Hoge Raad
ECLI:NL:HR:2016:2787
2016-12-09
Bestuursrecht; Belastingrecht
16/01203
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Art. 1, letter b, en art. 3, lid 2, Besluit proceskosten bestuursrecht. Geen afzonderlijke vergoeding voor taxatiekaart in aanvulling op eerder taxatierapport. Begrip ‘samenhangende zaken’ m.i.v. 2015; geen ‘abstracte toets’ (vgl. BNB 2016/122).
Citeert (1)
- ECLI:NL:HR:2016:420 Hoge Raad 18-03-2016
Geciteerd door (6)
- ECLI:NL:RBOBR:2021:5827 Rechtbank Oost-Brabant 10-11-2021
- ECLI:NL:RBOBR:2019:6190 Rechtbank Oost-Brabant 28-10-2019
- ECLI:NL:RBMNE:2018:3915 Rechtbank Midden-Nederland 27-07-2018
- ECLI:NL:RBMNE:2018:3532 Rechtbank Midden-Nederland 19-07-2018
- ECLI:NL:GHSHE:2017:2502 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 02-06-2017
- ECLI:NL:GHARL:2016:10036 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 13-12-2016
Volledige tekst
Volledige tekst (3.437 tekens)
9 december 2016
nr. 16/01203
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Hilversum (hierna: het College) tegen de uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 26 januari 2016, nr. 15/00755, op het hoger beroep van [X] te [Z] (hierna: belanghebbende) tegen een uitspraak van de Rechtbank Midden-Nederland (nr. UTR 14/6264) betreffende de ten aanzien van belanghebbende gegeven beschikking op grond van de Wet waardering onroerende zaken betreffende de onroerende zaak [a-straat 1] te [Z]. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
1Geding in cassatie
Het College heeft tegen ’s Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend.
2Beoordeling van de klachten
2.1.
Belanghebbende heeft in de bezwaarfase een taxatierapport laten opstellen. Naar aanleiding van het standpunt van de heffingsambtenaar in de uitspraak op bezwaar heeft belanghebbende een taxatiekaart laten opstellen met daarin opgenomen een extra vergelijkingsobject en aanvullende informatie omtrent een reeds aangevoerd vergelijkingsobject. Het Hof heeft aan belanghebbende een vergoeding toegekend voor de kosten van het taxatierapport op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: het Bpb). Het Hof heeft tevens geoordeeld dat belanghebbende onder de omstandigheden van het geval in redelijkheid kon besluiten een taxatiekaart met aanvullende informatie te laten opstellen. Het heeft voor de kosten van de taxatiekaart een afzonderlijke vergoeding van € 60,50 toegekend.
2.2.
De klacht gericht tegen de voor de kosten van de taxatiekaart toegekende vergoeding treft doel. De stukken van het geding laten geen andere conclusie toe dan dat de taxatiekaart slechts een nadere onderbouwing bevat van het door belanghebbende ingebrachte taxatierapport. De taxatiekaart kan daarom niet worden aangemerkt als een verslag als bedoeld in artikel 1, aanhef en letter b, van het Bpb. Voor de vergoeding van de kosten van een dergelijke aanvulling biedt het Bpb geen ruimte.
2.3.
De overige klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu die klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling (vgl. HR 18 maart 2016, nr. 15/03065, ECLI:NL:HR:2016:420, BNB 2016/122).
2.4.
Gelet op het onder 2.3 overwogene kan ’s Hofs uitspraak niet in stand blijven. De Hoge Raad kan de zaak afdoen.
3Proceskosten
De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.
4Beslissing
De Hoge Raad:
verklaart het beroep in cassatie gegrond, en
vernietigt de uitspraak van het Hof, doch uitsluitend voor zover deze betreft de vergoeding voor de aanvullende taxatiekaart ten bedrage van € 60,50.
Dit arrest is gewezen door de raadsheer C. Schaap als voorzitter, en de raadsheren Th. Groeneveld en J. Wortel, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 9 december 2016.
nr. 16/01203
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Hilversum (hierna: het College) tegen de uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 26 januari 2016, nr. 15/00755, op het hoger beroep van [X] te [Z] (hierna: belanghebbende) tegen een uitspraak van de Rechtbank Midden-Nederland (nr. UTR 14/6264) betreffende de ten aanzien van belanghebbende gegeven beschikking op grond van de Wet waardering onroerende zaken betreffende de onroerende zaak [a-straat 1] te [Z]. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
1Geding in cassatie
Het College heeft tegen ’s Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend.
2Beoordeling van de klachten
2.1.
Belanghebbende heeft in de bezwaarfase een taxatierapport laten opstellen. Naar aanleiding van het standpunt van de heffingsambtenaar in de uitspraak op bezwaar heeft belanghebbende een taxatiekaart laten opstellen met daarin opgenomen een extra vergelijkingsobject en aanvullende informatie omtrent een reeds aangevoerd vergelijkingsobject. Het Hof heeft aan belanghebbende een vergoeding toegekend voor de kosten van het taxatierapport op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: het Bpb). Het Hof heeft tevens geoordeeld dat belanghebbende onder de omstandigheden van het geval in redelijkheid kon besluiten een taxatiekaart met aanvullende informatie te laten opstellen. Het heeft voor de kosten van de taxatiekaart een afzonderlijke vergoeding van € 60,50 toegekend.
2.2.
De klacht gericht tegen de voor de kosten van de taxatiekaart toegekende vergoeding treft doel. De stukken van het geding laten geen andere conclusie toe dan dat de taxatiekaart slechts een nadere onderbouwing bevat van het door belanghebbende ingebrachte taxatierapport. De taxatiekaart kan daarom niet worden aangemerkt als een verslag als bedoeld in artikel 1, aanhef en letter b, van het Bpb. Voor de vergoeding van de kosten van een dergelijke aanvulling biedt het Bpb geen ruimte.
2.3.
De overige klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu die klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling (vgl. HR 18 maart 2016, nr. 15/03065, ECLI:NL:HR:2016:420, BNB 2016/122).
2.4.
Gelet op het onder 2.3 overwogene kan ’s Hofs uitspraak niet in stand blijven. De Hoge Raad kan de zaak afdoen.
3Proceskosten
De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.
4Beslissing
De Hoge Raad:
verklaart het beroep in cassatie gegrond, en
vernietigt de uitspraak van het Hof, doch uitsluitend voor zover deze betreft de vergoeding voor de aanvullende taxatiekaart ten bedrage van € 60,50.
Dit arrest is gewezen door de raadsheer C. Schaap als voorzitter, en de raadsheren Th. Groeneveld en J. Wortel, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 9 december 2016.