervoor in 2.1.2 weergegeven oordeel van het Hof, slaagt.
Blijkens de uitspraak van het Hof heeft de Inspecteur in de beroepsfase de beschikking gekregen over de taxatiedossiers. Zij konden, naar belanghebbende voor het Hof gemotiveerd heeft gesteld, van belang zijn voor de beoordeling van het hiervoor in 2.1.1 genoemde geschilpunt. De taxatiedossiers behoren daarmee tot de op de zaak betrekking hebbende stukken die de Inspecteur op de voet van artikel 8:42, lid 1, Awb dient over te leggen (zie HR 4 mei 2018, nr. 16/04237, ECLI:NL:HR:2018:672, rechtsoverwegingen 3.4.1 en 3.4.2, onder ii)). Het hiervoor in 2.1.2 weergegeven oordeel van het Hof berust in zoverre op een onjuiste rechtsopvatting.
Ook wat betreft de schermprints van de WOZ-beschikkingen berust ’s Hofs oordeel op een onjuiste rechtsopvatting. De omstandigheid dat belanghebbende zelf beschikt over (een afschrift van) een stuk dat van belang kan zijn voor de besluitvorming in een zaak, brengt niet mee dat de inspecteur is ontslagen van de verplichting (een afschrift van) dat stuk als een op de zaak betrekking hebbend stuk over te leggen (vgl. HR 20 maart 2009, nr. 42232, ECLI:NL:HR:2009:BH6420, BNB 2009/132). Opmerking verdient dat de omstandigheid dat de belanghebbende zelf beschikt over (een afschrift van) dat stuk wel van belang kan zijn bij de beantwoording van de vraag welke gevolgtrekking de rechter maakt indien de inspecteur dat stuk niet overlegt.
2.3.
De middelen 3 en 4 kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu die middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
2.4.
Gelet op het hiervoor in 2.2 overwogene kan de uitspraak van het Hof niet in stand blijven. Middel 2 behoeft geen behandeling. Verwijzing moet volgen voor een nieuw onderzoek naar de hoogte van het belastbare inkomen uit sparen en beleggen en – in dat verband – voor een nieuwe beoordeling van het beroep van belanghebbende op artikel 8:42, lid 1, Awb.
3Proceskosten
De Staatssecretaris zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie. Door het verwijzingshof zal worden beoordeeld of aan belanghebbende voor de kosten van het principale hoger beroep een vergoeding dient te worden toegekend.
4Beslissing
De Hoge Raad:
verklaart het beroep in cassatie gegrond,
vernietigt de uitspraak van het Hof, behoudens de beslissing omtrent de proceskosten in het incidentele hoger beroep,
verwijst het geding naar het Gerechtshof ’s‑Hertogenbosch ter verdere behandeling en beslissing van de zaak met inachtneming van dit arrest,
gelast dat de Staatssecretaris van Financiën aan belanghebbende vergoedt het door deze ter zake van de behandeling van het beroep in cassatie betaalde griffierecht ten bedrage van € 124, en
veroordeelt de Staatssecretaris van Financiën in de kosten van het geding in cassatie aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 1503 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Dit arrest is gewezen door de vice-president R.J. Koopman als voorzitter, en de raadsheren P.M.F. van Loon, M.E. van Hilten, E.F. Faase en A.F.M.Q. Beukers-van Dooren, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 17 augustus 2018.