Hoge Raad
ECLI:NL:HR:2017:1093
2017-06-13
Strafrecht
15/03268
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Formele procesketen
- conclusie ECLI:NL:HR:2017:1093 → ECLI:NL:PHR:2017:451 gevolgd
Inhoudsindicatie
Openlijke geweldpleging in ziekenhuis, art. 141.1 Sr. Slagende bewijsklacht “in vereniging” plegen van geweld. HR herhaalt relevante overwegingen uit ECLI:NL:HR:2003:AL6209 en ECLI:NL:HR:2015: 713 m.b.t. het “in vereniging” plegen van geweld. T.a.v. de rol van verdachte bij het bewezenverklaarde geweld kan niet meer worden vastgesteld dan dat hij - nadat X door zijn medeverdachte Y met een ploertendoder op een hand was geslagen en nadat X was weggerend, waarbij hij werd achtervolgd door Y - ook achter X is aangerend, op enkele meters afstand van Y. Het behoeft nadere motivering waarom verdachte daarmee “een wezenlijke bijdrage” aan het jegens X gepleegde geweld heeft geleverd. Samenhang met 15/02995.
Citeert (1)
- ECLI:NL:HR:2003:AL6209 Hoge Raad 11-11-2003
Geciteerd door (65)
- ECLI:NL:GHDHA:2026:2514 Gerechtshof Den Haag 16-07-2026
- ECLI:NL:GHDHA:2026:2318 Gerechtshof Den Haag 16-07-2026
- ECLI:NL:GHDHA:2026:2321 Gerechtshof Den Haag 16-07-2026
- ECLI:NL:GHDHA:2026:2323 Gerechtshof Den Haag 16-07-2026
- ECLI:NL:PHR:2026:577 Parket bij de Hoge Raad 30-06-2026
- ECLI:NL:GHSHE:2025:3737 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 30-12-2025
- ECLI:NL:GHSHE:2025:3736 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 30-12-2025
- ECLI:NL:RBZWB:2025:4581 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 15-07-2025
- ECLI:NL:PHR:2025:219 Parket bij de Hoge Raad 18-02-2025
- ECLI:NL:PHR:2025:220 Parket bij de Hoge Raad 18-02-2025
- ECLI:NL:PHR:2025:218 Parket bij de Hoge Raad 18-02-2025
- ECLI:NL:RBDHA:2024:19605 Rechtbank Den Haag 26-11-2024
- ECLI:NL:RBDHA:2024:19599 Rechtbank Den Haag 26-11-2024
- ECLI:NL:RBDHA:2024:19612 Rechtbank Den Haag 26-11-2024
- ECLI:NL:RBDHA:2024:19613 Rechtbank Den Haag 26-11-2024
- ECLI:NL:RBDHA:2024:19614 Rechtbank Den Haag 26-11-2024
- ECLI:NL:RBDHA:2024:19608 Rechtbank Den Haag 26-11-2024
- ECLI:NL:RBDHA:2024:19615 Rechtbank Den Haag 26-11-2024
- ECLI:NL:RBDHA:2024:19594 Rechtbank Den Haag 26-11-2024
- ECLI:NL:RBDHA:2024:19597 Rechtbank Den Haag 26-11-2024
- ECLI:NL:RBDHA:2024:19596 Rechtbank Den Haag 26-11-2024
- ECLI:NL:RBDHA:2024:19601 Rechtbank Den Haag 26-11-2024
- ECLI:NL:RBDHA:2024:19602 Rechtbank Den Haag 26-11-2024
- ECLI:NL:PHR:2024:1144 Parket bij de Hoge Raad 19-11-2024
- ECLI:NL:RBDHA:2024:11226 Rechtbank Den Haag 19-07-2024
- ECLI:NL:RBDHA:2024:11227 Rechtbank Den Haag 19-07-2024
- ECLI:NL:RBDHA:2024:11228 Rechtbank Den Haag 19-07-2024
- ECLI:NL:RBDHA:2024:11229 Rechtbank Den Haag 19-07-2024
- ECLI:NL:RBDHA:2024:11225 Rechtbank Den Haag 19-07-2024
- ECLI:NL:RBDHA:2024:11224 Rechtbank Den Haag 19-07-2024
- ECLI:NL:RBDHA:2024:11232 Rechtbank Den Haag 19-07-2024
- ECLI:NL:RBDHA:2024:11219 Rechtbank Den Haag 19-07-2024
- ECLI:NL:PHR:2024:343 Parket bij de Hoge Raad 26-03-2024
- ECLI:NL:PHR:2024:196 Parket bij de Hoge Raad 27-02-2024
- ECLI:NL:PHR:2024:196 Parket bij de Hoge Raad 27-02-2024
- ECLI:NL:GHSHE:2023:2630 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 15-08-2023
- ECLI:NL:GHSHE:2023:1784 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 24-05-2023
- ECLI:NL:GHSHE:2023:140 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 23-01-2023
- ECLI:NL:GHSHE:2022:3982 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 11-11-2022
- ECLI:NL:RBZWB:2022:3047 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 07-06-2022
- ECLI:NL:RBZWB:2022:3051 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 07-06-2022
- ECLI:NL:RBZWB:2022:3048 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 07-06-2022
- ECLI:NL:RBZWB:2022:2779 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 23-05-2022
- ECLI:NL:RBZWB:2022:2783 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 23-05-2022
- ECLI:NL:RBZWB:2022:2781 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 23-05-2022
- ECLI:NL:RBZWB:2022:2776 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 23-05-2022
- ECLI:NL:RBZWB:2022:2780 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 23-05-2022
- ECLI:NL:RBZWB:2022:2777 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 23-05-2022
- ECLI:NL:PHR:2022:465 Parket bij de Hoge Raad 17-05-2022
- ECLI:NL:PHR:2022:465 Parket bij de Hoge Raad 17-05-2022
- ECLI:NL:GHSHE:2022:700 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 08-03-2022
- ECLI:NL:RBGEL:2022:686 Rechtbank Gelderland 10-02-2022
- ECLI:NL:GHSHE:2021:3242 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 27-10-2021
- ECLI:NL:PHR:2021:190 Parket bij de Hoge Raad 02-03-2021
- ECLI:NL:GHDHA:2020:1355 Gerechtshof Den Haag 27-07-2020
- ECLI:NL:GHDHA:2020:1411 Gerechtshof Den Haag 27-07-2020
- ECLI:NL:GHSHE:2019:3507 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 27-09-2019
- ECLI:NL:GHAMS:2019:196 Gerechtshof Amsterdam 25-01-2019
- ECLI:NL:GHAMS:2019:195 Gerechtshof Amsterdam 25-01-2019
- ECLI:NL:GHAMS:2019:194 Gerechtshof Amsterdam 25-01-2019
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (12.818 tekens)
13 juni 2017
Strafkamer
nr. S 15/03268
MD/SSA
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, van 26 juni 2015, nummer 24/001717-11, in de strafzaak tegen:
[verdachte]
, geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1984.
1Geding in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. M.M.A.J. Goris, advocaat te Almelo, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal A.E. Harteveld heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest maar uitsluitend wat betreft de beslissingen ten aanzien van het onder 3 tenlastegelegde feit en de strafoplegging, tot terugwijzing van de zaak naar het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden en tot verwerping van het beroep voor het overige.
2Beoordeling van het eerste middel
Het middel kan niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81, eerste lid, RO, geen nadere motivering nu het middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
3Beoordeling van het tweede middel
3.1.
Het middel komt met rechts- en motiveringsklachten op tegen de bewezenverklaring van het onder 3 tenlastegelegde. Het voert daartoe aan dat het Hof ten onrechte heeft geoordeeld dat de bijdrage van de verdachte van voldoende gewicht is om ten aanzien van hem te kunnen spreken van het "in vereniging" plegen van het bewezenverklaarde geweld.
3.2.1.
Overeenkomstig de tenlastelegging is onder 3 ten laste van de verdachte bewezenverklaard dat:
"hij op 3 februari 2011 te Groningen met een ander op een voor het publiek toegankelijke plaats, te weten het Universitair Medisch Centrum Groningen, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [betrokkene 6] , welk geweld bestond uit het dreigend en zichtbaar een mes en ploertendoder pakken en vasthouden en openschuiven, zwaaien met en slaan op de hand van [betrokkene 6] met die ploertendoder, en achtervolgen van bovengenoemde persoon met die ploertendoder en dat mes in de hand tot in de hal."
3.2.2.
Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:
"24. Een proces-verbaal (algemeen relaas), op ambtsbelofte opgemaakt op 6 mei 2011 door [verbalisant 1] , hoofdagent van de politie Groningen, opgenomen in de pagina's 1 t/m 90 van het hierboven onder 1 genoemde dossier, voor zover inhoudende zakelijk weergegeven als relaas van de verbalisant:
(...)
(op pagina 34):
In de ochtend van 3 februari 2011 werd een diefstal met geweld gepleegd in de woning [a-straat 1] te Assen. Slachtoffer was [betrokkene 3] . Daaropvolgend werd door een groep personen rondom [betrokkene 3] verhaal gehaald in een woning [b-straat 1] in Groningen.
(op pagina 33):
Op 3 februari 2011 werd [medeverdachte] in de woning (het hof begrijpt: de woning [b-straat 1] in Groningen) aangevallen en raakte hij gewond.
(op pagina 34):
Omstreeks 09.45 uur kwam bij de politie een melding binnen over een vechtpartij op straat ter hoogte van perceel [b-straat 1] in Groningen.
Bij de politie kwam een melding dat in het Universitair Medisch Centrum Groningen te Groningen een persoon liep die met een mes dreigde. Vervolgens kwam hierop een aanvulling dat deze melding in verband stond met de melding aan de [b-straat] waarbij sprake was van vuurwapengebruik en het gebruik van een mes.
25. De verklaring van de verdachte, afgelegd ter terechtzitting van de rechtbank op 8 juli 2011, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
Er kwam nog iemand (het hof begrijpt: [betrokkene 6] ) vanaf de richting van de hoofdingang en die stond bedreigend voor [medeverdachte] (het hof begrijpt: [medeverdachte] ). [betrokkene 1] (het hof begrijpt: [betrokkene 1] ) en ik zijn toen achter hem aan gerend om te zorgen dat hij weg ging. [betrokkene 1] liep 2 tot 3 meter voor mij. Die man is alleen maar weggerend.
26. Een proces-verbaal van verhoor verdachte, op ambtsbelofte opgemaakt op 10 februari 2011 door [verbalisant 2] voornoemd en [verbalisant 3] voornoemd, opgenomen in de pagina's 25 t/m 31 van het persoonsdossier van de verdachte [betrokkene 6] in de ordner Onderzoeksdossier Verdachten 2 van het hierboven onder 1 genoemde dossier, voor zover inhoudende zakelijk weergegeven:
als relaas van de verbalisanten:
We gaan nu praten over de gebeurtenissen van 3 februari 2011.
als verklaring van [betrokkene 6] :
Ik ben naar Groningen gegaan.
In het ziekenhuis ben ik naar de spoedopvang gelopen. Ik zag dat een jongen mij wilde aanvallen. Ik heb deze jongen een klap gegeven met mijn vuist in zijn gezicht. Ik zag dat de andere jongen (het hof begrijpt: [betrokkene 1] ) een soort stok pakte achter zijn broeksband. Deze stok schoof uit. Ik heb van deze jongen een klap gekregen op mijn handen. De man die op de grond was gevallen, stond vervolgens op en heeft een mes gepakt uit zijn broeksband. Ik ben toen richting hoofdingang gerend.
27. Een proces-verbaal van verhoor verdachte, op ambtsbelofte opgemaakt op 16 februari 2011 door [verbalisant 2] voornoemd en [verbalisant 3] voornoemd, opgenomen in de pagina's 58 t/m 68 van het persoonsdossier van de verdachte [betrokkene 4] in de ordner Onderzoeksdossier Verdachten 1 van het hierboven onder 1 genoemde dossier, voor zover inhoudende zakelijk weergegeven als verklaring van [betrokkene 4] :
In het ziekenhuis heeft [betrokkene 4] (het hof begrijpt: [betrokkene 6] ) een klap op zijn arm gekregen van [betrokkene 1] met een ploertendoder. Ik zag [betrokkene 4] hard weglopen na die klap van [betrokkene 1] , in de richting van de Fonteinstraat. [betrokkene 1] liep met de ploertendoder in zijn hand achter [betrokkene 4] aan.
28. Een proces-verbaal van verhoor verdachte, op ambtsbelofte/ambtseed opgemaakt op 4 februari 2011 door [verbalisant 4] voornoemd en [verbalisant 5] voornoemd, opgenomen in de pagina's 19 t/m 34 van het persoonsdossier van de verdachte [betrokkene 1] in de ordner Onderzoeksdossier Verdachten 1 van het hierboven onder 1 genoemde dossier, voor zover inhoudende zakelijk weergegeven als verklaring van [betrokkene 1] :
Gisteren ben ik in Groningen met mijn oom, [medeverdachte] , naar het ziekenhuis gegaan. Er kwam een man (het hof begrijpt: [betrokkene 6] ) door de deur de spoedeisende hulp op. Ik heb toen een slaande beweging gemaakt met mijn gummiknuppel. Daarbij heb ik volgens mij zijn vinger geraakt. Toen zag ik hem de deur door lopen de grote hal in. Ik ben achter hem aangelopen. Toen zag ik [verdachte] (het hof begrijpt: de verdachte: [verdachte] ) achter mij aan lopen."
3.2.3.
Het Hof heeft ten aanzien van de bewezenverklaring voorts het volgende overwogen:
"Overweging met betrekking tot het bewijs voor het onder 3 ten laste gelegde.
De verdachte heeft ontkend zich schuldig te hebben gemaakt aan de onder 3 aan hem ten laste gelegde openlijke geweldpleging.
De verdediging heeft aangevoerd dat uitsluitend geweld is aangewend door [betrokkene 1] en dat de verdachte daaraan geen significante bijdrage heeft geleverd en geen (voorwaardelijk) opzet op geweldpleging heeft gehad.
Het hof stelt voorop dat in het Universitair Medisch Centrum Groningen twee van elkaar te onderscheiden geweldsincidenten hebben plaatsgevonden. Eerst vond daar een confrontatie plaats tussen [betrokkene 7] en [medeverdachte] . (...) Bij dat incident kan in de beschikbare bewijsmiddelen geen betrokkenheid van de verdachte worden ontwaard.
Dat is anders waar het betreft het tweede incident, dat plaatsvond tussen [betrokkene 1] en de verdachte enerzijds en [betrokkene 6] anderzijds. [betrokkene 1] gebruikt daarbij geweld tegen [betrokkene 6] , waarop laatstgenoemde wegrent. [betrokkene 6] wordt hierop achterna gerend door [betrokkene 1] en de verdachte. Met die enkele handeling levert de verdachte reeds een wezenlijke bijdrage aan het openlijk geweld jegens [betrokkene 6] , aangezien hij daarmee de gewelddadige handelingen van [betrokkene 1] heeft ondersteund op een wijze die uitgaat boven een louter getalsmatige versterking. De handelingen van de verdachte en genoemde medeverdachte kunnen immers niet los worden gezien van de ernstige gewelddadigheden in de voorafgaande nacht tussen de groep [betrokkene 3] en de groep [medeverdachte] . Daarin lag juist de reden voor de voortzetting van het geweld tussen de rivaliserende groepen in het ziekenhuis.
Anders dan de verdediging heeft aangevoerd is een wezenlijke bijdrage in het kader van openlijke geweldpleging niet slechts dan aanwezig wanneer een verdachte welbewust een bijna zekere confrontatie heeft opgezocht en bovendien vervolgens gedurende enige tijd is meegegaan in een aanvalsgolf.
Dat de verdachte opzet had op openlijke geweldpleging jegens [betrokkene 6] leidt het hof af uit de uiterlijke verschijningsvorm van het handelen van de verdachte en zijn medeverdachte, zeker binnen de normale sfeer van een ziekenhuis, waar in het belang van patiënten en bezoekers volstrekte rust moet heersen. Niet aannemelijk is geworden dat de verdachte in het geheel niet heeft waargenomen dat door [betrokkene 1] enig geweld werd uitgeoefend jegens [betrokkene 6] .
Op grond van het bovenstaande verwerpt het hof het bewijsverweer van de verdediging."
3.3.
De tenlastelegging is toegesneden op art. 141 Sr. Daarom moeten de in de tenlastelegging voorkomende woorden "in vereniging" geacht worden aldaar te zijn gebezigd in dezelfde betekenis als daaraan toekomt in het eerste lid van dat artikel.
3.4.
Blijkens de wetsgeschiedenis, zoals weergegeven in HR 11 november 2003, ECLI:NL:HR:2003:AL6209, is van het "in vereniging" plegen van geweld sprake indien de betrokkene een voldoende significante of wezenlijke bijdrage levert aan het geweld, zij het dat deze bijdrage zelf niet van gewelddadige aard behoeft te zijn. De enkele omstandigheid dat iemand aanwezig is in een groep die openlijk geweld pleegt, is dus niet zonder meer voldoende om hem te kunnen aanmerken als iemand die "in vereniging" geweld pleegt. De rechter zal moeten beoordelen of de door de verdachte geleverde - intellectuele en/of materiële - bijdrage aan het delict van voldoende gewicht is (vgl. HR 24 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015: 713, rov. 3.2.1 en 3.2.2).
3.5.
De bewijsvoering van het Hof biedt onvoldoende grond voor diens oordeel dat de bijdrage van de verdachte van voldoende gewicht is om ten aanzien van hem te kunnen spreken van het "in vereniging" plegen van het bewezenverklaarde geweld. Ten aanzien van de rol van de verdachte bij dat geweld kan niet meer worden afgeleid dan dat hij - nadat [betrokkene 6] door [medeverdachte] met een ploertendoder op een hand was geslagen en nadat [betrokkene 6] was weggerend, waarbij hij werd achtervolgd door [medeverdachte] - ook achter [betrokkene 6] is aangerend, op enkele meters afstand van [medeverdachte] . Het behoeft nadere motivering waarom de verdachte daarmee "een wezenlijke bijdrage" aan het jegens [betrokkene 6] gepleegde geweld heeft geleverd.
3.6.
Het middel is terecht voorgesteld.
4Slotsom
Nu de Hoge Raad geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, brengt hetgeen hiervoor is overwogen mee dat als volgt moet worden beslist.
5Beslissing
De Hoge Raad:
vernietigt de bestreden uitspraak maar uitsluitend wat betreft de beslissingen ter zake van het onder 3 tenlastegelegde en de strafoplegging;
wijst de zaak terug naar het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, opdat de zaak in zoverre op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan;
verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren V. van den Brink en A.L.J. van Strien, in bijzijn van de waarnemend griffier A.C. ten Klooster, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 13 juni 2017.
Strafkamer
nr. S 15/03268
MD/SSA
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, van 26 juni 2015, nummer 24/001717-11, in de strafzaak tegen:
[verdachte]
, geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1984.
1Geding in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. M.M.A.J. Goris, advocaat te Almelo, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal A.E. Harteveld heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest maar uitsluitend wat betreft de beslissingen ten aanzien van het onder 3 tenlastegelegde feit en de strafoplegging, tot terugwijzing van de zaak naar het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden en tot verwerping van het beroep voor het overige.
2Beoordeling van het eerste middel
Het middel kan niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81, eerste lid, RO, geen nadere motivering nu het middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
3Beoordeling van het tweede middel
3.1.
Het middel komt met rechts- en motiveringsklachten op tegen de bewezenverklaring van het onder 3 tenlastegelegde. Het voert daartoe aan dat het Hof ten onrechte heeft geoordeeld dat de bijdrage van de verdachte van voldoende gewicht is om ten aanzien van hem te kunnen spreken van het "in vereniging" plegen van het bewezenverklaarde geweld.
3.2.1.
Overeenkomstig de tenlastelegging is onder 3 ten laste van de verdachte bewezenverklaard dat:
"hij op 3 februari 2011 te Groningen met een ander op een voor het publiek toegankelijke plaats, te weten het Universitair Medisch Centrum Groningen, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [betrokkene 6] , welk geweld bestond uit het dreigend en zichtbaar een mes en ploertendoder pakken en vasthouden en openschuiven, zwaaien met en slaan op de hand van [betrokkene 6] met die ploertendoder, en achtervolgen van bovengenoemde persoon met die ploertendoder en dat mes in de hand tot in de hal."
3.2.2.
Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:
"24. Een proces-verbaal (algemeen relaas), op ambtsbelofte opgemaakt op 6 mei 2011 door [verbalisant 1] , hoofdagent van de politie Groningen, opgenomen in de pagina's 1 t/m 90 van het hierboven onder 1 genoemde dossier, voor zover inhoudende zakelijk weergegeven als relaas van de verbalisant:
(...)
(op pagina 34):
In de ochtend van 3 februari 2011 werd een diefstal met geweld gepleegd in de woning [a-straat 1] te Assen. Slachtoffer was [betrokkene 3] . Daaropvolgend werd door een groep personen rondom [betrokkene 3] verhaal gehaald in een woning [b-straat 1] in Groningen.
(op pagina 33):
Op 3 februari 2011 werd [medeverdachte] in de woning (het hof begrijpt: de woning [b-straat 1] in Groningen) aangevallen en raakte hij gewond.
(op pagina 34):
Omstreeks 09.45 uur kwam bij de politie een melding binnen over een vechtpartij op straat ter hoogte van perceel [b-straat 1] in Groningen.
Bij de politie kwam een melding dat in het Universitair Medisch Centrum Groningen te Groningen een persoon liep die met een mes dreigde. Vervolgens kwam hierop een aanvulling dat deze melding in verband stond met de melding aan de [b-straat] waarbij sprake was van vuurwapengebruik en het gebruik van een mes.
25. De verklaring van de verdachte, afgelegd ter terechtzitting van de rechtbank op 8 juli 2011, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
Er kwam nog iemand (het hof begrijpt: [betrokkene 6] ) vanaf de richting van de hoofdingang en die stond bedreigend voor [medeverdachte] (het hof begrijpt: [medeverdachte] ). [betrokkene 1] (het hof begrijpt: [betrokkene 1] ) en ik zijn toen achter hem aan gerend om te zorgen dat hij weg ging. [betrokkene 1] liep 2 tot 3 meter voor mij. Die man is alleen maar weggerend.
26. Een proces-verbaal van verhoor verdachte, op ambtsbelofte opgemaakt op 10 februari 2011 door [verbalisant 2] voornoemd en [verbalisant 3] voornoemd, opgenomen in de pagina's 25 t/m 31 van het persoonsdossier van de verdachte [betrokkene 6] in de ordner Onderzoeksdossier Verdachten 2 van het hierboven onder 1 genoemde dossier, voor zover inhoudende zakelijk weergegeven:
als relaas van de verbalisanten:
We gaan nu praten over de gebeurtenissen van 3 februari 2011.
als verklaring van [betrokkene 6] :
Ik ben naar Groningen gegaan.
In het ziekenhuis ben ik naar de spoedopvang gelopen. Ik zag dat een jongen mij wilde aanvallen. Ik heb deze jongen een klap gegeven met mijn vuist in zijn gezicht. Ik zag dat de andere jongen (het hof begrijpt: [betrokkene 1] ) een soort stok pakte achter zijn broeksband. Deze stok schoof uit. Ik heb van deze jongen een klap gekregen op mijn handen. De man die op de grond was gevallen, stond vervolgens op en heeft een mes gepakt uit zijn broeksband. Ik ben toen richting hoofdingang gerend.
27. Een proces-verbaal van verhoor verdachte, op ambtsbelofte opgemaakt op 16 februari 2011 door [verbalisant 2] voornoemd en [verbalisant 3] voornoemd, opgenomen in de pagina's 58 t/m 68 van het persoonsdossier van de verdachte [betrokkene 4] in de ordner Onderzoeksdossier Verdachten 1 van het hierboven onder 1 genoemde dossier, voor zover inhoudende zakelijk weergegeven als verklaring van [betrokkene 4] :
In het ziekenhuis heeft [betrokkene 4] (het hof begrijpt: [betrokkene 6] ) een klap op zijn arm gekregen van [betrokkene 1] met een ploertendoder. Ik zag [betrokkene 4] hard weglopen na die klap van [betrokkene 1] , in de richting van de Fonteinstraat. [betrokkene 1] liep met de ploertendoder in zijn hand achter [betrokkene 4] aan.
28. Een proces-verbaal van verhoor verdachte, op ambtsbelofte/ambtseed opgemaakt op 4 februari 2011 door [verbalisant 4] voornoemd en [verbalisant 5] voornoemd, opgenomen in de pagina's 19 t/m 34 van het persoonsdossier van de verdachte [betrokkene 1] in de ordner Onderzoeksdossier Verdachten 1 van het hierboven onder 1 genoemde dossier, voor zover inhoudende zakelijk weergegeven als verklaring van [betrokkene 1] :
Gisteren ben ik in Groningen met mijn oom, [medeverdachte] , naar het ziekenhuis gegaan. Er kwam een man (het hof begrijpt: [betrokkene 6] ) door de deur de spoedeisende hulp op. Ik heb toen een slaande beweging gemaakt met mijn gummiknuppel. Daarbij heb ik volgens mij zijn vinger geraakt. Toen zag ik hem de deur door lopen de grote hal in. Ik ben achter hem aangelopen. Toen zag ik [verdachte] (het hof begrijpt: de verdachte: [verdachte] ) achter mij aan lopen."
3.2.3.
Het Hof heeft ten aanzien van de bewezenverklaring voorts het volgende overwogen:
"Overweging met betrekking tot het bewijs voor het onder 3 ten laste gelegde.
De verdachte heeft ontkend zich schuldig te hebben gemaakt aan de onder 3 aan hem ten laste gelegde openlijke geweldpleging.
De verdediging heeft aangevoerd dat uitsluitend geweld is aangewend door [betrokkene 1] en dat de verdachte daaraan geen significante bijdrage heeft geleverd en geen (voorwaardelijk) opzet op geweldpleging heeft gehad.
Het hof stelt voorop dat in het Universitair Medisch Centrum Groningen twee van elkaar te onderscheiden geweldsincidenten hebben plaatsgevonden. Eerst vond daar een confrontatie plaats tussen [betrokkene 7] en [medeverdachte] . (...) Bij dat incident kan in de beschikbare bewijsmiddelen geen betrokkenheid van de verdachte worden ontwaard.
Dat is anders waar het betreft het tweede incident, dat plaatsvond tussen [betrokkene 1] en de verdachte enerzijds en [betrokkene 6] anderzijds. [betrokkene 1] gebruikt daarbij geweld tegen [betrokkene 6] , waarop laatstgenoemde wegrent. [betrokkene 6] wordt hierop achterna gerend door [betrokkene 1] en de verdachte. Met die enkele handeling levert de verdachte reeds een wezenlijke bijdrage aan het openlijk geweld jegens [betrokkene 6] , aangezien hij daarmee de gewelddadige handelingen van [betrokkene 1] heeft ondersteund op een wijze die uitgaat boven een louter getalsmatige versterking. De handelingen van de verdachte en genoemde medeverdachte kunnen immers niet los worden gezien van de ernstige gewelddadigheden in de voorafgaande nacht tussen de groep [betrokkene 3] en de groep [medeverdachte] . Daarin lag juist de reden voor de voortzetting van het geweld tussen de rivaliserende groepen in het ziekenhuis.
Anders dan de verdediging heeft aangevoerd is een wezenlijke bijdrage in het kader van openlijke geweldpleging niet slechts dan aanwezig wanneer een verdachte welbewust een bijna zekere confrontatie heeft opgezocht en bovendien vervolgens gedurende enige tijd is meegegaan in een aanvalsgolf.
Dat de verdachte opzet had op openlijke geweldpleging jegens [betrokkene 6] leidt het hof af uit de uiterlijke verschijningsvorm van het handelen van de verdachte en zijn medeverdachte, zeker binnen de normale sfeer van een ziekenhuis, waar in het belang van patiënten en bezoekers volstrekte rust moet heersen. Niet aannemelijk is geworden dat de verdachte in het geheel niet heeft waargenomen dat door [betrokkene 1] enig geweld werd uitgeoefend jegens [betrokkene 6] .
Op grond van het bovenstaande verwerpt het hof het bewijsverweer van de verdediging."
3.3.
De tenlastelegging is toegesneden op art. 141 Sr. Daarom moeten de in de tenlastelegging voorkomende woorden "in vereniging" geacht worden aldaar te zijn gebezigd in dezelfde betekenis als daaraan toekomt in het eerste lid van dat artikel.
3.4.
Blijkens de wetsgeschiedenis, zoals weergegeven in HR 11 november 2003, ECLI:NL:HR:2003:AL6209, is van het "in vereniging" plegen van geweld sprake indien de betrokkene een voldoende significante of wezenlijke bijdrage levert aan het geweld, zij het dat deze bijdrage zelf niet van gewelddadige aard behoeft te zijn. De enkele omstandigheid dat iemand aanwezig is in een groep die openlijk geweld pleegt, is dus niet zonder meer voldoende om hem te kunnen aanmerken als iemand die "in vereniging" geweld pleegt. De rechter zal moeten beoordelen of de door de verdachte geleverde - intellectuele en/of materiële - bijdrage aan het delict van voldoende gewicht is (vgl. HR 24 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015: 713, rov. 3.2.1 en 3.2.2).
3.5.
De bewijsvoering van het Hof biedt onvoldoende grond voor diens oordeel dat de bijdrage van de verdachte van voldoende gewicht is om ten aanzien van hem te kunnen spreken van het "in vereniging" plegen van het bewezenverklaarde geweld. Ten aanzien van de rol van de verdachte bij dat geweld kan niet meer worden afgeleid dan dat hij - nadat [betrokkene 6] door [medeverdachte] met een ploertendoder op een hand was geslagen en nadat [betrokkene 6] was weggerend, waarbij hij werd achtervolgd door [medeverdachte] - ook achter [betrokkene 6] is aangerend, op enkele meters afstand van [medeverdachte] . Het behoeft nadere motivering waarom de verdachte daarmee "een wezenlijke bijdrage" aan het jegens [betrokkene 6] gepleegde geweld heeft geleverd.
3.6.
Het middel is terecht voorgesteld.
4Slotsom
Nu de Hoge Raad geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, brengt hetgeen hiervoor is overwogen mee dat als volgt moet worden beslist.
5Beslissing
De Hoge Raad:
vernietigt de bestreden uitspraak maar uitsluitend wat betreft de beslissingen ter zake van het onder 3 tenlastegelegde en de strafoplegging;
wijst de zaak terug naar het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, opdat de zaak in zoverre op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan;
verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren V. van den Brink en A.L.J. van Strien, in bijzijn van de waarnemend griffier A.C. ten Klooster, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 13 juni 2017.