Hoge Raad
ECLI:NL:HR:2016:961
Formele procesketen
- cassatie ECLI:NL:HR:2016:961 → ECLI:NL:GHAMS:2014:4110 bekrachtiging/bevestiging
- conclusie ECLI:NL:HR:2016:961 → ECLI:NL:PHR:2016:394 gevolgd
Inhoudsindicatie
Medeplegen van diefstal gevolgd van geweld en bedreiging met geweld tegen een politieagent o.a. door tegen de politieauto aan te rijden. Klacht met verwijzing naar de Nijmeegse scooterzaak over het bewezenverklaarde medeplegen van (bedreiging met) geweld, nu het hof niet heeft vastgesteld wie de bestuurder van de auto is geweest. CAG: ‘s Hofs kennelijke oordeel dat het betrekkelijk onverschillig is wie er achter het stuur heeft gezeten nu verdachten voldoende nauw en bewust met elkaar hebben samengewerkt en verdachte de aanmerkelijke kans op de koop heeft toegenomen dat de bestuurder tegen de politieauto met daarin politieagent X zou aanrijden, geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting omtrent medeplegen, en is niet onbegrijpelijk. HR: art. 81.1 RO. Samenhang met 14/05109.
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (1.439 tekens)
Strafkamer
nr. S 15/02438
BKL
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Amsterdam van 3 oktober 2014, nummer 23/004777-12, in de strafzaak tegen:
[verdachte]
, geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1989.
1Geding in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft G. Spong, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal P.C. Vegter heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
De raadsman heeft daarop schriftelijk gereageerd.
2Beoordeling van het middel
Het middel kan niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81, eerste lid, RO, geen nadere motivering nu het middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
3Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren J. de Hullu en Y. Buruma, in bijzijn van de griffier S.P. Bakker, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 24 mei 2016.