Hoge Raad
ECLI:NL:HR:2016:2284
2016-10-07
Civiel recht
16/02959
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Formele procesketen
- conclusie ECLI:NL:HR:2016:2284 → ECLI:NL:PHR:2016:859 gevolgd
Inhoudsindicatie
Art. 80a lid 1 RO. Diverse als cassatieberoep aangemerkte klachtbrieven over beslissingen van Kamer voor gerechtsdeurwaarders, tuchtcollege gezondheidszorg, rechtbank e.a. Geen advocaat bij HR gesteld.
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (1)
- ECLI:NL:PHR:2019:1338 Parket bij de Hoge Raad 17-12-2019
Volledige tekst
Volledige tekst (1.645 tekens)
7 oktober 2016
Eerste Kamer
16/02959
EE/LZ
Hoge Raad der Nederlanden
Beschikking
in de zaak van:
[verzoeker],wonende te [woonplaats],
VERZOEKER tot cassatie.
Verzoeker zal hierna ook worden aangeduid als [verzoeker].
1Het geding
Bij brieven van 26 januari, 2, 6, 13, 22 en 29 februari, 7, 9 en 29 maart en 9 april 2016 heeft [verzoeker] zich tot de Hoge Raad gewend. Deze brieven bevatten verzoeken van [verzoeker].
Het standpunt van de Procureur-Generaal strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van [verzoeker] in zijn cassatieberoepen, met toepassing van art. 80a lid 1 RO.
2Beoordeling van de ontvankelijkheid
De Hoge Raad is van oordeel dat de aangevoerde klachten geen behandeling in cassatie rechtvaardigen omdat de partij die het cassatieberoep heeft ingesteld klaarblijkelijk onvoldoende belang heeft bij het cassatieberoep dan wel omdat de klachten klaarblijkelijk niet tot cassatie kunnen leiden (zie het standpunt van de Procureur-Generaal onder 7-26).
De Hoge Raad zal daarom – gezien art. 80a lid 1 RO en gehoord de Procureur-Generaal – het beroep niet-ontvankelijk verklaren.
3Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie niet-ontvankelijk.
Deze beschikking is gegeven door de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, als voorzitter, C.E. du Perron en M.J. Kroeze, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer M.V. Polak op 7 oktober 2016.
Eerste Kamer
16/02959
EE/LZ
Hoge Raad der Nederlanden
Beschikking
in de zaak van:
[verzoeker],wonende te [woonplaats],
VERZOEKER tot cassatie.
Verzoeker zal hierna ook worden aangeduid als [verzoeker].
1Het geding
Bij brieven van 26 januari, 2, 6, 13, 22 en 29 februari, 7, 9 en 29 maart en 9 april 2016 heeft [verzoeker] zich tot de Hoge Raad gewend. Deze brieven bevatten verzoeken van [verzoeker].
Het standpunt van de Procureur-Generaal strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van [verzoeker] in zijn cassatieberoepen, met toepassing van art. 80a lid 1 RO.
2Beoordeling van de ontvankelijkheid
De Hoge Raad is van oordeel dat de aangevoerde klachten geen behandeling in cassatie rechtvaardigen omdat de partij die het cassatieberoep heeft ingesteld klaarblijkelijk onvoldoende belang heeft bij het cassatieberoep dan wel omdat de klachten klaarblijkelijk niet tot cassatie kunnen leiden (zie het standpunt van de Procureur-Generaal onder 7-26).
De Hoge Raad zal daarom – gezien art. 80a lid 1 RO en gehoord de Procureur-Generaal – het beroep niet-ontvankelijk verklaren.
3Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie niet-ontvankelijk.
Deze beschikking is gegeven door de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, als voorzitter, C.E. du Perron en M.J. Kroeze, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer M.V. Polak op 7 oktober 2016.