Hoge Raad
ECLI:NL:HR:2017:1174
2017-06-30
Bestuursrecht; Belastingrecht
16/05127
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Formele procesketen
- cassatie ECLI:NL:HR:2017:1174 → ECLI:NL:GHDHA:2016:2592 (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
- conclusie ECLI:NL:HR:2017:1174 → ECLI:NL:PHR:2017:248 contrair
Inhoudsindicatie
Artikel 229, lid 1, letter b, Gemeentewet. Verordening leges omgevingsvergunning 2013 gemeente Rotterdam. Vast bedrag aan leges per bouwkostenklasse (zogenaamd zaagtandtarief) niet onverbindend.
Citeert (3)
- ECLI:NL:PHR:2017:248 Parket bij de Hoge Raad 23-03-2017
- ECLI:NL:HR:2009:BI1943 Hoge Raad 14-08-2009
- ECLI:NL:HR:2014:780 Hoge Raad 04-04-2014
Geciteerd door (76)
- ECLI:NL:RBOVE:2026:5277 Rechtbank Overijssel 31-08-2026
- ECLI:NL:RBNNE:2026:2148 Rechtbank Noord-Nederland 02-06-2026
- ECLI:NL:GHARL:2026:1324 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 03-03-2026
- ECLI:NL:RBMNE:2026:678 Rechtbank Midden-Nederland 26-02-2026
- ECLI:NL:GHAMS:2025:2050 Gerechtshof Amsterdam 13-05-2025
- ECLI:NL:RBOVE:2024:3308 Rechtbank Overijssel 24-06-2024
- ECLI:NL:RBMNE:2024:1230 Rechtbank Midden-Nederland 21-02-2024
- ECLI:NL:RBOBR:2024:453 Rechtbank Oost-Brabant 09-02-2024
- ECLI:NL:PHR:2023:1209 Parket bij de Hoge Raad 22-12-2023
- ECLI:NL:PHR:2023:1209 Parket bij de Hoge Raad 22-12-2023
- ECLI:NL:PHR:2023:1197 Parket bij de Hoge Raad 22-12-2023
- ECLI:NL:RBLIM:2023:6820 Rechtbank Limburg 22-11-2023
- ECLI:NL:RBZWB:2023:6791 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 04-10-2023
- ECLI:NL:RBZWB:2023:6668 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 05-09-2023
- ECLI:NL:GHSHE:2023:2303 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 12-07-2023
- ECLI:NL:RBNHO:2023:6288 Rechtbank Noord-Holland 28-06-2023
- ECLI:NL:PHR:2023:485 Parket bij de Hoge Raad 12-05-2023
- ECLI:NL:RBMNE:2023:1778 Rechtbank Midden-Nederland 17-04-2023
- ECLI:NL:RBMNE:2023:1787 Rechtbank Midden-Nederland 14-03-2023
- ECLI:NL:RBNNE:2023:605 Rechtbank Noord-Nederland 24-02-2023
- ECLI:NL:GHSHE:2023:247 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 25-01-2023
- ECLI:NL:GHSHE:2023:246 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 25-01-2023
- ECLI:NL:RBROT:2022:9519 Rechtbank Rotterdam 02-11-2022
- ECLI:NL:RBZWB:2022:6184 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 28-10-2022
- ECLI:NL:RBGEL:2022:5491 Rechtbank Gelderland 27-09-2022
- ECLI:NL:RBMNE:2022:3340 Rechtbank Midden-Nederland 18-07-2022
- ECLI:NL:GHDHA:2022:1043 Gerechtshof Den Haag 14-06-2022
- ECLI:NL:RBROT:2022:4256 Rechtbank Rotterdam 02-06-2022
- ECLI:NL:GHAMS:2022:1373 Gerechtshof Amsterdam 26-04-2022
- ECLI:NL:GHAMS:2021:2915 Gerechtshof Amsterdam 07-10-2021
- ECLI:NL:GHAMS:2021:2915 Gerechtshof Amsterdam 07-10-2021
- ECLI:NL:RBOBR:2021:5187 Rechtbank Oost-Brabant 20-09-2021
- ECLI:NL:RBROT:2021:6380 Rechtbank Rotterdam 05-07-2021
- ECLI:NL:GHSHE:2021:627 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 19-02-2021
- ECLI:NL:RBNHO:2021:1088 Rechtbank Noord-Holland 27-01-2021
- ECLI:NL:RBNHO:2021:1087 Rechtbank Noord-Holland 27-01-2021
- ECLI:NL:RBNHO:2021:1086 Rechtbank Noord-Holland 27-01-2021
- ECLI:NL:GHSHE:2020:4102 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 31-12-2020
- ECLI:NL:PHR:2020:1143 Parket bij de Hoge Raad 30-11-2020
- ECLI:NL:PHR:2020:1143 Parket bij de Hoge Raad 30-11-2020
- ECLI:NL:PHR:2020:1143 Parket bij de Hoge Raad 30-11-2020
- ECLI:NL:PHR:2020:1142 Parket bij de Hoge Raad 30-11-2020
- ECLI:NL:PHR:2020:1142 Parket bij de Hoge Raad 30-11-2020
- ECLI:NL:PHR:2020:1142 Parket bij de Hoge Raad 30-11-2020
- ECLI:NL:RBZWB:2020:3074 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 21-07-2020
- ECLI:NL:PHR:2020:439 Parket bij de Hoge Raad 01-05-2020
- ECLI:NL:PHR:2020:439 Parket bij de Hoge Raad 01-05-2020
- ECLI:NL:RBROT:2020:3285 Rechtbank Rotterdam 10-04-2020
- ECLI:NL:RBOBR:2020:2678 Rechtbank Oost-Brabant 24-02-2020
- ECLI:NL:RBAMS:2020:937 Rechtbank Amsterdam 20-02-2020
- ECLI:NL:RBOBR:2020:829 Rechtbank Oost-Brabant 14-02-2020
- ECLI:NL:GHAMS:2020:158 Gerechtshof Amsterdam 16-01-2020
- ECLI:NL:RBOBR:2019:6941 Rechtbank Oost-Brabant 03-12-2019
- ECLI:NL:RBOBR:2019:6735 Rechtbank Oost-Brabant 22-11-2019
- ECLI:NL:RBOBR:2019:6699 Rechtbank Oost-Brabant 20-11-2019
- ECLI:NL:RBOBR:2019:4296 Rechtbank Oost-Brabant 19-07-2019
- ECLI:NL:GHSHE:2019:638 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 21-02-2019
- ECLI:NL:GHAMS:2018:4979 Gerechtshof Amsterdam 18-12-2018
- ECLI:NL:GHAMS:2018:4978 Gerechtshof Amsterdam 29-11-2018
- ECLI:NL:GHSHE:2018:4754 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 15-11-2018
Volledige tekst
Volledige tekst (5.847 tekens)
30 juni 2017
nr. 16/05127
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Rotterdam te Rotterdam (hierna: het College) tegen de uitspraak van het Gerechtshof Den Haag van 7 september 2016, nrs. BK-15/01025 en 15/01026, op het hoger beroep van de heffingsambtenaar alsmede het incidentele hoger beroep van [X] B.V. te [Z] (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraken van de Rechtbank Rotterdam (nrs. ROT 14/1911 en ROT 14/1912) betreffende de ten aanzien van belanghebbende geheven leges. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
1Geding in cassatie
Het College heeft tegen ’s Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend.
De Advocaat-Generaal R.L.H. IJzerman heeft op 23 maart 2017 geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep in cassatie (ECLI:NL:PHR:2017:248).
Het College heeft schriftelijk op de conclusie gereageerd.
2Beoordeling van de middelen
2.1.
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
2.1.1.
Belanghebbende heeft in juli 2013 twee omgevingsvergunningen aangevraagd voor woningbouwprojecten in [Q]. Als geschatte bouwkosten heeft zij opgegeven € 1.375.000 respectievelijk € 1.875.000. Van belanghebbende is voor het in behandeling nemen van deze aanvragen tweemaal € 100.335 aan leges geheven.
2.1.2.
De leges zijn geheven op basis van de tarieventabel (hierna: de tabel) die behoort bij de Verordening leges omgevingsvergunning 2013 (hierna: de Verordening). In de tabel zijn vaste legesbedragen vastgesteld voor een bepaalde bandbreedte aan bouwkosten (tariefklasse), waarbij de legesbedragen hoger worden indien een hogere tariefklasse van toepassing is.
2.2.
Voor het Hof was de verbindendheid van de tabel in geschil.
2.2.1.
Het Hof heeft geoordeeld dat toepassing van de tabel ertoe leidt dat een overschrijding van een tariefklasse met € 0,01 leidt tot een stijging van de verschuldigde leges die, zowel in absolute als in relatieve zin, willekeurig en onredelijk is. Daardoor is van enige samenhang tussen de hoogte van de bouwsom en de hoogte van de leges geen sprake.
2.2.2.
Het Hof heeft vervolgens geoordeeld dat het in de tabel opgenomen tariefsysteem leidt tot een willekeurige en onredelijke legesheffing die de wetgever bij het toekennen aan de gemeenten van de bevoegdheid tot het heffen van leges op de voet van artikel 229, lid 1, aanhef en letter b, van de Gemeentewet niet op het oog kan hebben gehad, zodat aan de tabel verbindende kracht moet worden ontzegd.
2.3.
Tegen de in 2.2 vermelde oordelen richt zich het beroep in cassatie met twee middelen.
2.3.1.
Het tweede middel bestrijdt het oordeel van het Hof dat sprake is van een willekeurige en onredelijke legesheffing die de wetgever niet op het oog kan hebben gehad.
2.3.2.
Bij de behandeling van het middel wordt vooropgesteld dat de wetgever aan gemeenten de bevoegdheid heeft gegeven om, behoudens het verbod op het hanteren van draagkracht als verdelingsmaatstaf en met inachtneming van de in de wet opgenomen beperkingen, zelf de in de belastingverordeningen op te nemen heffingsmaatstaven te kiezen voor de gemeentelijke belastingen en rechten. Het staat de gemeenten in beginsel vrij die heffingsmaatstaven op te nemen die zich het beste verstaan met het gemeentelijke beleid en de plaatselijke praktijk van de belastingheffing (zie de onderdelen 4.11 tot en met 4.17 van de conclusie van de Advocaat-Generaal). Voor de heffing van leges mogen de gemeenten daarom het tarief afhankelijk maken van de bouwsom, maar ook een andere wijze van bepaling van het tarief is toegestaan. Voor onverbindendverklaring is slechts plaats indien een regeling is getroffen die in strijd is met de wet of enig algemeen rechtsbeginsel (vgl. HR 14 augustus 2009, nr. 43120, ECLI:NL:HR:2009:BI1943, BNB 2009/276).
2.3.3.
Gelet op de hiervoor in 2.3.2 vermelde vooropstellingen staat het gemeenten vrij om voor leges tariefklassen te hanteren die gerelateerd zijn aan de hoogte van de bouwsom (vgl. HR 4 april 2014, nr. 12/05118, ECLI:NL:HR:2014:780, BNB 2014/149). Een dergelijke bepaling van het tarief is niet in strijd met de wet of met enig algemeen rechtsbeginsel.
De verschillen in belasting die in het onderhavige geval in de tabel worden gemaakt tussen de verschillende tariefklassen, zijn ook niet zodanig dat daardoor een inbreuk wordt gemaakt op het gelijkheidsbeginsel of op enig ander rechtsbeginsel.
2.3.4.
Het middel slaagt. Daaruit volgt dat het eerste middel geen behandeling behoeft. De Hoge Raad kan de zaak afdoen omdat niet in geschil is dat de heffingen zijn opgelegd in overeenstemming met de Verordening en de tabel.
3Proceskosten
De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.
4Beslissing
De Hoge Raad:
verklaart het beroep in cassatie gegrond,
vernietigt de uitspraak van het Hof alsmede de uitspraken van de Rechtbank,
verklaart de beroepen bij de Rechtbank ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de vice-president R.J. Koopman als voorzitter, en de raadsheren M.A. Fierstra, Th. Groeneveld, J. Wortel en A.F.M.Q. Beukers-van Dooren, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 30 juni 2017.
nr. 16/05127
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Rotterdam te Rotterdam (hierna: het College) tegen de uitspraak van het Gerechtshof Den Haag van 7 september 2016, nrs. BK-15/01025 en 15/01026, op het hoger beroep van de heffingsambtenaar alsmede het incidentele hoger beroep van [X] B.V. te [Z] (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraken van de Rechtbank Rotterdam (nrs. ROT 14/1911 en ROT 14/1912) betreffende de ten aanzien van belanghebbende geheven leges. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
1Geding in cassatie
Het College heeft tegen ’s Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend.
De Advocaat-Generaal R.L.H. IJzerman heeft op 23 maart 2017 geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep in cassatie (ECLI:NL:PHR:2017:248).
Het College heeft schriftelijk op de conclusie gereageerd.
2Beoordeling van de middelen
2.1.
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
2.1.1.
Belanghebbende heeft in juli 2013 twee omgevingsvergunningen aangevraagd voor woningbouwprojecten in [Q]. Als geschatte bouwkosten heeft zij opgegeven € 1.375.000 respectievelijk € 1.875.000. Van belanghebbende is voor het in behandeling nemen van deze aanvragen tweemaal € 100.335 aan leges geheven.
2.1.2.
De leges zijn geheven op basis van de tarieventabel (hierna: de tabel) die behoort bij de Verordening leges omgevingsvergunning 2013 (hierna: de Verordening). In de tabel zijn vaste legesbedragen vastgesteld voor een bepaalde bandbreedte aan bouwkosten (tariefklasse), waarbij de legesbedragen hoger worden indien een hogere tariefklasse van toepassing is.
2.2.
Voor het Hof was de verbindendheid van de tabel in geschil.
2.2.1.
Het Hof heeft geoordeeld dat toepassing van de tabel ertoe leidt dat een overschrijding van een tariefklasse met € 0,01 leidt tot een stijging van de verschuldigde leges die, zowel in absolute als in relatieve zin, willekeurig en onredelijk is. Daardoor is van enige samenhang tussen de hoogte van de bouwsom en de hoogte van de leges geen sprake.
2.2.2.
Het Hof heeft vervolgens geoordeeld dat het in de tabel opgenomen tariefsysteem leidt tot een willekeurige en onredelijke legesheffing die de wetgever bij het toekennen aan de gemeenten van de bevoegdheid tot het heffen van leges op de voet van artikel 229, lid 1, aanhef en letter b, van de Gemeentewet niet op het oog kan hebben gehad, zodat aan de tabel verbindende kracht moet worden ontzegd.
2.3.
Tegen de in 2.2 vermelde oordelen richt zich het beroep in cassatie met twee middelen.
2.3.1.
Het tweede middel bestrijdt het oordeel van het Hof dat sprake is van een willekeurige en onredelijke legesheffing die de wetgever niet op het oog kan hebben gehad.
2.3.2.
Bij de behandeling van het middel wordt vooropgesteld dat de wetgever aan gemeenten de bevoegdheid heeft gegeven om, behoudens het verbod op het hanteren van draagkracht als verdelingsmaatstaf en met inachtneming van de in de wet opgenomen beperkingen, zelf de in de belastingverordeningen op te nemen heffingsmaatstaven te kiezen voor de gemeentelijke belastingen en rechten. Het staat de gemeenten in beginsel vrij die heffingsmaatstaven op te nemen die zich het beste verstaan met het gemeentelijke beleid en de plaatselijke praktijk van de belastingheffing (zie de onderdelen 4.11 tot en met 4.17 van de conclusie van de Advocaat-Generaal). Voor de heffing van leges mogen de gemeenten daarom het tarief afhankelijk maken van de bouwsom, maar ook een andere wijze van bepaling van het tarief is toegestaan. Voor onverbindendverklaring is slechts plaats indien een regeling is getroffen die in strijd is met de wet of enig algemeen rechtsbeginsel (vgl. HR 14 augustus 2009, nr. 43120, ECLI:NL:HR:2009:BI1943, BNB 2009/276).
2.3.3.
Gelet op de hiervoor in 2.3.2 vermelde vooropstellingen staat het gemeenten vrij om voor leges tariefklassen te hanteren die gerelateerd zijn aan de hoogte van de bouwsom (vgl. HR 4 april 2014, nr. 12/05118, ECLI:NL:HR:2014:780, BNB 2014/149). Een dergelijke bepaling van het tarief is niet in strijd met de wet of met enig algemeen rechtsbeginsel.
De verschillen in belasting die in het onderhavige geval in de tabel worden gemaakt tussen de verschillende tariefklassen, zijn ook niet zodanig dat daardoor een inbreuk wordt gemaakt op het gelijkheidsbeginsel of op enig ander rechtsbeginsel.
2.3.4.
Het middel slaagt. Daaruit volgt dat het eerste middel geen behandeling behoeft. De Hoge Raad kan de zaak afdoen omdat niet in geschil is dat de heffingen zijn opgelegd in overeenstemming met de Verordening en de tabel.
3Proceskosten
De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.
4Beslissing
De Hoge Raad:
verklaart het beroep in cassatie gegrond,
vernietigt de uitspraak van het Hof alsmede de uitspraken van de Rechtbank,
verklaart de beroepen bij de Rechtbank ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de vice-president R.J. Koopman als voorzitter, en de raadsheren M.A. Fierstra, Th. Groeneveld, J. Wortel en A.F.M.Q. Beukers-van Dooren, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 30 juni 2017.