Hoge Raad
ECLI:NL:HR:2018:1083
Inhoudsindicatie
Beklag, beslag ex art. 94 Sv op onroerende zaken en geldbedrag. Herstelbeschikking HR. In beschikking ECLI:NL:HR:2017:3065 is abusievelijk vermeld dat Rb het door klagers ingediende klaagschrift gegrond heeft verklaard v.zv. het "strekt tot teruggave van de onder A B.V. op de voet van art. 94 Sv inbeslaggenomen onroerende zaken en het banktegoed". Gelet op het in de beschikking van HR vermelde procesverloop en de inhoud van de overwegingen van Rb is hier sprake van een kennelijke vergissing en dient voornoemde zinsnede als volgt te worden gelezen dat het klaagschrift gegrond is verklaard v.zv. het "strekt tot teruggave van de onder A B.V. op de voet van art. 94 Sv inbeslaggenomen onroerende zaken en van het onder B B.V. op de voet van art. 94 Sv gelegde beslag op een geldbedrag". HR bepaalt hoe beschikking ECLI:NL:HR:2017:3065 moet worden gelezen.
Citeert (1)
- ECLI:NL:HR:2017:3065 Hoge Raad 05-12-2017
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (3.095 tekens)
Strafkamer
nr. S 16/05968 B
SK
Hoge Raad der Nederlanden
Beschikking
op het beroep in cassatie tegen een beschikking van de Rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats 's-Hertogenbosch, van 27 oktober 2016, nummers RK 16/2039, RK 16/2040 en RK 16/2041, op een klaagschrift als bedoeld in art. 552a Sv, ingediend door:
[klaagster 1]
, gevestigd te [vestigingsplaats],
[klaagster 2]
, gevestigd te [vestigingsplaats], en
[klager 3]
, geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1970.
1. Procesgang in cassatie
1.1. De Hoge Raad heeft in deze zaak bij beschikking van 5 december 2017, ECLI:NL:HR:2017:3065 de bestreden beschikking - voor zover aan zijn oordeel onderworpen - vernietigd, maar uitsluitend wat betreft de op de voet van art. 94 Sv onder [klaagster 1] gelegde beslagen op de onroerende zaken aan de [a-straat 1], [2] en [3] te [plaats] en op een geldbedrag van € 1.627,90, met verwerping van het beroep voor het overige.
1.2. In de beschikking van de Hoge Raad is abusievelijk onder 4.2 vermeld dat de Rechtbank het door klagers ingediende klaagschrift gegrond heeft verklaard voor zover het "strekt tot teruggave van de onder [klaagster 1] op de voet van art. 94 Sv inbeslaggenomen onroerende zaken en het banktegoed". Gelet op het onder 2 van de beschikking van de Hoge Raad vermelde procesverloop en de inhoud van de onder 4.2 weergegeven overwegingen van de Rechtbank is hier sprake van een kennelijke vergissing en dient de eerste volzin in rov. 4.2 als volgt te worden gelezen dat het klaagschrift gegrond is verklaard voor zover het "strekt tot teruggave van de onder [klaagster 1] op de voet van art. 94 Sv inbeslaggenomen onroerende zaken en van het onder [klaagster 2] op de voet van art. 94 Sv gelegde beslag op een geldbedrag".
Hieruit volgt dat de beslissing van de onder 1.1 genoemde beschikking van de Hoge Raad als volgt dient te worden gelezen:
"De Hoge Raad:
vernietigt de bestreden beschikking - voor zover aan zijn oordeel onderworpen -, maar uitsluitend wat betreft de op de voet van art. 94 Sv onder [klaagster 1] gelegde beslagen op de onroerende zaken aan de [a-straat 1], [2] en [3] te [plaats] en het op de voet van art. 94 Sv onder [klaagster 2] gelegde beslag op een geldbedrag van € 67.744,28;
wijst de zaak terug naar de Rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats 's-Hertogenbosch, opdat de zaak in zoverre op het bestaande klaagschrift opnieuw wordt behandeld en afgedaan;
verwerpt het beroep voor het overige."
2. Beslissing
De Hoge Raad:
bepaalt dat de in deze zaak op 5 december 2017 gegeven beschikking moet worden gelezen met inachtneming van de hiervoor vermelde verbeteringen.
Deze beschikking is gegeven door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsherenY. Buruma en A.L.J. van Strien, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 10 juli 2018.