Hoge Raad
ECLI:NL:HR:2017:2875
2017-11-17
Bestuursrecht; Belastingrecht
16/05257
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Art. 8:73 Awb (art. 8:88 e.v. Awb). Immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn (mede) in de procedure na heropening voor het vaststellen van de schadevergoeding. Matiging indien aantal belanghebbenden samen een procedure voert over zaken die in hoofdzaak hetzelfde onderwerp hebben.
Citeert (1)
- ECLI:NL:HR:2016:252 Hoge Raad 19-02-2016
Geciteerd door (56)
- ECLI:NL:RBDHA:2025:22443 Rechtbank Den Haag 13-11-2025
- ECLI:NL:RBDHA:2025:22440 Rechtbank Den Haag 13-11-2025
- ECLI:NL:RBDHA:2025:22439 Rechtbank Den Haag 13-11-2025
- ECLI:NL:RBDHA:2025:22445 Rechtbank Den Haag 13-11-2025
- ECLI:NL:GHSHE:2025:2372 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 03-09-2025
- ECLI:NL:GHSHE:2025:2371 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 03-09-2025
- ECLI:NL:RBZWB:2024:6653 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 01-10-2024
- ECLI:NL:RBZWB:2024:2143 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 03-04-2024
- ECLI:NL:RBZWB:2024:2144 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 03-04-2024
- ECLI:NL:RBZWB:2024:2145 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 03-04-2024
- ECLI:NL:GHARL:2024:2178 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 26-03-2024
- ECLI:NL:GHARL:2024:2176 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 26-03-2024
- ECLI:NL:GHARL:2024:2175 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 26-03-2024
- ECLI:NL:GHARL:2024:2177 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 26-03-2024
- ECLI:NL:HR:2023:1368 Hoge Raad 06-10-2023
- ECLI:NL:HR:2023:1369 Hoge Raad 06-10-2023
- ECLI:NL:OGEAC:2023:327 Gerecht in eerste aanleg van Curaçao 04-08-2023
- ECLI:NL:GHSHE:2023:2203 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 05-07-2023
- ECLI:NL:GHSHE:2023:2204 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 05-07-2023
- ECLI:NL:GHAMS:2023:810 Gerechtshof Amsterdam 21-03-2023
- ECLI:NL:GHAMS:2023:809 Gerechtshof Amsterdam 21-03-2023
- ECLI:NL:OGEAC:2023:53 Gerecht in eerste aanleg van Curaçao 16-03-2023
- ECLI:NL:OGEAC:2023:54 Gerecht in eerste aanleg van Curaçao 16-03-2023
- ECLI:NL:RBNHO:2023:3857 Rechtbank Noord-Holland 15-03-2023
- ECLI:NL:RBNHO:2023:3855 Rechtbank Noord-Holland 15-03-2023
- ECLI:NL:GHAMS:2022:3424 Gerechtshof Amsterdam 29-11-2022
- ECLI:NL:GHAMS:2022:3423 Gerechtshof Amsterdam 29-11-2022
- ECLI:NL:GHSHE:2022:2262 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 01-06-2022
- ECLI:NL:GHSHE:2022:2238 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 01-06-2022
- ECLI:NL:RBZWB:2022:2325 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 28-04-2022
- ECLI:NL:RBZWB:2022:2272 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 26-04-2022
- ECLI:NL:RBZWB:2022:2273 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 26-04-2022
- ECLI:NL:RBZWB:2021:6220 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 19-11-2021
- ECLI:NL:RBZWB:2021:6221 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 19-11-2021
- ECLI:NL:RBZWB:2021:6222 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 19-11-2021
- ECLI:NL:RBNHO:2021:7482 Rechtbank Noord-Holland 31-08-2021
- ECLI:NL:RBNHO:2021:5127 Rechtbank Noord-Holland 04-06-2021
- ECLI:NL:RBNHO:2021:5126 Rechtbank Noord-Holland 04-06-2021
- ECLI:NL:RBZWB:2021:3291 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 14-05-2021
- ECLI:NL:RBZWB:2021:3295 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 14-05-2021
- ECLI:NL:OGEAC:2021:65 Gerecht in eerste aanleg van Curaçao 31-03-2021
- ECLI:NL:OGEAC:2021:69 Gerecht in eerste aanleg van Curaçao 31-03-2021
- ECLI:NL:OGEAC:2021:65 Gerecht in eerste aanleg van Curaçao 31-03-2021
- ECLI:NL:RBZWB:2019:1918 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 26-04-2019
- ECLI:NL:RBNHO:2019:1023 Rechtbank Noord-Holland 11-02-2019
- ECLI:NL:RBNHO:2019:1024 Rechtbank Noord-Holland 11-02-2019
- ECLI:NL:HR:2018:2123 Hoge Raad 16-11-2018
- ECLI:NL:HR:2018:2119 Hoge Raad 16-11-2018
- ECLI:NL:HR:2018:2126 Hoge Raad 16-11-2018
- ECLI:NL:GHARL:2018:3813 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 24-04-2018
- ECLI:NL:GHARL:2018:1167 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 06-02-2018
- ECLI:NL:GHARL:2018:110 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 03-01-2018
- ECLI:NL:GHARL:2018:111 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 03-01-2018
- ECLI:NL:GHARL:2018:112 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 03-01-2018
- ECLI:NL:GHARL:2018:142 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 03-01-2018
- ECLI:NL:RBZWB:2017:7894 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 04-12-2017
Volledige tekst
Volledige tekst (15.007 tekens)
17 november 2017
nr. 16/05257
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van [X1] B.V. en [X2] B.V., beide te [Z] (hierna tezamen: belanghebbenden) tegen de nadere uitspraak van het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 29 september 2016, nrs. 11/00046bis tot en met 11/00048bis en 11/00104bis tot en met 11/00106bis, op het hoger beroep van elk van beide tegen uitspraken van de Rechtbank Breda (nrs. AWB 09/2461, 09/2593, 09/2761, 06/4162, 06/5378 en 06/5377) betreffende de verzoeken van belanghebbenden om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
1Geding in cassatie
Belanghebbenden hebben tegen ’s Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staatssecretaris van Financiën alsmede de Minister van Veiligheid en Justitie heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbenden hebben een conclusie van repliek ingediend.
De Minister van Veiligheid en Justitie heeft een conclusie van dupliek ingediend.
2Uitgangspunten in cassatie
2.1.1.
Aan [X1] B.V. (hierna: [X1]) zijn aanslagen in de vennootschapsbelasting opgelegd voor de jaren 1996, 1997, 1998 en 1999.
2.1.2.
Aan [X2] B.V. (hierna: [X2]) zijn aanslagen in de vennootschapsbelasting opgelegd voor de jaren 2001 en 2002.
2.1.3.
Zowel [X1] als [X2] is door middel van bezwaar- en beroepsprocedures opgekomen tegen de aan haar opgelegde aanslagen.
2.1.4.
In de hiervoor in 2.1.3 bedoelde procedures (hierna: de hoofdzaken) was tussen [X1] en de Inspecteur telkens in geschil de door de Inspecteur toegepaste correctie in verband met de vrijval van in eerdere jaren gevormde vervangingsreserves.
Tussen [X2] en de Inspecteur was in de hoofdzaken telkens in geschil de door de Inspecteur ambtshalve vastgestelde belastbare bedragen.
2.2.
In elk van de hoofdzaken is de redelijke termijn voor berechting van een belastinggeschil overschreden. Belanghebbenden kunnen om die reden aanspraak maken op een vergoeding van immateriële schade. Voor het Hof was in geschil op welk bedrag de aan elk van de belanghebbenden toekomende vergoeding van immateriële schade moet worden vastgesteld.
2.3.1.
Het Hof heeft geoordeeld dat [X1] recht heeft op een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn van € 10.125. Het Hof heeft de aan de bezwaarfase toerekenbare immateriële schade vastgesteld op € 9076, en heeft de Inspecteur veroordeeld tot vergoeding van dit deel van de schade. Het Hof heeft de Minister van Veiligheid en Justitie veroordeeld tot vergoeding van de aan de hogerberoepsfase toerekenbare immateriële schade. Deze schade is door het Hof vastgesteld op € 1049.
2.3.2.
Ten aanzien van [X2] heeft het Hof geoordeeld dat zij recht heeft op een vergoeding voor immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn van € 1875. Het Hof heeft de aan de bezwaarfase toerekenbare immateriële schade vastgesteld op € 1250, en heeft de Inspecteur veroordeeld tot vergoeding van dit deel van de schade. Het Hof heeft de Minister van Veiligheid en Justitie veroordeeld tot vergoeding van de aan de hogerberoepsfase toerekenbare immateriële schade. Deze schade is door het Hof vastgesteld op € 625.
3Beoordeling van de middelen
3.1.
De middelen keren zich tegen de hiervoor in 2.3.1 en 2.3.2 omschreven oordelen van het Hof.
3.2.1.
In zijn arrest van 19 februari 2016, nr. 14/03907, ECLI:NL:HR:2016:252, BNB 2016/140 (hierna: het overzichtsarrest), heeft de Hoge Raad een overzicht gegeven van zijn oordelen met betrekking tot de vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn in belastingzaken, voor zover het daarin niet om een bestuurlijke boete gaat.
3.2.2.
In het overzichtsarrest heeft de Hoge Raad geoordeeld dat indien de redelijke termijn is overschreden, voor de schadevergoeding als uitgangspunt een tarief dient te worden gehanteerd van € 500 per half jaar waarmee die termijn is overschreden, waarbij het totaal van de overschrijding naar boven wordt afgerond (zie rechtsoverweging 3.10.1 van het overzichtsarrest).
3.2.3.
In gevallen waarin meerdere zaken van één belanghebbende gezamenlijk zijn behandeld, dient te worden beoordeeld of die zaken in hoofdzaak betrekking hebben op hetzelfde onderwerp. Indien hiervan sprake is, wordt per fase van de procedure waarin sprake is geweest van gezamenlijke behandeling, voor die zaken gezamenlijk slechts eenmaal het tarief van € 500 per half jaar gehanteerd (zie rechtsoverweging 3.10.2 van het overzichtsarrest).
3.2.4.
De omstandigheid dat zaken van verschillende belanghebbenden gezamenlijk zijn behandeld, kan een zodanig matigende invloed hebben op de spanning, het ongemak en de onzekerheid die worden ondervonden door een te lang durende procedure, dat dit een reden kan vormen om de wegens schending van de redelijke termijn toe te kennen schadevergoeding te matigen. Bij dit laatste blijft vooropstaan dat iedere belanghebbende een zelfstandig recht op schadevergoeding heeft (zie rechtsoverweging 3.10.3 van het overzichtsarrest).
Indien zaken van verschillende belanghebbenden gezamenlijk zijn behandeld, kan een matiging als hiervoor omschreven alleen aan de orde zijn indien sprake is van zaken die in hoofdzaak betrekking hebben op hetzelfde onderwerp (vgl. rechtsoverweging 3.10.2 van het overzichtsarrest).
3.2.5.
In het overzichtsarrest heeft de Hoge Raad voorts geoordeeld dat de in aanmerking te nemen termijn voor de berekening van de meergenoemde schadevergoeding eindigt op het moment waarop de rechter uitspraak doet in de procedure met betrekking tot het geschil dat de belastingplichtige en de inspecteur verdeeld houdt (de hoofdzaak, zie rechtsoverweging 3.3.2 van het overzichtsarrest).
Indien de rechter bij zijn uitspraak in de hoofdzaak het onderzoek heropent om een nadere uitspraak te doen over het recht op vergoeding van immateriële schade wegens de duur van de procedure, heeft als uitgangspunt te gelden dat hij uitspraak daarover moet doen binnen een jaar na de uitspraak in de hoofdzaak (zie rechtsoverweging 3.4.6 van het overzichtsarrest).
3.3.1.
In het onderhavige geval is het Hof bij de berekening van de vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn kennelijk ervan uitgegaan dat de vier hoofdzaken van [X1] in elke fase van de procedure gezamenlijk zijn behandeld. Dit uitgangspunt is onbegrijpelijk. ’s Hofs uitspraak en de gedingstukken laten geen andere gevolgtrekking toe dan dat de vier hoofdzaken van [X1] niet in elke fase van de procedure gezamenlijk zijn behandeld.
3.3.2.
Bij zijn berekening van de vergoeding van de immateriële schade is het Hof voorts kennelijk ervan uitgegaan dat de hoofdzaak van [X1] met betrekking tot de aanslag in de vennootschapsbelasting voor het jaar 1996 gezamenlijk is behandeld met de twee hoofdzaken van [X2]. Het Hof heeft hieraan het gevolg verbonden dat aan [X1] in zoverre slechts een gematigde vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn toekomt. Gelet op hetgeen hiervoor in 3.2.4 is overwogen, heeft het Hof met dit oordeel blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting indien het heeft aangenomen dat matiging van de vergoeding kan plaatsvinden ingeval zaken van verschillende belanghebbenden gezamenlijk worden behandeld zonder dat deze in hoofdzaak betrekking hebben op hetzelfde onderwerp. Indien het oordeel van het Hof berust op de juiste rechtsopvatting, is het onbegrijpelijk. ’s Hofs uitspraak en de gedingstukken laten geen andere gevolgtrekking toe dan dat de hoofdzaak van [X1] met betrekking tot de aanslag in de vennootschapsbelasting voor het jaar 1996 en de hoofdzaken van [X2] niet in hoofdzaak betrekking hebben op hetzelfde onderwerp.
3.4.
Gelet op hetgeen hiervoor in 3.3.1 en 3.3.2 is overwogen, slagen de middelen in zoverre. De middelen kunnen voor het overige niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu de middelen voor het overige niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
3.5. ’
s Hofs uitspraak kan niet in stand blijven. De Hoge Raad kan de zaak afdoen.
In de fasen in eerste aanleg en in de hogerberoepsfasen is telkens sprake geweest van een overschrijding van de redelijke termijn. Belanghebbenden hebben – voor het eerst in hoger beroep – verzocht om vergoeding van immateriële schade wegens de overschrijdingen van de redelijke termijn.
Het Hof heeft op 18 april 2013 uitspraken gedaan in de hoofdzaken. Het Hof heeft in die uitspraken het onderzoek heropend om een nadere uitspraak te doen over het recht op vergoeding van immateriële schade. Het Hof heeft die nadere uitspraak, zowel ten aanzien van [X1] als van [X2], gedaan op 29 september 2016. Gelet op hetgeen hiervoor in 3.2.5 is overwogen, heeft het Hof de redelijke termijn voor het doen van uitspraak over de vergoeding van immateriële schade overschreden.
De uitspraak van het Hof noch de stukken van het geding bevatten aanwijzingen dat sprake is van bijzondere omstandigheden die aanleiding kunnen zijn voor verlenging van de onderscheidenlijke redelijke termijnen.
[X1] B.V. – aanslag vennootschapsbelasting voor het jaar 1996
3.5.1.
Met betrekking tot de aan [X1] opgelegde aanslag vennootschapsbelasting voor het jaar 1996 is sprake geweest van overschrijding van de redelijke termijn met in totaal 9 jaren en 9 maanden (117 maanden). Deze overschrijding geeft recht op een vergoeding van € 10.000. Van de totale overschrijding dient een periode van 72 maanden aan de Inspecteur te worden toegerekend en een periode van 45 maanden aan de Staat. De Inspecteur dient daarom van de schadevergoeding 72/117 deel te betalen (€ 6154) en de Staat (de Minister van Veiligheid en Justitie) 45/117 deel (€ 3846).
[X1] B.V. – aanslagen vennootschapsbelasting voor de jaren 1997, 1998 en 1999
3.5.2.
Met betrekking tot de aan [X1] opgelegde aanslagen vennootschapsbelasting voor de jaren 1997, 1998 en 1999 heeft het volgende te gelden.
Deze zaken zijn in bezwaar en beroep gezamenlijk behandeld en hebben in hoofdzaak betrekking op hetzelfde onderwerp. Gelet hierop wordt voor deze fase voor deze zaken gezamenlijk slechts eenmaal het tarief van € 500 per half jaar gehanteerd. In de fase van bezwaar en beroep is de redelijke termijn overschreden met 8 jaren en 2 maanden (98 maanden). Deze overschrijding geeft recht op een vergoeding van € 8500.
In de hogerberoepsfase zijn de vier zaken van [X1] alle gezamenlijk behandeld. Die zaken hebben in hoofdzaak betrekking op hetzelfde onderwerp. In hetgeen hiervoor in 3.5.1 is geoordeeld ligt besloten dat [X1] wat betreft de gehele hogerberoepsfase recht heeft op een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn en dat die vergoeding reeds in aanmerking is genomen bij het bepalen van de hiervoor in 3.5.1 vermelde vergoeding van € 10.000.
Aangezien [X1] voor de aan de orde zijnde jaren beroepen heeft ingesteld wegens het niet‑tijdig beslissen op haar bezwaarschriften, en de Inspecteur geen uitspraken op bezwaar heeft gedaan, dient de overschrijding van de redelijke termijn in eerste aanleg in haar geheel aan de Inspecteur te worden toegerekend (zie rechtsoverweging 3.11.1 van het overzichtsarrest). De Inspecteur dient daarom het gehele bedrag van € 8500 te betalen.
[X2] B.V. – aanslagen vennootschapsbelasting voor de jaren 2001 en 2002
3.5.3.
Met betrekking tot de aan [X2] opgelegde aanslagen vennootschapsbelasting voor de jaren 2001 en 2002 is sprake geweest van overschrijding van de redelijke termijn met in totaal 4 jaren en 10 maanden (58 maanden). Deze overschrijding geeft recht op een vergoeding van € 5000. Van de totale overschrijding dient een periode van 14 maanden aan de Inspecteur te worden toegerekend en een periode van 44 maanden aan de Staat. De Inspecteur dient daarom van de schadevergoeding 14/58 deel te betalen (€ 1207) en de Staat (de Minister van Veiligheid en Justitie) 44/58 deel (€ 3793).
3Proceskosten
De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.
4Beslissing
De Hoge Raad:
verklaart het beroep in cassatie gegrond,
vernietigt de uitspraak van het Hof, doch uitsluitend voor zover deze betreft de beslissingen op de verzoeken van belanghebbenden tot vergoeding van immateriële schade,
wijst de verzoeken om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn toe,
veroordeelt de Inspecteur tot vergoeding van de aan de bezwaarfase toerekenbare immateriële schade van [X1] B.V., vastgesteld op € 14.654,
veroordeelt de Inspecteur tot vergoeding van de aan de bezwaarfase toerekenbare immateriële schade van [X2] B.V., vastgesteld op € 1207,
veroordeelt de Minister van Veiligheid en Justitie tot vergoeding van de aan de beroepsfase en de hogerberoepsfase toerekenbare immateriële schade van [X1] B.V., vastgesteld op € 3846,
veroordeelt de Minister van Veiligheid en Justitie tot vergoeding van de aan de hogerberoepsfase toerekenbare immateriële schade van [X2] B.V., vastgesteld op € 3793,
gelast dat de Staatssecretaris van Financiën aan [X1] B.V. vergoedt de helft van het door deze ter zake van de behandeling van het beroep in cassatie betaalde griffierecht ten bedrage van € 503, derhalve € 251,50, en
gelast dat de Minister van Veiligheid en Justitie aan [X1] B.V. vergoedt de helft van het door deze ter zake van de behandeling van het beroep in cassatie betaalde griffierecht ten bedrage van € 503, derhalve € 251,50.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J.A.C.A. Overgaauw als voorzitter, en de raadsheren P.M.F. van Loon, L.F. van Kalmthout, M.E. van Hilten en E.F. Faase, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 17 november 2017.
nr. 16/05257
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van [X1] B.V. en [X2] B.V., beide te [Z] (hierna tezamen: belanghebbenden) tegen de nadere uitspraak van het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 29 september 2016, nrs. 11/00046bis tot en met 11/00048bis en 11/00104bis tot en met 11/00106bis, op het hoger beroep van elk van beide tegen uitspraken van de Rechtbank Breda (nrs. AWB 09/2461, 09/2593, 09/2761, 06/4162, 06/5378 en 06/5377) betreffende de verzoeken van belanghebbenden om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
1Geding in cassatie
Belanghebbenden hebben tegen ’s Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staatssecretaris van Financiën alsmede de Minister van Veiligheid en Justitie heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbenden hebben een conclusie van repliek ingediend.
De Minister van Veiligheid en Justitie heeft een conclusie van dupliek ingediend.
2Uitgangspunten in cassatie
2.1.1.
Aan [X1] B.V. (hierna: [X1]) zijn aanslagen in de vennootschapsbelasting opgelegd voor de jaren 1996, 1997, 1998 en 1999.
2.1.2.
Aan [X2] B.V. (hierna: [X2]) zijn aanslagen in de vennootschapsbelasting opgelegd voor de jaren 2001 en 2002.
2.1.3.
Zowel [X1] als [X2] is door middel van bezwaar- en beroepsprocedures opgekomen tegen de aan haar opgelegde aanslagen.
2.1.4.
In de hiervoor in 2.1.3 bedoelde procedures (hierna: de hoofdzaken) was tussen [X1] en de Inspecteur telkens in geschil de door de Inspecteur toegepaste correctie in verband met de vrijval van in eerdere jaren gevormde vervangingsreserves.
Tussen [X2] en de Inspecteur was in de hoofdzaken telkens in geschil de door de Inspecteur ambtshalve vastgestelde belastbare bedragen.
2.2.
In elk van de hoofdzaken is de redelijke termijn voor berechting van een belastinggeschil overschreden. Belanghebbenden kunnen om die reden aanspraak maken op een vergoeding van immateriële schade. Voor het Hof was in geschil op welk bedrag de aan elk van de belanghebbenden toekomende vergoeding van immateriële schade moet worden vastgesteld.
2.3.1.
Het Hof heeft geoordeeld dat [X1] recht heeft op een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn van € 10.125. Het Hof heeft de aan de bezwaarfase toerekenbare immateriële schade vastgesteld op € 9076, en heeft de Inspecteur veroordeeld tot vergoeding van dit deel van de schade. Het Hof heeft de Minister van Veiligheid en Justitie veroordeeld tot vergoeding van de aan de hogerberoepsfase toerekenbare immateriële schade. Deze schade is door het Hof vastgesteld op € 1049.
2.3.2.
Ten aanzien van [X2] heeft het Hof geoordeeld dat zij recht heeft op een vergoeding voor immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn van € 1875. Het Hof heeft de aan de bezwaarfase toerekenbare immateriële schade vastgesteld op € 1250, en heeft de Inspecteur veroordeeld tot vergoeding van dit deel van de schade. Het Hof heeft de Minister van Veiligheid en Justitie veroordeeld tot vergoeding van de aan de hogerberoepsfase toerekenbare immateriële schade. Deze schade is door het Hof vastgesteld op € 625.
3Beoordeling van de middelen
3.1.
De middelen keren zich tegen de hiervoor in 2.3.1 en 2.3.2 omschreven oordelen van het Hof.
3.2.1.
In zijn arrest van 19 februari 2016, nr. 14/03907, ECLI:NL:HR:2016:252, BNB 2016/140 (hierna: het overzichtsarrest), heeft de Hoge Raad een overzicht gegeven van zijn oordelen met betrekking tot de vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn in belastingzaken, voor zover het daarin niet om een bestuurlijke boete gaat.
3.2.2.
In het overzichtsarrest heeft de Hoge Raad geoordeeld dat indien de redelijke termijn is overschreden, voor de schadevergoeding als uitgangspunt een tarief dient te worden gehanteerd van € 500 per half jaar waarmee die termijn is overschreden, waarbij het totaal van de overschrijding naar boven wordt afgerond (zie rechtsoverweging 3.10.1 van het overzichtsarrest).
3.2.3.
In gevallen waarin meerdere zaken van één belanghebbende gezamenlijk zijn behandeld, dient te worden beoordeeld of die zaken in hoofdzaak betrekking hebben op hetzelfde onderwerp. Indien hiervan sprake is, wordt per fase van de procedure waarin sprake is geweest van gezamenlijke behandeling, voor die zaken gezamenlijk slechts eenmaal het tarief van € 500 per half jaar gehanteerd (zie rechtsoverweging 3.10.2 van het overzichtsarrest).
3.2.4.
De omstandigheid dat zaken van verschillende belanghebbenden gezamenlijk zijn behandeld, kan een zodanig matigende invloed hebben op de spanning, het ongemak en de onzekerheid die worden ondervonden door een te lang durende procedure, dat dit een reden kan vormen om de wegens schending van de redelijke termijn toe te kennen schadevergoeding te matigen. Bij dit laatste blijft vooropstaan dat iedere belanghebbende een zelfstandig recht op schadevergoeding heeft (zie rechtsoverweging 3.10.3 van het overzichtsarrest).
Indien zaken van verschillende belanghebbenden gezamenlijk zijn behandeld, kan een matiging als hiervoor omschreven alleen aan de orde zijn indien sprake is van zaken die in hoofdzaak betrekking hebben op hetzelfde onderwerp (vgl. rechtsoverweging 3.10.2 van het overzichtsarrest).
3.2.5.
In het overzichtsarrest heeft de Hoge Raad voorts geoordeeld dat de in aanmerking te nemen termijn voor de berekening van de meergenoemde schadevergoeding eindigt op het moment waarop de rechter uitspraak doet in de procedure met betrekking tot het geschil dat de belastingplichtige en de inspecteur verdeeld houdt (de hoofdzaak, zie rechtsoverweging 3.3.2 van het overzichtsarrest).
Indien de rechter bij zijn uitspraak in de hoofdzaak het onderzoek heropent om een nadere uitspraak te doen over het recht op vergoeding van immateriële schade wegens de duur van de procedure, heeft als uitgangspunt te gelden dat hij uitspraak daarover moet doen binnen een jaar na de uitspraak in de hoofdzaak (zie rechtsoverweging 3.4.6 van het overzichtsarrest).
3.3.1.
In het onderhavige geval is het Hof bij de berekening van de vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn kennelijk ervan uitgegaan dat de vier hoofdzaken van [X1] in elke fase van de procedure gezamenlijk zijn behandeld. Dit uitgangspunt is onbegrijpelijk. ’s Hofs uitspraak en de gedingstukken laten geen andere gevolgtrekking toe dan dat de vier hoofdzaken van [X1] niet in elke fase van de procedure gezamenlijk zijn behandeld.
3.3.2.
Bij zijn berekening van de vergoeding van de immateriële schade is het Hof voorts kennelijk ervan uitgegaan dat de hoofdzaak van [X1] met betrekking tot de aanslag in de vennootschapsbelasting voor het jaar 1996 gezamenlijk is behandeld met de twee hoofdzaken van [X2]. Het Hof heeft hieraan het gevolg verbonden dat aan [X1] in zoverre slechts een gematigde vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn toekomt. Gelet op hetgeen hiervoor in 3.2.4 is overwogen, heeft het Hof met dit oordeel blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting indien het heeft aangenomen dat matiging van de vergoeding kan plaatsvinden ingeval zaken van verschillende belanghebbenden gezamenlijk worden behandeld zonder dat deze in hoofdzaak betrekking hebben op hetzelfde onderwerp. Indien het oordeel van het Hof berust op de juiste rechtsopvatting, is het onbegrijpelijk. ’s Hofs uitspraak en de gedingstukken laten geen andere gevolgtrekking toe dan dat de hoofdzaak van [X1] met betrekking tot de aanslag in de vennootschapsbelasting voor het jaar 1996 en de hoofdzaken van [X2] niet in hoofdzaak betrekking hebben op hetzelfde onderwerp.
3.4.
Gelet op hetgeen hiervoor in 3.3.1 en 3.3.2 is overwogen, slagen de middelen in zoverre. De middelen kunnen voor het overige niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu de middelen voor het overige niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
3.5. ’
s Hofs uitspraak kan niet in stand blijven. De Hoge Raad kan de zaak afdoen.
In de fasen in eerste aanleg en in de hogerberoepsfasen is telkens sprake geweest van een overschrijding van de redelijke termijn. Belanghebbenden hebben – voor het eerst in hoger beroep – verzocht om vergoeding van immateriële schade wegens de overschrijdingen van de redelijke termijn.
Het Hof heeft op 18 april 2013 uitspraken gedaan in de hoofdzaken. Het Hof heeft in die uitspraken het onderzoek heropend om een nadere uitspraak te doen over het recht op vergoeding van immateriële schade. Het Hof heeft die nadere uitspraak, zowel ten aanzien van [X1] als van [X2], gedaan op 29 september 2016. Gelet op hetgeen hiervoor in 3.2.5 is overwogen, heeft het Hof de redelijke termijn voor het doen van uitspraak over de vergoeding van immateriële schade overschreden.
De uitspraak van het Hof noch de stukken van het geding bevatten aanwijzingen dat sprake is van bijzondere omstandigheden die aanleiding kunnen zijn voor verlenging van de onderscheidenlijke redelijke termijnen.
[X1] B.V. – aanslag vennootschapsbelasting voor het jaar 1996
3.5.1.
Met betrekking tot de aan [X1] opgelegde aanslag vennootschapsbelasting voor het jaar 1996 is sprake geweest van overschrijding van de redelijke termijn met in totaal 9 jaren en 9 maanden (117 maanden). Deze overschrijding geeft recht op een vergoeding van € 10.000. Van de totale overschrijding dient een periode van 72 maanden aan de Inspecteur te worden toegerekend en een periode van 45 maanden aan de Staat. De Inspecteur dient daarom van de schadevergoeding 72/117 deel te betalen (€ 6154) en de Staat (de Minister van Veiligheid en Justitie) 45/117 deel (€ 3846).
[X1] B.V. – aanslagen vennootschapsbelasting voor de jaren 1997, 1998 en 1999
3.5.2.
Met betrekking tot de aan [X1] opgelegde aanslagen vennootschapsbelasting voor de jaren 1997, 1998 en 1999 heeft het volgende te gelden.
Deze zaken zijn in bezwaar en beroep gezamenlijk behandeld en hebben in hoofdzaak betrekking op hetzelfde onderwerp. Gelet hierop wordt voor deze fase voor deze zaken gezamenlijk slechts eenmaal het tarief van € 500 per half jaar gehanteerd. In de fase van bezwaar en beroep is de redelijke termijn overschreden met 8 jaren en 2 maanden (98 maanden). Deze overschrijding geeft recht op een vergoeding van € 8500.
In de hogerberoepsfase zijn de vier zaken van [X1] alle gezamenlijk behandeld. Die zaken hebben in hoofdzaak betrekking op hetzelfde onderwerp. In hetgeen hiervoor in 3.5.1 is geoordeeld ligt besloten dat [X1] wat betreft de gehele hogerberoepsfase recht heeft op een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn en dat die vergoeding reeds in aanmerking is genomen bij het bepalen van de hiervoor in 3.5.1 vermelde vergoeding van € 10.000.
Aangezien [X1] voor de aan de orde zijnde jaren beroepen heeft ingesteld wegens het niet‑tijdig beslissen op haar bezwaarschriften, en de Inspecteur geen uitspraken op bezwaar heeft gedaan, dient de overschrijding van de redelijke termijn in eerste aanleg in haar geheel aan de Inspecteur te worden toegerekend (zie rechtsoverweging 3.11.1 van het overzichtsarrest). De Inspecteur dient daarom het gehele bedrag van € 8500 te betalen.
[X2] B.V. – aanslagen vennootschapsbelasting voor de jaren 2001 en 2002
3.5.3.
Met betrekking tot de aan [X2] opgelegde aanslagen vennootschapsbelasting voor de jaren 2001 en 2002 is sprake geweest van overschrijding van de redelijke termijn met in totaal 4 jaren en 10 maanden (58 maanden). Deze overschrijding geeft recht op een vergoeding van € 5000. Van de totale overschrijding dient een periode van 14 maanden aan de Inspecteur te worden toegerekend en een periode van 44 maanden aan de Staat. De Inspecteur dient daarom van de schadevergoeding 14/58 deel te betalen (€ 1207) en de Staat (de Minister van Veiligheid en Justitie) 44/58 deel (€ 3793).
3Proceskosten
De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.
4Beslissing
De Hoge Raad:
verklaart het beroep in cassatie gegrond,
vernietigt de uitspraak van het Hof, doch uitsluitend voor zover deze betreft de beslissingen op de verzoeken van belanghebbenden tot vergoeding van immateriële schade,
wijst de verzoeken om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn toe,
veroordeelt de Inspecteur tot vergoeding van de aan de bezwaarfase toerekenbare immateriële schade van [X1] B.V., vastgesteld op € 14.654,
veroordeelt de Inspecteur tot vergoeding van de aan de bezwaarfase toerekenbare immateriële schade van [X2] B.V., vastgesteld op € 1207,
veroordeelt de Minister van Veiligheid en Justitie tot vergoeding van de aan de beroepsfase en de hogerberoepsfase toerekenbare immateriële schade van [X1] B.V., vastgesteld op € 3846,
veroordeelt de Minister van Veiligheid en Justitie tot vergoeding van de aan de hogerberoepsfase toerekenbare immateriële schade van [X2] B.V., vastgesteld op € 3793,
gelast dat de Staatssecretaris van Financiën aan [X1] B.V. vergoedt de helft van het door deze ter zake van de behandeling van het beroep in cassatie betaalde griffierecht ten bedrage van € 503, derhalve € 251,50, en
gelast dat de Minister van Veiligheid en Justitie aan [X1] B.V. vergoedt de helft van het door deze ter zake van de behandeling van het beroep in cassatie betaalde griffierecht ten bedrage van € 503, derhalve € 251,50.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J.A.C.A. Overgaauw als voorzitter, en de raadsheren P.M.F. van Loon, L.F. van Kalmthout, M.E. van Hilten en E.F. Faase, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 17 november 2017.