Hoge Raad
ECLI:NL:HR:2016:1341
2016-06-28
Strafrecht
15/03649
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Formele procesketen
- conclusie ECLI:NL:HR:2016:1341 → ECLI:NL:PHR:2016:549 gevolgd
Inhoudsindicatie
Wettelijke rente vordering benadeelde partij. AG: uit het voegingsformulier noch uit de pv’s van de terechtzittingen blijkt dat de benadeelde partij de wettelijke rente heeft gevorderd. Geen in rechte te respecteren belang bij de klacht dat het hof het toegewezen bedrag heeft vermeerderd met de wettelijke rente omdat vernietiging daarvan de verplichting voor de verdachte de wettelijke rente te betalen over het bedrag van de aan hem opgelegde verplichting tot betaling aan de staat in stand laat. HR: 80a RO.
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (6)
- ECLI:NL:PHR:2023:1183 Parket bij de Hoge Raad 19-12-2023
- ECLI:NL:PHR:2019:149 Parket bij de Hoge Raad 19-02-2019
- ECLI:NL:PHR:2019:147 Parket bij de Hoge Raad 19-02-2019
- ECLI:NL:PHR:2019:148 Parket bij de Hoge Raad 19-02-2019
- ECLI:NL:PHR:2018:717 Parket bij de Hoge Raad 17-04-2018
- ECLI:NL:PHR:2017:1343 Parket bij de Hoge Raad 31-10-2017
Volledige tekst
Volledige tekst (1.766 tekens)
28 juni 2016
Strafkamer
nr. S 15/03649
LBS
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Amsterdam van 29 juli 2015, nummer 23/004003-14, in de strafzaak tegen:
[verdachte]
, geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1985.
1Geding in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft I.T.H.L. van de Bergh, advocaat te Maastricht, een schriftuur en een aanvullende schriftuur ingediend. De schrifturen zijn aan dit arrest gehecht en maken daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal A.E. Harteveld heeft geconcludeerd dat het cassatieberoep met toepassing van art. 80a RO niet-ontvankelijk zal worden verklaard.
2Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep
De Hoge Raad is van oordeel dat de aangevoerde klachten geen behandeling in cassatie rechtvaardigen omdat de partij die het cassatieberoep heeft ingesteld klaarblijkelijk onvoldoende belang heeft bij het cassatieberoep dan wel omdat de klachten klaarblijkelijk niet tot cassatie kunnen leiden.
De Hoge Raad zal daarom – gezien art. 80a van de Wet op de rechterlijke organisatie en gehoord de Procureur-Generaal – het beroep niet-ontvankelijk verklaren.
3. Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie niet-ontvankelijk.
Dit arrest is gewezen door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren J. de Hullu en H.A.G. Splinter-van Kan, in bijzijn van de waarnemend griffier L. Nuy, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 28 juni 2016.
Strafkamer
nr. S 15/03649
LBS
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Amsterdam van 29 juli 2015, nummer 23/004003-14, in de strafzaak tegen:
[verdachte]
, geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1985.
1Geding in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft I.T.H.L. van de Bergh, advocaat te Maastricht, een schriftuur en een aanvullende schriftuur ingediend. De schrifturen zijn aan dit arrest gehecht en maken daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal A.E. Harteveld heeft geconcludeerd dat het cassatieberoep met toepassing van art. 80a RO niet-ontvankelijk zal worden verklaard.
2Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep
De Hoge Raad is van oordeel dat de aangevoerde klachten geen behandeling in cassatie rechtvaardigen omdat de partij die het cassatieberoep heeft ingesteld klaarblijkelijk onvoldoende belang heeft bij het cassatieberoep dan wel omdat de klachten klaarblijkelijk niet tot cassatie kunnen leiden.
De Hoge Raad zal daarom – gezien art. 80a van de Wet op de rechterlijke organisatie en gehoord de Procureur-Generaal – het beroep niet-ontvankelijk verklaren.
3. Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie niet-ontvankelijk.
Dit arrest is gewezen door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren J. de Hullu en H.A.G. Splinter-van Kan, in bijzijn van de waarnemend griffier L. Nuy, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 28 juni 2016.