Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Hoge Raad

ECLI:NL:HR:2017:2412

2017-09-19 Strafrecht 17/02060
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Hoge Raad
Uitspraakdatum
2017-09-19
Publicatiedatum
2017-09-19
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedure
Herziening
Zaaknummer
17/02060
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl | NJB 2017/1871 | RvdW 2017/1070 | SR-Updates.nl 2017-0377 | NJ 2019/281 met annotatie van P. Mevis | NbSr 2017/350

Formele procesketen

Inhoudsindicatie

Herziening na uitspraak EHRM. Medeplegen van gekwalificeerde zware mishandeling, medeplegen van wederrechtelijke vrijheidsberoving en overtreding van de Opiumwet. Schending aanwezigheidsrecht van in Noorwegen gedetineerde verdachte, art. 6 EVRM. De aanvraag is gebaseerd op een n.a.v. een klacht van aanvrager gedane uitspraak van het EHRM van 14 februari 2017, no. 30749/12. Op gronden als in de CAG vermeld is de aanvraag gegrond. CAG: EHRM heeft vastgesteld dat art. 6 lid 1 en lid 3 onder c EVRM zijn geschonden in de procedure die heeft geleid tot de veroordeling waarvan herziening wordt gevraagd en herziening is noodzakelijk met het oog op rechtsherstel. Vervolg op 10/02657 (niet gepubliceerd).

Citeert (0)

  • geen

Geciteerd door (7)

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (3.183 tekens)
19 september 2017
Strafkamer
nr. S 17/02060 H
CB


Hoge Raad der Nederlanden



Arrest



op een aanvraag tot herziening van een in kracht van gewijsde gegaan arrest van het Gerechtshof te Amsterdam van 18 juni 2010, nummer 23/003544-07, ingediend door N. Hendriksen, advocaat te Purmerend, namens:



[aanvrager]
, geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1947.




1De uitspraak waarvan herziening is gevraagd


Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van de Rechtbank te Alkmaar van 15 mei 2007 - de aanvrager ter zake van 1. "medeplegen van zware mishandeling, gepleegd met voorbedachten rade, terwijl het feit de dood ten gevolge heeft", 2. "medeplegen van opzettelijk iemand wederrechtelijk van de vrijheid beroven en beroofd houden" en 4. "de eendaadse samenloop van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, onder B, van de Opiumwet gegeven verbod en opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3, onder C, van de Opiumwet gegeven verbod", veroordeeld tot een gevangenisstraf van acht jaren.





2De aanvraag tot herziening


2.1.
De aanvraag tot herziening is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.



2.2.
De aanvraag is onder meer gebaseerd op een naar aanleiding van een klacht van de aanvrager gedane uitspraak van het Europees Hof voor de rechten van de mens van 14 februari 2017, no. 30749/12, waarin is vastgesteld dat art. 6, eerste en derde lid aanhef en onder c, van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden zijn geschonden in de procedure die tot de veroordeling heeft geleid.





3De conclusie van de Advocaat-Generaal


De Advocaat-Generaal G. Knigge heeft geconcludeerd dat de Hoge Raad de aanvraag gegrond zal verklaren, voor zover nodig de opschorting of schorsing van de tenuitvoerlegging van de in de aanvraag vermelde uitspraak zal bevelen en de zaak op de voet van art. 472, eerste lid, in verbinding met art. 471, eerste lid, Sv zal verwijzen naar een ander Gerechtshof.





4Beoordeling van de aanvraag


Op de door de Advocaat-Generaal in zijn conclusie vermelde gronden is de aanvraag gegrond, zodat de overige gronden waarop de aanvraag steunt geen bespreking behoeven en als volgt moet worden beslist.





5Beslissing


De Hoge Raad:
verklaart de aanvraag tot herziening gegrond;
beveelt voor zover nodig de opschorting of schorsing van de tenuitvoerlegging van voormeld arrest van het Gerechtshof;
verwijst de zaak naar het Gerechtshof Den Haag, opdat de zaak op de voet van art. 472, eerste lid, Sv opnieuw zal worden berecht en afgedaan.



Dit arrest is gewezen door de raadsheer W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren A.J.A. van Dorst en A.L.J. van Strien, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 19 september 2017.