Hoge Raad
ECLI:NL:HR:2016:2723
2016-12-02
Bestuursrecht; Belastingrecht
16/02541
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
BPM. Art. 8:41, lid 6, Awb. Ambtshalve onderzoek naar mogelijke gronden voor verschoonbaarheid van het niet (tijdig) betalen van griffierecht? Ten onrechte geen beslissing op verzoek om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn?
Citeert (1)
- ECLI:NL:HR:2016:352 Hoge Raad 04-03-2016
Geciteerd door (62)
- ECLI:NL:RBMNE:2025:7057 Rechtbank Midden-Nederland 09-10-2025
- ECLI:NL:RBZWB:2025:6356 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 19-09-2025
- ECLI:NL:RBZWB:2025:3864 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 20-06-2025
- ECLI:NL:GHARL:2024:7354 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 26-11-2024
- ECLI:NL:GHARL:2024:6426 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 15-10-2024
- ECLI:NL:RBZWB:2023:7839 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 10-11-2023
- ECLI:NL:RBMNE:2023:7782 Rechtbank Midden-Nederland 14-09-2023
- ECLI:NL:RBMNE:2023:7780 Rechtbank Midden-Nederland 14-09-2023
- ECLI:NL:RBMNE:2023:7781 Rechtbank Midden-Nederland 14-09-2023
- ECLI:NL:RBMNE:2023:7783 Rechtbank Midden-Nederland 14-09-2023
- ECLI:NL:RBMNE:2023:5967 Rechtbank Midden-Nederland 26-05-2023
- ECLI:NL:RBMNE:2023:5964 Rechtbank Midden-Nederland 26-05-2023
- ECLI:NL:RBMNE:2023:2590 Rechtbank Midden-Nederland 01-05-2023
- ECLI:NL:RBMNE:2023:2591 Rechtbank Midden-Nederland 01-05-2023
- ECLI:NL:RBMNE:2023:2588 Rechtbank Midden-Nederland 01-05-2023
- ECLI:NL:RBMNE:2023:2586 Rechtbank Midden-Nederland 01-05-2023
- ECLI:NL:RBMNE:2023:2587 Rechtbank Midden-Nederland 01-05-2023
- ECLI:NL:RBMNE:2023:2589 Rechtbank Midden-Nederland 01-05-2023
- ECLI:NL:RBMNE:2023:1928 Rechtbank Midden-Nederland 30-03-2023
- ECLI:NL:RBMNE:2023:1929 Rechtbank Midden-Nederland 30-03-2023
- ECLI:NL:RBMNE:2023:1931 Rechtbank Midden-Nederland 30-03-2023
- ECLI:NL:RBMNE:2023:1926 Rechtbank Midden-Nederland 30-03-2023
- ECLI:NL:RBMNE:2023:1932 Rechtbank Midden-Nederland 30-03-2023
- ECLI:NL:RBMNE:2023:843 Rechtbank Midden-Nederland 02-01-2023
- ECLI:NL:RBMNE:2023:842 Rechtbank Midden-Nederland 02-01-2023
- ECLI:NL:RBMNE:2022:3369 Rechtbank Midden-Nederland 29-06-2022
- ECLI:NL:RBMNE:2022:2844 Rechtbank Midden-Nederland 07-02-2022
- ECLI:NL:RBMNE:2022:2840 Rechtbank Midden-Nederland 07-02-2022
- ECLI:NL:RBMNE:2022:2843 Rechtbank Midden-Nederland 07-02-2022
- ECLI:NL:RBMNE:2022:2841 Rechtbank Midden-Nederland 07-02-2022
- ECLI:NL:RBMNE:2022:2842 Rechtbank Midden-Nederland 07-02-2022
- ECLI:NL:RBOBR:2021:6809 Rechtbank Oost-Brabant 17-12-2021
- ECLI:NL:RBMNE:2021:6376 Rechtbank Midden-Nederland 10-12-2021
- ECLI:NL:RBMNE:2021:6379 Rechtbank Midden-Nederland 10-12-2021
- ECLI:NL:RBMNE:2021:6378 Rechtbank Midden-Nederland 10-12-2021
- ECLI:NL:RBMNE:2021:6377 Rechtbank Midden-Nederland 10-12-2021
- ECLI:NL:RBMNE:2021:6375 Rechtbank Midden-Nederland 10-12-2021
- ECLI:NL:RBMNE:2021:6374 Rechtbank Midden-Nederland 10-12-2021
- ECLI:NL:RBMNE:2021:6373 Rechtbank Midden-Nederland 10-12-2021
- ECLI:NL:RBMNE:2021:5673 Rechtbank Midden-Nederland 23-09-2021
- ECLI:NL:RBMNE:2021:5671 Rechtbank Midden-Nederland 23-09-2021
- ECLI:NL:RBMNE:2021:5689 Rechtbank Midden-Nederland 13-09-2021
- ECLI:NL:RBMNE:2021:5688 Rechtbank Midden-Nederland 13-09-2021
- ECLI:NL:RBMNE:2021:5687 Rechtbank Midden-Nederland 13-09-2021
- ECLI:NL:RBMNE:2021:5680 Rechtbank Midden-Nederland 13-09-2021
- ECLI:NL:RBMNE:2021:5690 Rechtbank Midden-Nederland 13-09-2021
- ECLI:NL:RBMNE:2021:5691 Rechtbank Midden-Nederland 13-09-2021
- ECLI:NL:RBMNE:2021:5681 Rechtbank Midden-Nederland 13-09-2021
- ECLI:NL:RBMNE:2021:5686 Rechtbank Midden-Nederland 07-09-2021
- ECLI:NL:RBMNE:2021:5684 Rechtbank Midden-Nederland 07-09-2021
- ECLI:NL:RBMNE:2021:5683 Rechtbank Midden-Nederland 07-09-2021
- ECLI:NL:RBMNE:2021:4205 Rechtbank Midden-Nederland 27-07-2021
- ECLI:NL:RBMNE:2021:4206 Rechtbank Midden-Nederland 27-07-2021
- ECLI:NL:RBMNE:2021:1894 Rechtbank Midden-Nederland 07-04-2021
- ECLI:NL:RBMNE:2021:1898 Rechtbank Midden-Nederland 07-04-2021
- ECLI:NL:RBMNE:2021:1895 Rechtbank Midden-Nederland 07-04-2021
- ECLI:NL:RBMNE:2021:1896 Rechtbank Midden-Nederland 07-04-2021
- ECLI:NL:RBMNE:2021:1890 Rechtbank Midden-Nederland 07-04-2021
- ECLI:NL:RBMNE:2021:1897 Rechtbank Midden-Nederland 07-04-2021
- ECLI:NL:RBMNE:2021:1893 Rechtbank Midden-Nederland 07-04-2021
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (4.539 tekens)
2 december 2016
nr. 16/02541
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van [X] B.V. te [Z] (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant van 1 april 2016, nr. BRE 15/2601, op het verzet van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank betreffende een door belanghebbende op aangifte voldaan bedrag aan belasting van personenauto's en motorrijwielen. De uitspraak van de Rechtbank is aan dit arrest gehecht.
1Geding in cassatie
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank op het verzet beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.
2Beoordeling van de middelen
2.1.
Het door belanghebbende bij de Rechtbank ingestelde beroep is niet-ontvankelijk verklaard op de grond dat het verschuldigde griffierecht niet is betaald binnen de daartoe gestelde termijn. Belanghebbende heeft zowel in het beroepschrift als in het verzetschrift verzocht om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn.
2.2.1.
Middel I houdt in dat de Rechtbank ten onrechte heeft nagelaten te onderzoeken of redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat belanghebbende ter zake van het niet (tijdig) betalen van het griffierecht in verzuim is geweest.
2.2.2.
Het middel faalt. Aangezien de Rechtbank, in cassatie onbestreden, heeft geoordeeld dat belanghebbende niet heeft gesteld dat zij niet in verzuim is geweest, was de Rechtbank niet gehouden een onderzoek als hiervoor bedoeld in te stellen.
2.3.1.
Middel II betoogt dat de Rechtbank ten onrechte niet heeft beslist op het door belanghebbende gedane verzoek om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn.
2.3.2.
Kennelijk heeft de Rechtbank tot uitgangspunt genomen dat de niet-ontvankelijkverklaring van belanghebbende in haar beroep vanwege het niet betalen van griffierecht meebrengt dat ook geen uitspraak meer behoeft te worden gedaan ten aanzien van het in het middel bedoelde verzoek van belanghebbende om toekenning van een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn op de voet van artikel 8:73 Awb (tekst tot 1 juli 2013; hierna: artikel 8:73 Awb). Dat uitgangspunt is in zijn algemeenheid juist.
Dat is slechts anders in het – zich in deze zaak niet voordoende - geval waarin de rechtbank uitspraak doet nadat sinds het instellen van het beroep meer dan anderhalf jaar zijn verstreken (zie HR 4 maart 2016, nr. 15/02922, ECLI:NL:HR:2016:352, BNB 2016/141). Indien de rechtbank op de voet van artikel 8:54 Awb na vereenvoudigde behandeling uitspraak heeft gedaan en daartegen verzet is gedaan als bedoeld in artikel 8:55 Awb, eindigt deze termijn met de uitspraak waarbij het verzet ongegrond is verklaard.
2.3.3.
In het hiervoor in 2.3.2, laatste alinea, bedoelde uitzonderingsgeval zal de rechtbank een beslissing moeten nemen op het verzoek om vergoeding van immateriële schade. Daarbij heeft als uitgangspunt te gelden dat de redelijke termijn is overschreden indien meer dan twee jaren zijn verstreken sinds de ontvangst van het bezwaarschrift door de inspecteur. De vergoeding zal in dat geval alleen toegekend kunnen worden voor immateriële schade als gevolg van overschrijding van de redelijke termijn voor zover toe te rekenen aan de procedure voor de rechtbank. De niet-ontvankelijkverklaring van de belanghebbende in diens beroep brengt mee dat het optreden van het bestuursorgaan in zoverre niet meer aan het oordeel van de rechter is onderworpen.
2.3.4.
Gelet op hetgeen hiervoor in 2.3.2 is overwogen, faalt middel II eveneens.
3Proceskosten
De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.
4Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J.A.C.A. Overgaauw als voorzitter, en de raadsheren P.M.F. van Loon en L.F. van Kalmthout, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 2 december 2016.
nr. 16/02541
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van [X] B.V. te [Z] (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant van 1 april 2016, nr. BRE 15/2601, op het verzet van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank betreffende een door belanghebbende op aangifte voldaan bedrag aan belasting van personenauto's en motorrijwielen. De uitspraak van de Rechtbank is aan dit arrest gehecht.
1Geding in cassatie
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank op het verzet beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.
2Beoordeling van de middelen
2.1.
Het door belanghebbende bij de Rechtbank ingestelde beroep is niet-ontvankelijk verklaard op de grond dat het verschuldigde griffierecht niet is betaald binnen de daartoe gestelde termijn. Belanghebbende heeft zowel in het beroepschrift als in het verzetschrift verzocht om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn.
2.2.1.
Middel I houdt in dat de Rechtbank ten onrechte heeft nagelaten te onderzoeken of redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat belanghebbende ter zake van het niet (tijdig) betalen van het griffierecht in verzuim is geweest.
2.2.2.
Het middel faalt. Aangezien de Rechtbank, in cassatie onbestreden, heeft geoordeeld dat belanghebbende niet heeft gesteld dat zij niet in verzuim is geweest, was de Rechtbank niet gehouden een onderzoek als hiervoor bedoeld in te stellen.
2.3.1.
Middel II betoogt dat de Rechtbank ten onrechte niet heeft beslist op het door belanghebbende gedane verzoek om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn.
2.3.2.
Kennelijk heeft de Rechtbank tot uitgangspunt genomen dat de niet-ontvankelijkverklaring van belanghebbende in haar beroep vanwege het niet betalen van griffierecht meebrengt dat ook geen uitspraak meer behoeft te worden gedaan ten aanzien van het in het middel bedoelde verzoek van belanghebbende om toekenning van een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn op de voet van artikel 8:73 Awb (tekst tot 1 juli 2013; hierna: artikel 8:73 Awb). Dat uitgangspunt is in zijn algemeenheid juist.
Dat is slechts anders in het – zich in deze zaak niet voordoende - geval waarin de rechtbank uitspraak doet nadat sinds het instellen van het beroep meer dan anderhalf jaar zijn verstreken (zie HR 4 maart 2016, nr. 15/02922, ECLI:NL:HR:2016:352, BNB 2016/141). Indien de rechtbank op de voet van artikel 8:54 Awb na vereenvoudigde behandeling uitspraak heeft gedaan en daartegen verzet is gedaan als bedoeld in artikel 8:55 Awb, eindigt deze termijn met de uitspraak waarbij het verzet ongegrond is verklaard.
2.3.3.
In het hiervoor in 2.3.2, laatste alinea, bedoelde uitzonderingsgeval zal de rechtbank een beslissing moeten nemen op het verzoek om vergoeding van immateriële schade. Daarbij heeft als uitgangspunt te gelden dat de redelijke termijn is overschreden indien meer dan twee jaren zijn verstreken sinds de ontvangst van het bezwaarschrift door de inspecteur. De vergoeding zal in dat geval alleen toegekend kunnen worden voor immateriële schade als gevolg van overschrijding van de redelijke termijn voor zover toe te rekenen aan de procedure voor de rechtbank. De niet-ontvankelijkverklaring van de belanghebbende in diens beroep brengt mee dat het optreden van het bestuursorgaan in zoverre niet meer aan het oordeel van de rechter is onderworpen.
2.3.4.
Gelet op hetgeen hiervoor in 2.3.2 is overwogen, faalt middel II eveneens.
3Proceskosten
De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.
4Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J.A.C.A. Overgaauw als voorzitter, en de raadsheren P.M.F. van Loon en L.F. van Kalmthout, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 2 december 2016.