Hoge Raad
ECLI:NL:HR:2016:2712
2016-12-02
Bestuursrecht; Belastingrecht
16/01713
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Art. 8:41, lid 6, Awb; Ambtshalve te verrichten onderzoek naar mogelijke gronden voor verschoonbaarheid van het niet (tijdig) betalen van griffierecht? Vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding redelijke termijn bij niet-ontvankelijkverklaring van het beroep door de rechtbank?
Citeert (1)
- ECLI:NL:HR:2016:352 Hoge Raad 04-03-2016
Geciteerd door (121)
- ECLI:NL:RBZWB:2026:5586 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 26-06-2026
- ECLI:NL:HR:2026:915 Hoge Raad 12-06-2026
- ECLI:NL:RBZWB:2026:748 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 09-02-2026
- ECLI:NL:RBZWB:2026:750 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 09-02-2026
- ECLI:NL:RBZWB:2026:751 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 09-02-2026
- ECLI:NL:RBZWB:2026:746 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 09-02-2026
- ECLI:NL:RBZWB:2026:717 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 06-02-2026
- ECLI:NL:RBZWB:2026:712 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 06-02-2026
- ECLI:NL:RBZWB:2026:711 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 06-02-2026
- ECLI:NL:RBZWB:2026:716 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 06-02-2026
- ECLI:NL:GHSHE:2026:192 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 28-01-2026
- ECLI:NL:RBZWB:2026:338 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 23-01-2026
- ECLI:NL:RBZWB:2026:230 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 21-01-2026
- ECLI:NL:RBZWB:2026:230 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 21-01-2026
- ECLI:NL:RBZWB:2026:231 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 21-01-2026
- ECLI:NL:GHARL:2026:241 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 13-01-2026
- ECLI:NL:GHARL:2026:239 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 13-01-2026
- ECLI:NL:GHARL:2025:8297 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 16-12-2025
- ECLI:NL:GHARL:2025:8302 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 16-12-2025
- ECLI:NL:GHARL:2025:8318 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 16-12-2025
- ECLI:NL:RBZWB:2025:8182 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 21-11-2025
- ECLI:NL:OGEAC:2025:209 Gerecht in eerste aanleg van Curaçao 16-10-2025
- ECLI:NL:GHAMS:2025:3548 Gerechtshof Amsterdam 14-10-2025
- ECLI:NL:GHARL:2025:6011 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 30-09-2025
- ECLI:NL:GHARL:2025:6012 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 30-09-2025
- ECLI:NL:RBZWB:2025:6318 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 19-09-2025
- ECLI:NL:RBZWB:2025:6316 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 19-09-2025
- ECLI:NL:RBZWB:2025:6317 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 19-09-2025
- ECLI:NL:RBZWB:2025:6314 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 19-09-2025
- ECLI:NL:RBROT:2025:9549 Rechtbank Rotterdam 07-08-2025
- ECLI:NL:RBROT:2025:9549 Rechtbank Rotterdam 07-08-2025
- ECLI:NL:GHDHA:2025:1833 Gerechtshof Den Haag 24-07-2025
- ECLI:NL:GHSHE:2025:137 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 22-01-2025
- ECLI:NL:GHSHE:2025:139 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 22-01-2025
- ECLI:NL:RBZWB:2025:207 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 17-01-2025
- ECLI:NL:RBZWB:2024:7899 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 15-11-2024
- ECLI:NL:RBZWB:2024:7302 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 29-10-2024
- ECLI:NL:RBROT:2024:12529 Rechtbank Rotterdam 18-10-2024
- ECLI:NL:HR:2024:1425 Hoge Raad 11-10-2024
- ECLI:NL:HR:2024:1427 Hoge Raad 11-10-2024
- ECLI:NL:RBROT:2024:9754 Rechtbank Rotterdam 08-10-2024
- ECLI:NL:RBROT:2024:9755 Rechtbank Rotterdam 08-10-2024
- ECLI:NL:GHAMS:2024:2778 Gerechtshof Amsterdam 01-08-2024
- ECLI:NL:RBROT:2024:2032 Rechtbank Rotterdam 08-03-2024
- ECLI:NL:RBROT:2024:2054 Rechtbank Rotterdam 08-03-2024
- ECLI:NL:RBROT:2024:2173 Rechtbank Rotterdam 08-03-2024
- ECLI:NL:RBROT:2024:2179 Rechtbank Rotterdam 08-03-2024
- ECLI:NL:RBROT:2024:2052 Rechtbank Rotterdam 08-03-2024
- ECLI:NL:RBROT:2024:2033 Rechtbank Rotterdam 08-03-2024
- ECLI:NL:RBROT:2024:2035 Rechtbank Rotterdam 08-03-2024
- ECLI:NL:RBROT:2024:2170 Rechtbank Rotterdam 08-03-2024
- ECLI:NL:RBROT:2024:2175 Rechtbank Rotterdam 08-03-2024
- ECLI:NL:RBROT:2024:2034 Rechtbank Rotterdam 08-03-2024
- ECLI:NL:RBROT:2024:1219 Rechtbank Rotterdam 15-02-2024
- ECLI:NL:RBROT:2024:1082 Rechtbank Rotterdam 07-02-2024
- ECLI:NL:RBROT:2024:1083 Rechtbank Rotterdam 07-02-2024
- ECLI:NL:RBROT:2024:1084 Rechtbank Rotterdam 07-02-2024
- ECLI:NL:RBROT:2024:866 Rechtbank Rotterdam 30-01-2024
- ECLI:NL:RBDHA:2024:96 Rechtbank Den Haag 04-01-2024
- ECLI:NL:RBOBR:2023:5416 Rechtbank Oost-Brabant 20-11-2023
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (5.319 tekens)
2 december 2016
nr. 16/01713
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van [X] B.V. te [Z] (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van de Rechtbank Gelderland van 23 februari 2016, nr. AWB 15/2802, op het verzet van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank betreffende een door belanghebbende op aangifte voldaan bedrag aan belasting van personenauto's en motorrijwielen. De uitspraak van de Rechtbank is aan dit arrest gehecht.
1Geding in cassatie
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.
2Beoordeling van de middelen
2.1.
Het door belanghebbende bij de Rechtbank ingestelde beroep is niet-ontvankelijk verklaard op de grond dat het verschuldigde griffierecht niet is betaald binnen de daartoe gestelde termijn. Belanghebbende heeft zowel in het beroepschrift als in het verzetschrift verzocht om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn.
2.2.1.
Middel I houdt in dat de Rechtbank ten onrechte heeft nagelaten te onderzoeken of redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat belanghebbende ter zake van het niet (tijdig) betalen van het griffierecht in verzuim is geweest.
2.2.2.
De Rechtbank heeft geoordeeld dat, aangezien belanghebbende in haar beroepschrift en haar verzetschrift geen beroep heeft gedaan op betalingsonmacht, er geen reden is aan te nemen dat het niet betalen van het griffierecht om die reden verschoonbaar is. In zoverre heeft de Rechtbank het hiervoor in 2.2.1 bedoelde onderzoek verricht en berust het middel op een onjuiste lezing van de bestreden uitspraak op verzet en faalt het daarom.
Voor zover het middel wil betogen dat de Rechtbank ambtshalve had dienen te onderzoeken of er mogelijk nog andere redenen zijn op grond waarvan redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat belanghebbende ter zake van het niet (tijdig) betalen van het griffierecht in verzuim is geweest, faalt het eveneens. Aangezien uit de uitspraak van de Rechtbank of de stukken van het geding niet blijkt dat belanghebbende iets heeft aangevoerd dat een dergelijk oordeel zou kunnen dragen, was de Rechtbank niet gehouden een (nader) onderzoek in te stellen.
2.3.1.
Middel II betoogt dat de Rechtbank ten onrechte niet heeft beslist op het door belanghebbende gedane verzoek om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn.
2.3.2.
Kennelijk heeft de Rechtbank tot uitgangspunt genomen dat de niet-ontvankelijkverklaring van belanghebbende in haar beroep vanwege het niet betalen van griffierecht meebrengt dat ook geen uitspraak meer behoeft te worden gedaan ten aanzien van het in het middel bedoelde verzoek van belanghebbende om toekenning van een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn op de voet van artikel 8:73 Awb (tekst tot 1 juli 2013; hierna: artikel 8:73 Awb). Dat uitgangspunt is in zijn algemeenheid juist.
Dat is slechts anders in het – zich in deze zaak niet voordoende - geval waarin de rechtbank uitspraak doet nadat sinds het instellen van het beroep meer dan anderhalf jaar zijn verstreken (zie HR 4 maart 2016, nr. 15/02922, ECLI:NL:HR:2016:352, BNB 2016/141). Indien de rechtbank op de voet van artikel 8:54 Awb na vereenvoudigde behandeling uitspraak heeft gedaan en daartegen verzet is gedaan als bedoeld in artikel 8:55 Awb, eindigt deze termijn met de uitspraak waarbij het verzet ongegrond is verklaard.
2.3.3.
In het hiervoor in 2.3.2, laatste alinea, bedoelde uitzonderingsgeval zal de rechtbank een beslissing moeten nemen op het verzoek om vergoeding van immateriële schade. Daarbij heeft als uitgangspunt te gelden dat de redelijke termijn is overschreden indien meer dan twee jaren zijn verstreken sinds de ontvangst van het bezwaarschrift door de inspecteur. De vergoeding zal in dat geval alleen toegekend kunnen worden voor immateriële schade als gevolg van overschrijding van de redelijke termijn voor zover toe te rekenen aan de procedure voor de rechtbank. De niet-ontvankelijkverklaring van de belanghebbende in diens beroep brengt mee dat het optreden van het bestuursorgaan in zoverre niet meer aan het oordeel van de rechter is onderworpen.
2.3.4.
Gelet op hetgeen hiervoor in 2.3.2 is overwogen, faalt middel II eveneens.
3Proceskosten
De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.
4Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J.A.C.A. Overgaauw als voorzitter, en de raadsheren E.N. Punt, P.M.F. van Loon, L.F. van Kalmthout en M.E. van Hilten, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 2 december 2016.
nr. 16/01713
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van [X] B.V. te [Z] (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van de Rechtbank Gelderland van 23 februari 2016, nr. AWB 15/2802, op het verzet van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank betreffende een door belanghebbende op aangifte voldaan bedrag aan belasting van personenauto's en motorrijwielen. De uitspraak van de Rechtbank is aan dit arrest gehecht.
1Geding in cassatie
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.
2Beoordeling van de middelen
2.1.
Het door belanghebbende bij de Rechtbank ingestelde beroep is niet-ontvankelijk verklaard op de grond dat het verschuldigde griffierecht niet is betaald binnen de daartoe gestelde termijn. Belanghebbende heeft zowel in het beroepschrift als in het verzetschrift verzocht om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn.
2.2.1.
Middel I houdt in dat de Rechtbank ten onrechte heeft nagelaten te onderzoeken of redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat belanghebbende ter zake van het niet (tijdig) betalen van het griffierecht in verzuim is geweest.
2.2.2.
De Rechtbank heeft geoordeeld dat, aangezien belanghebbende in haar beroepschrift en haar verzetschrift geen beroep heeft gedaan op betalingsonmacht, er geen reden is aan te nemen dat het niet betalen van het griffierecht om die reden verschoonbaar is. In zoverre heeft de Rechtbank het hiervoor in 2.2.1 bedoelde onderzoek verricht en berust het middel op een onjuiste lezing van de bestreden uitspraak op verzet en faalt het daarom.
Voor zover het middel wil betogen dat de Rechtbank ambtshalve had dienen te onderzoeken of er mogelijk nog andere redenen zijn op grond waarvan redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat belanghebbende ter zake van het niet (tijdig) betalen van het griffierecht in verzuim is geweest, faalt het eveneens. Aangezien uit de uitspraak van de Rechtbank of de stukken van het geding niet blijkt dat belanghebbende iets heeft aangevoerd dat een dergelijk oordeel zou kunnen dragen, was de Rechtbank niet gehouden een (nader) onderzoek in te stellen.
2.3.1.
Middel II betoogt dat de Rechtbank ten onrechte niet heeft beslist op het door belanghebbende gedane verzoek om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn.
2.3.2.
Kennelijk heeft de Rechtbank tot uitgangspunt genomen dat de niet-ontvankelijkverklaring van belanghebbende in haar beroep vanwege het niet betalen van griffierecht meebrengt dat ook geen uitspraak meer behoeft te worden gedaan ten aanzien van het in het middel bedoelde verzoek van belanghebbende om toekenning van een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn op de voet van artikel 8:73 Awb (tekst tot 1 juli 2013; hierna: artikel 8:73 Awb). Dat uitgangspunt is in zijn algemeenheid juist.
Dat is slechts anders in het – zich in deze zaak niet voordoende - geval waarin de rechtbank uitspraak doet nadat sinds het instellen van het beroep meer dan anderhalf jaar zijn verstreken (zie HR 4 maart 2016, nr. 15/02922, ECLI:NL:HR:2016:352, BNB 2016/141). Indien de rechtbank op de voet van artikel 8:54 Awb na vereenvoudigde behandeling uitspraak heeft gedaan en daartegen verzet is gedaan als bedoeld in artikel 8:55 Awb, eindigt deze termijn met de uitspraak waarbij het verzet ongegrond is verklaard.
2.3.3.
In het hiervoor in 2.3.2, laatste alinea, bedoelde uitzonderingsgeval zal de rechtbank een beslissing moeten nemen op het verzoek om vergoeding van immateriële schade. Daarbij heeft als uitgangspunt te gelden dat de redelijke termijn is overschreden indien meer dan twee jaren zijn verstreken sinds de ontvangst van het bezwaarschrift door de inspecteur. De vergoeding zal in dat geval alleen toegekend kunnen worden voor immateriële schade als gevolg van overschrijding van de redelijke termijn voor zover toe te rekenen aan de procedure voor de rechtbank. De niet-ontvankelijkverklaring van de belanghebbende in diens beroep brengt mee dat het optreden van het bestuursorgaan in zoverre niet meer aan het oordeel van de rechter is onderworpen.
2.3.4.
Gelet op hetgeen hiervoor in 2.3.2 is overwogen, faalt middel II eveneens.
3Proceskosten
De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.
4Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J.A.C.A. Overgaauw als voorzitter, en de raadsheren E.N. Punt, P.M.F. van Loon, L.F. van Kalmthout en M.E. van Hilten, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 2 december 2016.