Hoge Raad
ECLI:NL:HR:2017:1343
2017-07-14
Bestuursrecht; Belastingrecht
15/03521
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Formele procesketen
- cassatie ECLI:NL:HR:2017:1343 → ECLI:NL:GHAMS:2015:4080 (Gedeeltelijke) vernietiging met terugwijzen
- conclusie ECLI:NL:HR:2017:1343 → ECLI:NL:PHR:2016:1042 contrair
Inhoudsindicatie
Douanerechten; artt. 236, 237, 238 en 239 CDW; artt. 900 tot en met 905 UCDW; invoer van verse knoflookbollen; navordering wegens onjuiste tariefindeling (zie [arrest nr. 08/01640bis,] BNB 2011/124); verzoek om terugbetaling op de grond dat sprake is van gewekt vertrouwen en/of een bijzondere situatie; verplichting douaneautoriteiten om verzoek om terugbetaling ruim op te vatten; een eerdere afwijzing van een verzoek om terugbetaling op basis van gewekt vertrouwen staat niet eraan in de weg dat in een volgend verzoek opnieuw op een beroep op gewekt vertrouwen wordt beslist.
Citeert (4)
- ECLI:NL:PHR:2016:1042 Parket bij de Hoge Raad 17-10-2016
- ECLI:EU:C:1999:393
- ECLI:EU:C:1999:548
- ECLI:EU:C:2004:90
Geciteerd door (32)
- ECLI:NL:RBNHO:2025:12121 Rechtbank Noord-Holland 21-10-2025
- ECLI:NL:HR:2025:1329 Hoge Raad 19-09-2025
- ECLI:NL:RBNHO:2025:3280 Rechtbank Noord-Holland 13-03-2025
- ECLI:NL:RBNHO:2024:13416 Rechtbank Noord-Holland 20-12-2024
- ECLI:NL:RBNHO:2024:8505 Rechtbank Noord-Holland 19-08-2024
- ECLI:NL:RBNHO:2024:8486 Rechtbank Noord-Holland 19-08-2024
- ECLI:NL:RBNHO:2024:8512 Rechtbank Noord-Holland 19-08-2024
- ECLI:NL:RBNHO:2024:8497 Rechtbank Noord-Holland 19-08-2024
- ECLI:NL:RBNHO:2024:8491 Rechtbank Noord-Holland 19-08-2024
- ECLI:NL:RBNHO:2024:8491 Rechtbank Noord-Holland 19-08-2024
- ECLI:NL:RBNHO:2024:8495 Rechtbank Noord-Holland 19-08-2024
- ECLI:NL:RBNHO:2024:8496 Rechtbank Noord-Holland 19-08-2024
- ECLI:NL:RBNHO:2024:8484 Rechtbank Noord-Holland 19-08-2024
- ECLI:NL:RBNHO:2024:8482 Rechtbank Noord-Holland 19-08-2024
- ECLI:NL:RBNHO:2024:8485 Rechtbank Noord-Holland 19-08-2024
- ECLI:NL:RBNHO:2024:8493 Rechtbank Noord-Holland 19-08-2024
- ECLI:NL:RBNHO:2024:8503 Rechtbank Noord-Holland 19-08-2024
- ECLI:NL:RBNHO:2024:3251 Rechtbank Noord-Holland 27-03-2024
- ECLI:NL:RBNHO:2023:13135 Rechtbank Noord-Holland 27-12-2023
- ECLI:NL:RBNHO:2023:13300 Rechtbank Noord-Holland 27-12-2023
- ECLI:NL:RBNHO:2023:8712 Rechtbank Noord-Holland 01-09-2023
- ECLI:NL:RBNHO:2023:1769 Rechtbank Noord-Holland 24-02-2023
- ECLI:NL:GHAMS:2022:3246 Gerechtshof Amsterdam 06-10-2022
- ECLI:NL:GHAMS:2022:99 Gerechtshof Amsterdam 11-01-2022
- ECLI:NL:GHAMS:2022:100 Gerechtshof Amsterdam 11-01-2022
- ECLI:NL:GHAMS:2022:100 Gerechtshof Amsterdam 11-01-2022
- ECLI:NL:RBNHO:2020:721 Rechtbank Noord-Holland 10-02-2020
- ECLI:NL:RBNHO:2020:722 Rechtbank Noord-Holland 10-02-2020
- ECLI:NL:RBNHO:2020:722 Rechtbank Noord-Holland 10-02-2020
- ECLI:NL:HR:2019:286 Hoge Raad 22-02-2019
- ECLI:NL:GHAMS:2018:3011 Gerechtshof Amsterdam 21-08-2018
- ECLI:NL:GHAMS:2018:449 Gerechtshof Amsterdam 13-02-2018
Volledige tekst
Volledige tekst (7.024 tekens)
14 juli 2017
nr. 15/03521
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van [X] B.V. te [Z] (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam van 9 juli 2015, nr. 14/00058, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Noord-Holland (nr. AWB 13/2498) betreffende een ten aanzien van belanghebbende gegeven beschikking op een verzoek om terugbetaling van douanerechten. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
1Geding in cassatie
Belanghebbende heeft tegen ’s Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.
De Advocaat-Generaal C.M. Ettema heeft op 17 oktober 2016 geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep in cassatie (ECLI:NL:PHR:2016:1042).
Belanghebbende heeft schriftelijk op de conclusie gereageerd.
2Beoordeling van het middel
2.1.1.
Het Hof heeft het verzoek van belanghebbende om terugbetaling respectievelijk kwijtschelding van de geheven douanerechten aangemerkt als een op de voet van artikel 239 van het Communautair Douanewetboek (hierna: het CDW) ingediend verzoek. Dit verzoek is naar het oordeel van het Hof terecht afgewezen omdat de daartoe aangevoerde omstandigheden geen bijzondere situatie vormen als bedoeld in deze bepaling in samenhang gelezen met artikel 905 van de Uitvoeringsverordening Communautair Douanewetboek.
2.1.2.
In het kader van de hiervoor in 2.1.1 bedoelde beoordeling heeft het Hof vastgesteld dat belanghebbende met het noemen van een aantal omstandigheden refereert aan artikel 220, lid 2, letter b, van het CDW op grond waarvan de douaneautoriteiten zijn gehouden af te zien van navordering van douanerechten als sprake is van een vergissing van de douaneautoriteiten en aan de in dat artikel gestelde voorwaarden is voldaan. Het Hof heeft geoordeeld dat een vergissing als bedoeld in artikel 220, lid 2, letter b, van het CDW op zichzelf geen bijzondere situatie kan vormen voor de toepassing van artikel 239 van het CDW aangezien deze bepaling ziet op terugbetaling of kwijtschelding in andere gevallen dan die bedoeld bij (onder meer) artikel 236 van het CDW. De vergissing waaraan belanghebbende refereert kan, aldus het Hof, enkel aan de orde komen in een procedure over de toepassing van artikel 236 van het CDW en niet in een procedure, zoals hier, over de toepassing van artikel 239 van het CDW.
Belanghebbendes klacht over de (niet) buitenwerkingstelling van een aantal aangiften kan naar het oordeel van het Hof evenmin tot terugbetaling op grond van artikel 239 van het CDW leiden omdat, aldus het Hof, ongeldigmaking van een aangifte op grond van artikel 66 van het CDW en artikel 251 van het CDW een recht op terugbetaling verschaft op de voet van artikel 237 van het CDW. Uit artikel 239, lid 1, van het CDW volgt, aldus het Hof, dat deze bepaling ziet op andere gevallen dan die bedoeld bij (onder meer) artikel 237 van het CDW, zodat een weigering van de inspecteur om aangiften buiten werking te stellen, geen bijzondere situatie in de zin van artikel 239 van het CDW kan vormen.
2.2.
Voor zover het middel is gericht tegen de hiervoor in 2.1.2 weergegeven oordelen van het Hof wordt het volgende overwogen.
Ingevolge artikel 239, lid 1, van het CDW kan ook tot terugbetaling of kwijtschelding van de rechten bij invoer worden overgegaan in de gevallen andere dan bedoeld in de artikelen 236, 237 en 238 van het CDW.
Uit de hiervoor vermelde bepalingen van het CDW kan – anders dan in de oordelen van het Hof ligt besloten – niet worden afgeleid dat voor toepassing van elk van de hiervoor vermelde bepalingen een afzonderlijke procedure moet worden gevoerd, in die zin dat een belanghebbende voor toepassing van een van de hiervoor vermelde bepalingen van het CDW een afzonderlijk verzoek om terugbetaling of kwijtschelding moet doen waarop door de inspecteur (afzonderlijk) wordt beslist. Indien in een verzoek om terugbetaling of kwijtschelding een van de hiervoor vermelde bepalingen van het CDW wordt genoemd terwijl de daartoe aangevoerde omstandigheden niet overeenkomen met het in de desbetreffende bepaling bedoelde geval maar wel met dat bedoeld in een van de andere bepalingen, ontslaat dat de douaneautoriteiten en de rechter niet van de verplichting te onderzoeken of de in het verzoek aangevoerde omstandigheden in aanmerking komen voor toepassing van een andere bepaling (vgl. onder meer de arresten van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 7 september 1999, De Haan Beheer B.V., C-61/98, ECLI:EU:C:1999:393, punt 28, van 11 november 1999, Firma Söhl & Söhlke, C-48/98, ECLI:EU:C:1999:548, punt 89, en van 12 februari 2004, Hamann International GmbH, C-337/01, ECLI:EU:C:2004:90, punten 34 en 35).
De hiervoor in 2.1.2 weergegeven oordelen van het Hof geven derhalve blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Het middel slaagt in zoverre.
2.3.
Het middel voor het overige, waaronder de klacht die is gericht tegen het oordeel van het Hof dat de door belanghebbende aangevoerde omstandigheden niet een bijzondere situatie vormen in de zin van artikel 239 van het CDW, kan niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu het middel in zoverre niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
2.4.
Gelet op hetgeen hiervoor in 2.2 is overwogen, kan ’s Hofs uitspraak niet in stand blijven. Verwijzing moet volgen.
3Proceskosten
De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten. Door het verwijzingshof zal worden beoordeeld of aan belanghebbende voor de kosten van het geding voor het Hof, van het geding voor de Rechtbank en in verband met de behandeling van het bezwaar een vergoeding dient te worden toegekend.
4Beslissing
De Hoge Raad:
verklaart het beroep in cassatie gegrond,
vernietigt de uitspraak van het Hof,
verwijst het geding terug naar het Hof ter verdere behandeling en beslissing van de zaak met inachtneming van dit arrest, en
gelast dat de Staatssecretaris van Financiën aan belanghebbende vergoedt het door deze ter zake van de behandeling van het beroep in cassatie betaalde griffierecht ten bedrage van € 497.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J.A.C.A. Overgaauw als voorzitter, en de raadsheren E.N. Punt, P.M.F. van Loon, L.F. van Kalmthout en M.E. van Hilten, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 14 juli 2017.
nr. 15/03521
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van [X] B.V. te [Z] (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam van 9 juli 2015, nr. 14/00058, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Noord-Holland (nr. AWB 13/2498) betreffende een ten aanzien van belanghebbende gegeven beschikking op een verzoek om terugbetaling van douanerechten. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
1Geding in cassatie
Belanghebbende heeft tegen ’s Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.
De Advocaat-Generaal C.M. Ettema heeft op 17 oktober 2016 geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep in cassatie (ECLI:NL:PHR:2016:1042).
Belanghebbende heeft schriftelijk op de conclusie gereageerd.
2Beoordeling van het middel
2.1.1.
Het Hof heeft het verzoek van belanghebbende om terugbetaling respectievelijk kwijtschelding van de geheven douanerechten aangemerkt als een op de voet van artikel 239 van het Communautair Douanewetboek (hierna: het CDW) ingediend verzoek. Dit verzoek is naar het oordeel van het Hof terecht afgewezen omdat de daartoe aangevoerde omstandigheden geen bijzondere situatie vormen als bedoeld in deze bepaling in samenhang gelezen met artikel 905 van de Uitvoeringsverordening Communautair Douanewetboek.
2.1.2.
In het kader van de hiervoor in 2.1.1 bedoelde beoordeling heeft het Hof vastgesteld dat belanghebbende met het noemen van een aantal omstandigheden refereert aan artikel 220, lid 2, letter b, van het CDW op grond waarvan de douaneautoriteiten zijn gehouden af te zien van navordering van douanerechten als sprake is van een vergissing van de douaneautoriteiten en aan de in dat artikel gestelde voorwaarden is voldaan. Het Hof heeft geoordeeld dat een vergissing als bedoeld in artikel 220, lid 2, letter b, van het CDW op zichzelf geen bijzondere situatie kan vormen voor de toepassing van artikel 239 van het CDW aangezien deze bepaling ziet op terugbetaling of kwijtschelding in andere gevallen dan die bedoeld bij (onder meer) artikel 236 van het CDW. De vergissing waaraan belanghebbende refereert kan, aldus het Hof, enkel aan de orde komen in een procedure over de toepassing van artikel 236 van het CDW en niet in een procedure, zoals hier, over de toepassing van artikel 239 van het CDW.
Belanghebbendes klacht over de (niet) buitenwerkingstelling van een aantal aangiften kan naar het oordeel van het Hof evenmin tot terugbetaling op grond van artikel 239 van het CDW leiden omdat, aldus het Hof, ongeldigmaking van een aangifte op grond van artikel 66 van het CDW en artikel 251 van het CDW een recht op terugbetaling verschaft op de voet van artikel 237 van het CDW. Uit artikel 239, lid 1, van het CDW volgt, aldus het Hof, dat deze bepaling ziet op andere gevallen dan die bedoeld bij (onder meer) artikel 237 van het CDW, zodat een weigering van de inspecteur om aangiften buiten werking te stellen, geen bijzondere situatie in de zin van artikel 239 van het CDW kan vormen.
2.2.
Voor zover het middel is gericht tegen de hiervoor in 2.1.2 weergegeven oordelen van het Hof wordt het volgende overwogen.
Ingevolge artikel 239, lid 1, van het CDW kan ook tot terugbetaling of kwijtschelding van de rechten bij invoer worden overgegaan in de gevallen andere dan bedoeld in de artikelen 236, 237 en 238 van het CDW.
Uit de hiervoor vermelde bepalingen van het CDW kan – anders dan in de oordelen van het Hof ligt besloten – niet worden afgeleid dat voor toepassing van elk van de hiervoor vermelde bepalingen een afzonderlijke procedure moet worden gevoerd, in die zin dat een belanghebbende voor toepassing van een van de hiervoor vermelde bepalingen van het CDW een afzonderlijk verzoek om terugbetaling of kwijtschelding moet doen waarop door de inspecteur (afzonderlijk) wordt beslist. Indien in een verzoek om terugbetaling of kwijtschelding een van de hiervoor vermelde bepalingen van het CDW wordt genoemd terwijl de daartoe aangevoerde omstandigheden niet overeenkomen met het in de desbetreffende bepaling bedoelde geval maar wel met dat bedoeld in een van de andere bepalingen, ontslaat dat de douaneautoriteiten en de rechter niet van de verplichting te onderzoeken of de in het verzoek aangevoerde omstandigheden in aanmerking komen voor toepassing van een andere bepaling (vgl. onder meer de arresten van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 7 september 1999, De Haan Beheer B.V., C-61/98, ECLI:EU:C:1999:393, punt 28, van 11 november 1999, Firma Söhl & Söhlke, C-48/98, ECLI:EU:C:1999:548, punt 89, en van 12 februari 2004, Hamann International GmbH, C-337/01, ECLI:EU:C:2004:90, punten 34 en 35).
De hiervoor in 2.1.2 weergegeven oordelen van het Hof geven derhalve blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Het middel slaagt in zoverre.
2.3.
Het middel voor het overige, waaronder de klacht die is gericht tegen het oordeel van het Hof dat de door belanghebbende aangevoerde omstandigheden niet een bijzondere situatie vormen in de zin van artikel 239 van het CDW, kan niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu het middel in zoverre niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
2.4.
Gelet op hetgeen hiervoor in 2.2 is overwogen, kan ’s Hofs uitspraak niet in stand blijven. Verwijzing moet volgen.
3Proceskosten
De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten. Door het verwijzingshof zal worden beoordeeld of aan belanghebbende voor de kosten van het geding voor het Hof, van het geding voor de Rechtbank en in verband met de behandeling van het bezwaar een vergoeding dient te worden toegekend.
4Beslissing
De Hoge Raad:
verklaart het beroep in cassatie gegrond,
vernietigt de uitspraak van het Hof,
verwijst het geding terug naar het Hof ter verdere behandeling en beslissing van de zaak met inachtneming van dit arrest, en
gelast dat de Staatssecretaris van Financiën aan belanghebbende vergoedt het door deze ter zake van de behandeling van het beroep in cassatie betaalde griffierecht ten bedrage van € 497.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J.A.C.A. Overgaauw als voorzitter, en de raadsheren E.N. Punt, P.M.F. van Loon, L.F. van Kalmthout en M.E. van Hilten, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 14 juli 2017.