Hoge Raad
ECLI:NL:HR:2017:1222
Formele procesketen
- conclusie ECLI:NL:HR:2017:1222 → ECLI:NL:PHR:2017:584 gevolgd
Inhoudsindicatie
Profijtontneming, medeplegen van invoer van verdovende middelen en witwassen. Methode van eenvoudige kasopstelling. HR verwijst naar ECLI:NL:HR:2017:414 m.b.t. de kasopstelling en art. 36e.2 en 3 Sr. Hof heeft kennelijk geoordeeld dat de uitkomst van de gebezigde kasopstelling het door betrokkene daadwerkelijk w.v.v. representeert dat ex art. 36e.2 Sr kan worden ontnomen. Dat oordeel is ontoereikend gemotiveerd, nu het Hof in het midden heeft gelaten of dat bedrag is gerelateerd aan (uitsluitend) het bewezenverklaarde witwassen dan wel (mede) de bewezenverklaarde overtreding van de Opiumwet en/of andere strafbare feiten a.b.i. art. 36e.2 Sr en/of soortgelijke feiten en/of feiten waarvoor een geldboete van de vijfde categorie kan worden opgelegd a.b.i. art. 36e.2 (oud) Sr. V.zv. Hof tot uitdrukking zou hebben willen brengen dat het bedrag dat betrokkene meer heeft uitgegeven dan zijn legale inkomsten in de desbetreffende periode hebben bedragen, is verkregen d.m.v. of uit de baten van het bewezenverklaarde witwassen, zou dat oordeel kennelijk zijn gebaseerd op de opvatting dat dit bedrag, nu het voorwerp van witwassen was, reeds daardoor w.v.v. vormde. Die opvatting is niet juist (vgl. ECLI:NL:HR:2013:BY5217).
Citeert (2)
- ECLI:NL:HR:2017:414 Hoge Raad 14-03-2017
- ECLI:NL:HR:2013:BY5217 Hoge Raad 19-02-2013
Geciteerd door (33)
- ECLI:NL:PHR:2025:863 Parket bij de Hoge Raad 09-09-2025
- ECLI:NL:PHR:2025:875 Parket bij de Hoge Raad 26-08-2025
- ECLI:NL:PHR:2024:1335 Parket bij de Hoge Raad 09-07-2024
- ECLI:NL:PHR:2024:1335 Parket bij de Hoge Raad 09-07-2024
- ECLI:NL:PHR:2024:230 Parket bij de Hoge Raad 27-02-2024
- ECLI:NL:PHR:2022:665 Parket bij de Hoge Raad 05-07-2022
- ECLI:NL:PHR:2022:123 Parket bij de Hoge Raad 08-02-2022
- ECLI:NL:PHR:2022:38 Parket bij de Hoge Raad 18-01-2022
- ECLI:NL:PHR:2021:1151 Parket bij de Hoge Raad 07-12-2021
- ECLI:NL:PHR:2021:966 Parket bij de Hoge Raad 12-10-2021
- ECLI:NL:PHR:2021:325 Parket bij de Hoge Raad 30-03-2021
- ECLI:NL:PHR:2020:1074 Parket bij de Hoge Raad 10-11-2020
- ECLI:NL:GHSHE:2020:1332 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 16-04-2020
- ECLI:NL:PHR:2020:329 Parket bij de Hoge Raad 07-04-2020
- ECLI:NL:PHR:2020:340 Parket bij de Hoge Raad 07-04-2020
- ECLI:NL:PHR:2019:1262 Parket bij de Hoge Raad 15-10-2019
- ECLI:NL:PHR:2019:1044 Parket bij de Hoge Raad 15-10-2019
- ECLI:NL:PHR:2019:388 Parket bij de Hoge Raad 16-04-2019
- ECLI:NL:PHR:2019:333 Parket bij de Hoge Raad 09-04-2019
- ECLI:NL:PHR:2019:197 Parket bij de Hoge Raad 05-03-2019
- ECLI:NL:PHR:2019:101 Parket bij de Hoge Raad 12-02-2019
- ECLI:NL:PHR:2018:1306 Parket bij de Hoge Raad 20-11-2018
- ECLI:NL:PHR:2018:1287 Parket bij de Hoge Raad 09-10-2018
- ECLI:NL:PHR:2018:621 Parket bij de Hoge Raad 19-06-2018
- ECLI:NL:PHR:2018:621 Parket bij de Hoge Raad 19-06-2018
- ECLI:NL:PHR:2018:458 Parket bij de Hoge Raad 15-05-2018
- ECLI:NL:PHR:2018:459 Parket bij de Hoge Raad 15-05-2018
- ECLI:NL:PHR:2018:64 Parket bij de Hoge Raad 30-01-2018
- ECLI:NL:PHR:2017:1538 Parket bij de Hoge Raad 28-11-2017
- ECLI:NL:PHR:2017:1485 Parket bij de Hoge Raad 28-11-2017
- ECLI:NL:PHR:2017:1468 Parket bij de Hoge Raad 28-11-2017
- ECLI:NL:PHR:2017:1297 Parket bij de Hoge Raad 03-10-2017
- ECLI:NL:PHR:2017:974 Parket bij de Hoge Raad 29-08-2017
Volledige tekst
Volledige tekst (7.099 tekens)
Strafkamer
nr. S 15/04813 P
CeH/JHO
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam van 2 oktober 2015, nummer 23/003745-13, op een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel ten laste van:
[betrokkene]
, geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1969.
1Geding in cassatie
Het beroep is ingesteld door de betrokkene. Namens deze heeft H. Bakker, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal E.J. Hofstee heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest en tot terugwijzing van de zaak naar het Gerechtshof Amsterdam, opdat de zaak op het bestaande hoger beroep opnieuw zal worden berecht en afgedaan.
2. Beoordeling van het middel
2.1.
Het middel klaagt dat de schatting door het Hof van het door de betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel onjuist is, althans onvoldoende met redenen is omkleed.
2.2.1.
Het Hof heeft de uitspraak van de Rechtbank bevestigd voor zover daarbij het door de betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel is geschat op € 56.057,85 en heeft de betrokkene de verplichting opgelegd een bedrag van € 55.000 aan de Staat te betalen.
2.2.2.
De door het Hof bevestigde uitspraak van de Rechtbank houdt - voor zover voor de beoordeling in cassatie van belang - met betrekking tot de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel in:
"Bij vonnis van deze rechtbank van 13 mei 2011 is veroordeelde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van achttien maanden, waarbij is bewezenverklaard dat:
Feit 1 (Zaaksdossier B1)
Primair
hij op 12 september 2009 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht, al dan niet als bedoeld in artikel 1 lid 4 van de Opiumwet, een onbekend gebleven hoeveelheid verdovende middelen als bedoeld in de bij die wet behorende lijst I;
Feit 2 (Zaaksdossier B13)
hij in de periode van 1 januari 2007 tot en met 20 april 2010, te Amsterdam althans in Nederland, enig geldbedrag voorhanden heeft gehad, terwijl hij wist, dat dit geldbedrag - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf.
Op grond van deze veroordeling kan aan veroordeelde de verplichting worden opgelegd tot betaling van een geldbedrag aan de staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel, verkregen door middel van of uit de baten van de ingevolge dat vonnis bewezenverklaarde strafbare feiten.
(...)
De rechtbank is van oordeel dat op grond van het (...) straf- en ontnemingsdossier aannemelijk is geworden dat veroordeelde door middel van of uit de baten van het feit waarvoor hij bij voornoemd vonnis is veroordeeld, wederrechtelijk voordeel heeft verkregen. De rechtbank sluit bij de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel aan bij de (...) ontnemingsrapportage en de daarin genoemde bewijsmiddelen die daar als bijlagen zijn bijgevoegd en voor zover deze niet daaruit volgen, uit het vonnis van de rechtbank d.d. 13 mei 2011.
Het wederrechtelijk genoten voordeel, ten bedrage van € 56.057,85, is het resultaat, zo volgt uit het ontnemingsrapport, van een eenvoudige kasopstelling waarin alle vastgestelde legale ontvangsten en alle vastgestelde uitgaven zijn verwerkt. Uit de kasopstelling volgt dat veroordeelde in de periode van 1 januari 2007 tot en met 20 april 2010 een bedrag van € 57.571,65 (later bijgesteld naar € 56.057,85) méér heeft uitgegeven dan zijn legale inkomsten in de betreffende periode hebben bedragen."
2.3.
Het Hof is bij de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel uitgegaan van een berekeningswijze die pleegt te worden aangeduid als eenvoudige kasopstelling. Deze berekeningswijze komt niet alleen in aanmerking bij toepassing van het derde lid van art. 36e Sr, maar kan ook worden gehanteerd bij toepassing van het tweede lid van art. 36e Sr, indien het aan de hand van die berekening vastgestelde bedrag in voldoende mate kan worden gerelateerd aan het feit of de feiten waarvoor de betrokkene is veroordeeld dan wel aan andere strafbare feiten als bedoeld in art. 36e, tweede lid, Sr of, voor zover deze zijn begaan voor 1 juli 2011, soortgelijke feiten en/of feiten waarvoor een geldboete van de vijfde categorie kan worden opgelegd, als bedoeld in art. 36e, tweede lid (oud), Sr. (Vgl. HR 14 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:414, NJ 2017/151.)
2.4.
Het Hof heeft kennelijk geoordeeld dat de uitkomst van de gebezigde kasopstelling het door de betrokkene daadwerkelijk wederrechtelijk verkregen voordeel representeert dat op grond van art. 36e, tweede lid, Sr kan worden ontnomen. Dat oordeel is evenwel ontoereikend gemotiveerd. Het Hof heeft immers in het midden gelaten of dat bedrag is gerelateerd aan (uitsluitend) het bewezenverklaarde witwassen dan wel (mede) de bewezenverklaarde overtreding van de Opiumwet en/of andere strafbare feiten als bedoeld in art. 36e, tweede lid, Sr en/of, voor zover deze zijn begaan voor 1 juli 2011, soortgelijke feiten en/of feiten waarvoor een geldboete van de vijfde categorie kan worden opgelegd, als bedoeld in art. 36e, tweede lid (oud), Sr.
2.5.
Voor zover het Hof tot uitdrukking zou hebben willen brengen dat het bedrag van € 56.057,85, zijnde het bedrag dat de betrokkene in de periode van 1 januari 2007 tot en met 20 april 2010 meer heeft uitgegeven dan zijn legale inkomsten in de desbetreffende periode hebben bedragen, is verkregen door middel van of uit de baten van het bewezenverklaarde witwassen, zou dat oordeel kennelijk zijn gebaseerd op de opvatting dat genoemd bedrag, nu dit voorwerp van witwassen was, reeds daardoor wederrechtelijk voordeel vormde. Die opvatting is echter niet juist (vgl. HR 19 februari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY5217, NJ 2013/293).
2.6.
Het middel slaagt.
3Slotsom
Hetgeen hiervoor is overwogen brengt mee dat de bestreden uitspraak niet in stand kan blijven en als volgt moet worden beslist.
4Beslissing
De Hoge Raad:
vernietigt de bestreden uitspraak;
wijst de zaak terug naar het Gerechtshof Amsterdam, opdat de zaak op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan.
Dit arrest is gewezen door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren J. de Hullu en M.J. Borgers, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 4 juli 2017.