Hoge Raad
ECLI:NL:HR:2015:3600
2015-12-18
Bestuursrecht; Belastingrecht
15/01348
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Formele procesketen
- cassatie ECLI:NL:HR:2015:3600 → ECLI:NL:GHARL:2015:645 (Gedeeltelijke) vernietiging met verwijzen
- conclusie ECLI:NL:HR:2015:3600 → ECLI:NL:PHR:2015:1480 gevolgd
Inhoudsindicatie
Art. 8:29 en 8:31 Awb. Tipgever; Inspecteur weigert ook in hoger beroep identiteit van de tipgever prijs te geven nadat de Rechtbank had beslist dat die weigering niet gerechtvaardigd is. Verhouding tussen art. 8:29 Awb en beroep op geheimhoudingsplicht door (andere) ambtenaren van de Belastingdienst.
Citeert (1)
- ECLI:NL:HR:2009:BH9184 Hoge Raad 03-04-2009
Geciteerd door (72)
- ECLI:NL:HR:2026:571 Hoge Raad 10-04-2026
- ECLI:NL:GHARL:2026:557 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 27-01-2026
- ECLI:NL:RBZWB:2025:9006 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 17-12-2025
- ECLI:NL:RBZWB:2025:5753 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 25-08-2025
- ECLI:NL:RBZWB:2025:5754 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 25-08-2025
- ECLI:NL:RBZWB:2025:4368 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 10-07-2025
- ECLI:NL:RBZWB:2025:2541 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 28-04-2025
- ECLI:NL:PHR:2025:500 Parket bij de Hoge Raad 25-04-2025
- ECLI:NL:RBZWB:2025:2166 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 14-04-2025
- ECLI:NL:HR:2025:241 Hoge Raad 14-02-2025
- ECLI:NL:PHR:2024:1398 Parket bij de Hoge Raad 20-12-2024
- ECLI:NL:PHR:2024:1398 Parket bij de Hoge Raad 20-12-2024
- ECLI:NL:RBZWB:2024:8158 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 29-11-2024
- ECLI:NL:RBZWB:2024:7703 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 11-11-2024
- ECLI:NL:RBLIM:2024:2316 Rechtbank Limburg 01-05-2024
- ECLI:NL:RBLIM:2024:2332 Rechtbank Limburg 01-05-2024
- ECLI:NL:GHARL:2024:2464 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 16-04-2024
- ECLI:NL:GHARL:2024:2464 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 16-04-2024
- ECLI:NL:RBNHO:2023:12425 Rechtbank Noord-Holland 16-10-2023
- ECLI:NL:GHARL:2023:6004 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 11-07-2023
- ECLI:NL:RVS:2023:1362 Raad van State 05-04-2023
- ECLI:NL:RVS:2023:1363 Raad van State 05-04-2023
- ECLI:NL:RBZWB:2023:2113 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 30-03-2023
- ECLI:NL:RBZWB:2022:7615 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 15-12-2022
- ECLI:NL:RBZWB:2022:7324 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 05-12-2022
- ECLI:NL:GHDHA:2022:836 Gerechtshof Den Haag 10-05-2022
- ECLI:NL:GHARL:2022:3655 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 10-05-2022
- ECLI:NL:RBZWB:2022:963 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 24-02-2022
- ECLI:NL:RBZWB:2021:6515 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 21-12-2021
- ECLI:NL:PHR:2021:949 Parket bij de Hoge Raad 08-10-2021
- ECLI:NL:PHR:2021:948 Parket bij de Hoge Raad 08-10-2021
- ECLI:NL:PHR:2021:942 Parket bij de Hoge Raad 08-10-2021
- ECLI:NL:PHR:2021:941 Parket bij de Hoge Raad 08-10-2021
- ECLI:NL:PHR:2021:947 Parket bij de Hoge Raad 08-10-2021
- ECLI:NL:PHR:2021:943 Parket bij de Hoge Raad 08-10-2021
- ECLI:NL:PHR:2021:939 Parket bij de Hoge Raad 08-10-2021
- ECLI:NL:PHR:2021:938 Parket bij de Hoge Raad 08-10-2021
- ECLI:NL:PHR:2021:940 Parket bij de Hoge Raad 08-10-2021
- ECLI:NL:RBZWB:2021:3509 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 09-07-2021
- ECLI:NL:RBZWB:2021:2936 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 11-06-2021
- ECLI:NL:RBROT:2021:4475 Rechtbank Rotterdam 28-05-2021
- ECLI:NL:PHR:2020:1037 Parket bij de Hoge Raad 30-10-2020
- ECLI:NL:GHARL:2020:6617 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 25-08-2020
- ECLI:NL:GHSHE:2020:2353 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 23-07-2020
- ECLI:NL:RBZWB:2020:3191 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 20-07-2020
- ECLI:NL:GHSHE:2020:2213 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 16-07-2020
- ECLI:NL:GHARL:2020:4156 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 26-05-2020
- ECLI:NL:GHARL:2020:4155 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 26-05-2020
- ECLI:NL:GHARL:2020:4165 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 26-05-2020
- ECLI:NL:RBZWB:2020:1400 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 05-03-2020
- ECLI:NL:GHSHE:2020:840 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 05-03-2020
- ECLI:NL:RBZWB:2020:1019 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 02-03-2020
- ECLI:NL:HR:2019:1715 Hoge Raad 08-11-2019
- ECLI:NL:GHSHE:2019:2458 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 12-07-2019
- ECLI:NL:RBROT:2019:8138 Rechtbank Rotterdam 12-06-2019
- ECLI:NL:RBROT:2019:8139 Rechtbank Rotterdam 12-06-2019
- ECLI:NL:PHR:2019:295 Parket bij de Hoge Raad 25-03-2019
- ECLI:NL:GHARL:2019:59 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 08-01-2019
- ECLI:NL:PHR:2018:1374 Parket bij de Hoge Raad 13-12-2018
- ECLI:NL:GHSHE:2018:4846 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 23-11-2018
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (14.907 tekens)
Hoge Raad der Nederlanden
Derde Kamer
Nr. 15/01348
18 december 2015
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van de Staatssecretaris van Financiën tegen de uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 3 februari 2015, nrs. 13/00748 t/m 13/00760, op het hoger beroep van de erfgenamen van [X], gewoond hebbende te [Z],(hierna: belanghebbenden) tegen een uitspraak van de Rechtbank Gelderland van 6 juni 2013, nrs. AWB 11/1635, 11/1636, 11/3379, 11/3382 t/m 11/3385, 11/3387, 11/3389, 11/3392 en 11/3394 t/m 11/3396, betreffende aan de erflater over de jaren 1997 en 1999 tot en met 2007 opgelegde navorderingsaanslagen in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (hierna IB/PVV), de voor het jaar 2008 opgelegde aanslag IB/PVV, de over de jaren 1998 en 2000 opgelegde navorderingsaanslagen vermogensbelasting (hierna: VB) en de daarbij gegeven beschikkingen inzake heffingsrente. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
1Geding in cassatie
De Staatssecretaris heeft tegen ’s Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Belanghebbenden hebben een verweerschrift ingediend.
De Advocaat-Generaal R.L.H. IJzerman heeft op 21 augustus 2015 geconcludeerd tot gegrondverklaring van het beroep in cassatie.
Zowel de Staatssecretaris als belanghebbenden hebben schriftelijk op de conclusie gereageerd.
2Beoordeling van de middelen
2.1.
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
2.1.1.
Begin 2009 is de FIOD benaderd door een persoon (hierna: de tipgever) die stelde over informatie te beschikken betreffende bankrekeningen van Nederlandse ingezetenen bij drie in Luxemburg gevestigde banken. Met de tipgever is overeengekomen dat hij deze informatie aan de Belastingdienst verstrekt tegen een beloning die een percentage beloopt van de IB/PVV, VB en de heffingsrente die wordt betaald op belastingaanslagen die met behulp van deze informatie kunnen worden opgelegd. Bij de met de tipgever gesloten overeenkomst heeft de Belastingdienst zich verplicht de identiteit van de tipgever niet bekend te maken.
2.1.2.
De informatie van de tipgever houdt, voor zover hier van belang, in dat bij een van de Luxemburgse banken een rekening liep ten name van [A] (hierna: de erflater), nummer [001] , met een saldo van Hfl. 920.699 per 7 februari 1996 en een saldo van Hfl. 1.030.000 per 7 juli 1996.
2.1.3.
Naar aanleiding van deze informatie zijn de hiervoor genoemde (navorderings)aanslagen opgelegd. Boetebeschikkingen die bij gelegenheid van het opleggen van deze (navorderings)aanslagen zijn vastgesteld, zijn nadien ambtshalve vernietigd in verband met het overlijden van de erflater.
2.1.4.
In zijn bezwaar tegen de navorderingsaanslag IB/PVV 2006 is de erflater niet-ontvankelijk verklaard. De bezwaren van erflater tegen de overige (navorderings)aanslagen zijn ongegrond verklaard.
2.1.5.
In het door de erflater ingestelde beroep heeft de Inspecteur meegedeeld dat de naam van de tipgever niet wordt bekend gemaakt, en te kennen gegeven dat hij de op de tipgever betrekking hebbende stukken alleen in geschoonde vorm wil overleggen, met weglating van elke verwijzing naar de identiteit van de tipgever. De geheimhoudingskamer van de Rechtbank heeft bepaald dat de naam van de tipgever en de gehele inhoud van de met hem gesloten overeenkomst moeten worden bekend gemaakt. De Inspecteur heeft dit geweigerd. De einduitspraak van de Rechtbank houdt in dat aan deze weigering geen gevolgen worden verbonden omdat de belanghebbenden, inmiddels de erven, daardoor niet in hun belangen zijn geschaad.
2.1.6.
In eerste aanleg hebben belanghebbenden de Rechtbank verzocht de bij de Belastingdienst werkzame ambtenaren die contact met de tipgever hebben gehad als getuigen op te roepen. De Rechtbank heeft doen weten voor die oproeping geen aanleiding te zien. Tijdens de behandeling ter zitting in hoger beroep heeft de Inspecteur zich doen vergezellen van twee bij de Belastingdienst FIOD werkzame opsporingsambtenaren (hierna: de FIOD-ambtenaren) die ten overstaan van het Hof als getuigen de eed of de belofte hebben afgelegd. Vragen betreffende de identiteit van de tipgever hebben de FIOD-ambtenaren onbeantwoord gelaten met een beroep op een aan hun wettelijke geheimhoudingsplicht ontleend verschoningsrecht.
2.2.
Het eerste middel, dat betrekking heeft op de hiervoor in 2.1.4 bedoelde niet-ontvankelijkverklaring, kan niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, aangezien dit middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
2.3.1.
Het tweede middel bestrijdt ’s Hofs oordeel dat in dit geding vaststaat dat de naam van de tipgever niet met toepassing van artikel 8:29 Awb geheimgehouden mag worden.
2.3.2.
Ook bij zijn verweerschrift in hoger beroep heeft de Inspecteur niet de ongeschoonde stukken overgelegd die hij in het geding voor de Rechtbank geweigerd had over te leggen. Hieruit moest het Hof begrijpen dat de Inspecteur met een beroep op artikel 8:29, lid 1, Awb ook in hoger beroep weigerde de (niet-geanonimiseerde) stukken over te leggen (vgl. HR 3 april 2009, nr. 07/13014, ECLI:NL:HR:2009:BH9184, BNB 2009/153). Ter zitting van het Hof heeft de Inspecteur desgevraagd verklaard dat de uitspraak van de geheimhoudingskamer van de Rechtbank in hoger beroep niet werd aangevochten, waarbij van de zijde van de Inspecteur ook werd medegedeeld dat het dossier ook na een nieuwe procedure voor een geheimhoudingskamer van het Hof niet zou veranderen. De in hoger beroep gekozen procesopstelling van de Inspecteur brengt mee dat de Staatssecretaris in cassatie niet kan klagen over het oordeel van het Hof dat kon worden volstaan met beantwoording van de vraag welke gevolgen op de voet van artikel 8:31 Awb moeten worden verbonden aan de omstandigheid dat de Inspecteur niet heeft voldaan aan zijn verplichting tot overlegging van alle stukken. In zoverre faalt het middel.
2.3.3.
Het middel keert zich tevens tegen de oordelen van het Hof dat de Inspecteur met zijn weigering de gevraagde gegevens betreffende de tipgever te verstrekken – door overlegging van ongeschoonde stukken of op andere wijze – de rechtsorde ernstig heeft geschonden en dat dit op zichzelf reeds rechtvaardigt dat het Hof daaruit de gevolgtrekking maakt dat de aanslagen moeten worden vernietigd.
2.3.4.
Het Hof is er bij deze oordelen kennelijk van uitgegaan dat een inspecteur die na afwijzing van zijn beroep op artikel 8:29 Awb volhardt in zijn weigering een bepaald op de zaak betrekking hebbend stuk (ongeschoond) over te leggen, steeds de rechtsorde in ernstige mate schendt, en dat deze handelwijze op zichzelf reeds voldoende aanleiding kan zijn de in geschil zijnde belastingaanslag(en) te vernietigen. Daarmee heeft het Hof blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting. Het Hof heeft aldus miskend dat bij toepassing van artikel 8:31 Awb alle omstandigheden van het geval moeten worden meegewogen, waaronder het belang van de niet overgelegde stukken voor de waarheidsvinding. In zoverre treft het middel doel.
2.4.1.
Het derde middel bevat klachten over de door het Hof gehanteerde bewijslastverdeling. Het middel richt zich met name tegen het oordeel dat de aan de erflater opgelegde belastingaanslagen moeten worden vernietigd omdat de betrouwbaarheid van de tipgever niet vaststaat.
2.4.2.
Bij de beoordeling van het middel wordt het volgende vooropgesteld. Het door het Hof gegeven oordeel komt erop neer dat met toepassing van artikel 8:31 Awb is vastgesteld dat de Inspecteur niet aannemelijk heeft gemaakt dat de aan de erflater opgelegde aanslagen op deugdelijke gronden berusten en in stand kunnen blijven. Zoals in het algemeen geldt voor oordelen betreffende de bewijswaardering, worden aan een dergelijk overeenkomstig artikel 8:31 Awb gegeven oordeel geen hoge motiveringseisen gesteld. Wel zal dat oordeel zodanig met redenen moeten zijn omkleed dat het op begrijpelijkheid kan worden getoetst.
2.4.3.
De Inspecteur heeft in hoger beroep aangevoerd dat van de 76 personen aan wie naar aanleiding van de door de tipgever verstrekte informatie een vragenbrief is verstuurd, er inmiddels 71 hebben erkend in Luxemburg (een) bankrekening(en) te hebben aangehouden. Blijkens zijn overwegingen is het Hof van de juistheid daarvan uitgegaan. Ook staat in cassatie vast, dat in geen enkel geval is gebleken dat de door de tipgever verstrekte informatie onjuist is en dat de belanghebbenden zelf (de beide kinderen van de erflater) behoren tot degenen die hebben erkend dat de informatie van de tipgever te hunnen aanzien juist is. In de bestreden uitspraak is verder melding gemaakt van de toezegging van de Inspecteur mee te werken aan een verhoor van de tipgever op zodanige wijze dat diens identiteit niet behoeft te worden onthuld.
2.4.4.
In het licht van de in onderdeel 2.4.3 vermelde feiten en voormelde door de Inspecteur gedane toezegging, is zonder nadere motivering die ontbreekt onbegrijpelijk ’s Hofs oordeel dat onzekerheid omtrent de betrouwbaarheid van de tipgever zonder meer tot vernietiging van de door belanghebbenden bestreden belastingaanslagen moet leiden, en dat onvoldoende aanleiding bestaat om de betrouwbaarheid van de informatie waarop de aanslagregeling is gebaseerd (nader) te doen onderzoeken.
Het middel is in zoverre terecht voorgesteld.
2.5.
Het zesde middel komt op tegen ’s Hofs beslissing tot het verlenen van een proceskostenvergoeding van € 75.000. Het Hof heeft daarbij voortgebouwd op het hiervoor in onderdeel 2.3.4 weergegeven oordeel. Aangezien dat oordeel, zoals aldaar is overwogen, geen stand houdt, ontvalt ook de grond aan ’s Hofs beslissing inzake de proceskosten. Het middel slaagt derhalve reeds op die grond. Het kan voor het overige buiten behandeling blijven.
2.6.1.
In het zevende middel wordt betoogd, met verwijzing naar de gang van zaken gedurende de behandeling in hoger beroep en de bewoordingen waarmee in de bestreden uitspraak het optreden van de Inspecteur is gekwalificeerd, dat diens recht op beoordeling door een onafhankelijke en onpartijdige rechter is geschonden. Blijkens de toelichting op het middel vindt de steller ervan met name in het verhoor van de als getuigen verschenen FIOD-ambtenaren, zoals daarvan blijkt uit het van die zitting opgemaakte proces-verbaal, en in de overwegingen die het Hof – ten overvloede – in de bestreden uitspraak heeft opgenomen met betrekking tot het door die FIOD-ambtenaren gedane beroep op een verschoningsrecht, aanleiding te veronderstellen dat geen sprake is geweest van een onpartijdige rechter als bedoeld in artikel 8:15 Awb.
2.6.2.
De omstandigheid dat het Hof zich in scherpe bewoordingen heeft uitgelaten over de processuele opstelling van de Inspecteur, en daarbij uiting heeft gegeven aan een rechtsopvatting die naar het inzicht van de steller van het middel niet houdbaar is, kan niet de zwaarwegende conclusie dragen dat ten aanzien van de Inspecteur geen sprake is geweest van een behandeling door een onafhankelijke en onpartijdige rechter. Het middel faalt.
2.7.1.
Ten overvloede merkt de Hoge Raad nog het volgende op met betrekking tot de positie van de getuigen. De in artikel 8:29 Awb opgenomen regeling laat de procespartij wiens beroep op geheimhouding of beperkte kennisneming is verworpen de mogelijkheid om te volharden in zijn weigering tot overlegging (in ongeschoonde vorm) van de desbetreffende stukken, en de uit toepassing van artikel 8:31 Awb mogelijkerwijs voortvloeiende consequenties daarvan te aanvaarden. Deze mogelijkheid is ook onderkend in de parlementaire toelichting bij artikel 8:29 Awb (Kamerstukken II, 1991/92, 22 495, nr. 3, blz. 119-120). Die mogelijkheid verloor de Inspecteur niet doordat de Rechtbank bij de behandeling in beroep oordeelde dat er geen of onvoldoende gewichtige redenen zijn om de identiteit van de tipgever verborgen te houden. Die mogelijkheid zou de Inspecteur evenmin verloren hebben indien het Hof zelfstandig de redenen had getoetst die de Inspecteur ook in hoger beroep heeft aangevoerd voor zijn weigering de naam van de tipgever bekend te maken en de desbetreffende stukken (ongeschoond) over te leggen, en na die toetsing dezelfde beslissing had bereikt als de Rechtbank.
2.7.2.
De in artikel 8:29 Awb opgenomen regeling zou van deze werking worden ontdaan indien zou worden aanvaard dat ambtenaren die tot dezelfde dienst behoren als de inspecteur, zoals de FIOD-ambtenaren, als getuigen ter zitting verschenen, kunnen worden gedwongen de gegevens prijs te geven die de inspecteur in diezelfde procedure niet wil verstrekken. Tot het verstrekken van die informatie kunnen deze getuigen dan ook niet worden gedwongen. ’s Hofs oordeel dat de FIOD-ambtenaren als getuigen verplicht zijn die informatie te verstrekken getuigt van een onjuiste rechtsopvatting.
2.8.
Het hiervoor in de onderdelen 2.3.4, 2.4.4 en 2.5 overwogene brengt mee dat de bestreden uitspraak niet in stand kan blijven en de zaak naar een ander Hof moet worden verwezen voor een nieuwe behandeling van het hoger beroep. De middelen behoeven voor het overige geen bespreking.
3Proceskosten
De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten. Door het verwijzingshof zal worden beoordeeld of aan belanghebbenden voor de kosten van het geding voor het Hof en van het geding voor de Rechtbank een vergoeding dient te worden toegekend.
4Beslissing
De Hoge Raad:
verklaart het beroep in cassatie gegrond,
vernietigt de uitspraak van het Hof, en
verwijst het geding naar het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch ter verdere behandeling en beslissing van de zaak met inachtneming van dit arrest.
Dit arrest is gewezen door de vice-president R.J. Koopman als voorzitter, en de raadsheren C. Schaap, M.A. Fierstra, Th. Groeneveld en J. Wortel, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 18 december 2015.
Derde Kamer
Nr. 15/01348
18 december 2015
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van de Staatssecretaris van Financiën tegen de uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 3 februari 2015, nrs. 13/00748 t/m 13/00760, op het hoger beroep van de erfgenamen van [X], gewoond hebbende te [Z],(hierna: belanghebbenden) tegen een uitspraak van de Rechtbank Gelderland van 6 juni 2013, nrs. AWB 11/1635, 11/1636, 11/3379, 11/3382 t/m 11/3385, 11/3387, 11/3389, 11/3392 en 11/3394 t/m 11/3396, betreffende aan de erflater over de jaren 1997 en 1999 tot en met 2007 opgelegde navorderingsaanslagen in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (hierna IB/PVV), de voor het jaar 2008 opgelegde aanslag IB/PVV, de over de jaren 1998 en 2000 opgelegde navorderingsaanslagen vermogensbelasting (hierna: VB) en de daarbij gegeven beschikkingen inzake heffingsrente. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
1Geding in cassatie
De Staatssecretaris heeft tegen ’s Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Belanghebbenden hebben een verweerschrift ingediend.
De Advocaat-Generaal R.L.H. IJzerman heeft op 21 augustus 2015 geconcludeerd tot gegrondverklaring van het beroep in cassatie.
Zowel de Staatssecretaris als belanghebbenden hebben schriftelijk op de conclusie gereageerd.
2Beoordeling van de middelen
2.1.
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
2.1.1.
Begin 2009 is de FIOD benaderd door een persoon (hierna: de tipgever) die stelde over informatie te beschikken betreffende bankrekeningen van Nederlandse ingezetenen bij drie in Luxemburg gevestigde banken. Met de tipgever is overeengekomen dat hij deze informatie aan de Belastingdienst verstrekt tegen een beloning die een percentage beloopt van de IB/PVV, VB en de heffingsrente die wordt betaald op belastingaanslagen die met behulp van deze informatie kunnen worden opgelegd. Bij de met de tipgever gesloten overeenkomst heeft de Belastingdienst zich verplicht de identiteit van de tipgever niet bekend te maken.
2.1.2.
De informatie van de tipgever houdt, voor zover hier van belang, in dat bij een van de Luxemburgse banken een rekening liep ten name van [A] (hierna: de erflater), nummer [001] , met een saldo van Hfl. 920.699 per 7 februari 1996 en een saldo van Hfl. 1.030.000 per 7 juli 1996.
2.1.3.
Naar aanleiding van deze informatie zijn de hiervoor genoemde (navorderings)aanslagen opgelegd. Boetebeschikkingen die bij gelegenheid van het opleggen van deze (navorderings)aanslagen zijn vastgesteld, zijn nadien ambtshalve vernietigd in verband met het overlijden van de erflater.
2.1.4.
In zijn bezwaar tegen de navorderingsaanslag IB/PVV 2006 is de erflater niet-ontvankelijk verklaard. De bezwaren van erflater tegen de overige (navorderings)aanslagen zijn ongegrond verklaard.
2.1.5.
In het door de erflater ingestelde beroep heeft de Inspecteur meegedeeld dat de naam van de tipgever niet wordt bekend gemaakt, en te kennen gegeven dat hij de op de tipgever betrekking hebbende stukken alleen in geschoonde vorm wil overleggen, met weglating van elke verwijzing naar de identiteit van de tipgever. De geheimhoudingskamer van de Rechtbank heeft bepaald dat de naam van de tipgever en de gehele inhoud van de met hem gesloten overeenkomst moeten worden bekend gemaakt. De Inspecteur heeft dit geweigerd. De einduitspraak van de Rechtbank houdt in dat aan deze weigering geen gevolgen worden verbonden omdat de belanghebbenden, inmiddels de erven, daardoor niet in hun belangen zijn geschaad.
2.1.6.
In eerste aanleg hebben belanghebbenden de Rechtbank verzocht de bij de Belastingdienst werkzame ambtenaren die contact met de tipgever hebben gehad als getuigen op te roepen. De Rechtbank heeft doen weten voor die oproeping geen aanleiding te zien. Tijdens de behandeling ter zitting in hoger beroep heeft de Inspecteur zich doen vergezellen van twee bij de Belastingdienst FIOD werkzame opsporingsambtenaren (hierna: de FIOD-ambtenaren) die ten overstaan van het Hof als getuigen de eed of de belofte hebben afgelegd. Vragen betreffende de identiteit van de tipgever hebben de FIOD-ambtenaren onbeantwoord gelaten met een beroep op een aan hun wettelijke geheimhoudingsplicht ontleend verschoningsrecht.
2.2.
Het eerste middel, dat betrekking heeft op de hiervoor in 2.1.4 bedoelde niet-ontvankelijkverklaring, kan niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, aangezien dit middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
2.3.1.
Het tweede middel bestrijdt ’s Hofs oordeel dat in dit geding vaststaat dat de naam van de tipgever niet met toepassing van artikel 8:29 Awb geheimgehouden mag worden.
2.3.2.
Ook bij zijn verweerschrift in hoger beroep heeft de Inspecteur niet de ongeschoonde stukken overgelegd die hij in het geding voor de Rechtbank geweigerd had over te leggen. Hieruit moest het Hof begrijpen dat de Inspecteur met een beroep op artikel 8:29, lid 1, Awb ook in hoger beroep weigerde de (niet-geanonimiseerde) stukken over te leggen (vgl. HR 3 april 2009, nr. 07/13014, ECLI:NL:HR:2009:BH9184, BNB 2009/153). Ter zitting van het Hof heeft de Inspecteur desgevraagd verklaard dat de uitspraak van de geheimhoudingskamer van de Rechtbank in hoger beroep niet werd aangevochten, waarbij van de zijde van de Inspecteur ook werd medegedeeld dat het dossier ook na een nieuwe procedure voor een geheimhoudingskamer van het Hof niet zou veranderen. De in hoger beroep gekozen procesopstelling van de Inspecteur brengt mee dat de Staatssecretaris in cassatie niet kan klagen over het oordeel van het Hof dat kon worden volstaan met beantwoording van de vraag welke gevolgen op de voet van artikel 8:31 Awb moeten worden verbonden aan de omstandigheid dat de Inspecteur niet heeft voldaan aan zijn verplichting tot overlegging van alle stukken. In zoverre faalt het middel.
2.3.3.
Het middel keert zich tevens tegen de oordelen van het Hof dat de Inspecteur met zijn weigering de gevraagde gegevens betreffende de tipgever te verstrekken – door overlegging van ongeschoonde stukken of op andere wijze – de rechtsorde ernstig heeft geschonden en dat dit op zichzelf reeds rechtvaardigt dat het Hof daaruit de gevolgtrekking maakt dat de aanslagen moeten worden vernietigd.
2.3.4.
Het Hof is er bij deze oordelen kennelijk van uitgegaan dat een inspecteur die na afwijzing van zijn beroep op artikel 8:29 Awb volhardt in zijn weigering een bepaald op de zaak betrekking hebbend stuk (ongeschoond) over te leggen, steeds de rechtsorde in ernstige mate schendt, en dat deze handelwijze op zichzelf reeds voldoende aanleiding kan zijn de in geschil zijnde belastingaanslag(en) te vernietigen. Daarmee heeft het Hof blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting. Het Hof heeft aldus miskend dat bij toepassing van artikel 8:31 Awb alle omstandigheden van het geval moeten worden meegewogen, waaronder het belang van de niet overgelegde stukken voor de waarheidsvinding. In zoverre treft het middel doel.
2.4.1.
Het derde middel bevat klachten over de door het Hof gehanteerde bewijslastverdeling. Het middel richt zich met name tegen het oordeel dat de aan de erflater opgelegde belastingaanslagen moeten worden vernietigd omdat de betrouwbaarheid van de tipgever niet vaststaat.
2.4.2.
Bij de beoordeling van het middel wordt het volgende vooropgesteld. Het door het Hof gegeven oordeel komt erop neer dat met toepassing van artikel 8:31 Awb is vastgesteld dat de Inspecteur niet aannemelijk heeft gemaakt dat de aan de erflater opgelegde aanslagen op deugdelijke gronden berusten en in stand kunnen blijven. Zoals in het algemeen geldt voor oordelen betreffende de bewijswaardering, worden aan een dergelijk overeenkomstig artikel 8:31 Awb gegeven oordeel geen hoge motiveringseisen gesteld. Wel zal dat oordeel zodanig met redenen moeten zijn omkleed dat het op begrijpelijkheid kan worden getoetst.
2.4.3.
De Inspecteur heeft in hoger beroep aangevoerd dat van de 76 personen aan wie naar aanleiding van de door de tipgever verstrekte informatie een vragenbrief is verstuurd, er inmiddels 71 hebben erkend in Luxemburg (een) bankrekening(en) te hebben aangehouden. Blijkens zijn overwegingen is het Hof van de juistheid daarvan uitgegaan. Ook staat in cassatie vast, dat in geen enkel geval is gebleken dat de door de tipgever verstrekte informatie onjuist is en dat de belanghebbenden zelf (de beide kinderen van de erflater) behoren tot degenen die hebben erkend dat de informatie van de tipgever te hunnen aanzien juist is. In de bestreden uitspraak is verder melding gemaakt van de toezegging van de Inspecteur mee te werken aan een verhoor van de tipgever op zodanige wijze dat diens identiteit niet behoeft te worden onthuld.
2.4.4.
In het licht van de in onderdeel 2.4.3 vermelde feiten en voormelde door de Inspecteur gedane toezegging, is zonder nadere motivering die ontbreekt onbegrijpelijk ’s Hofs oordeel dat onzekerheid omtrent de betrouwbaarheid van de tipgever zonder meer tot vernietiging van de door belanghebbenden bestreden belastingaanslagen moet leiden, en dat onvoldoende aanleiding bestaat om de betrouwbaarheid van de informatie waarop de aanslagregeling is gebaseerd (nader) te doen onderzoeken.
Het middel is in zoverre terecht voorgesteld.
2.5.
Het zesde middel komt op tegen ’s Hofs beslissing tot het verlenen van een proceskostenvergoeding van € 75.000. Het Hof heeft daarbij voortgebouwd op het hiervoor in onderdeel 2.3.4 weergegeven oordeel. Aangezien dat oordeel, zoals aldaar is overwogen, geen stand houdt, ontvalt ook de grond aan ’s Hofs beslissing inzake de proceskosten. Het middel slaagt derhalve reeds op die grond. Het kan voor het overige buiten behandeling blijven.
2.6.1.
In het zevende middel wordt betoogd, met verwijzing naar de gang van zaken gedurende de behandeling in hoger beroep en de bewoordingen waarmee in de bestreden uitspraak het optreden van de Inspecteur is gekwalificeerd, dat diens recht op beoordeling door een onafhankelijke en onpartijdige rechter is geschonden. Blijkens de toelichting op het middel vindt de steller ervan met name in het verhoor van de als getuigen verschenen FIOD-ambtenaren, zoals daarvan blijkt uit het van die zitting opgemaakte proces-verbaal, en in de overwegingen die het Hof – ten overvloede – in de bestreden uitspraak heeft opgenomen met betrekking tot het door die FIOD-ambtenaren gedane beroep op een verschoningsrecht, aanleiding te veronderstellen dat geen sprake is geweest van een onpartijdige rechter als bedoeld in artikel 8:15 Awb.
2.6.2.
De omstandigheid dat het Hof zich in scherpe bewoordingen heeft uitgelaten over de processuele opstelling van de Inspecteur, en daarbij uiting heeft gegeven aan een rechtsopvatting die naar het inzicht van de steller van het middel niet houdbaar is, kan niet de zwaarwegende conclusie dragen dat ten aanzien van de Inspecteur geen sprake is geweest van een behandeling door een onafhankelijke en onpartijdige rechter. Het middel faalt.
2.7.1.
Ten overvloede merkt de Hoge Raad nog het volgende op met betrekking tot de positie van de getuigen. De in artikel 8:29 Awb opgenomen regeling laat de procespartij wiens beroep op geheimhouding of beperkte kennisneming is verworpen de mogelijkheid om te volharden in zijn weigering tot overlegging (in ongeschoonde vorm) van de desbetreffende stukken, en de uit toepassing van artikel 8:31 Awb mogelijkerwijs voortvloeiende consequenties daarvan te aanvaarden. Deze mogelijkheid is ook onderkend in de parlementaire toelichting bij artikel 8:29 Awb (Kamerstukken II, 1991/92, 22 495, nr. 3, blz. 119-120). Die mogelijkheid verloor de Inspecteur niet doordat de Rechtbank bij de behandeling in beroep oordeelde dat er geen of onvoldoende gewichtige redenen zijn om de identiteit van de tipgever verborgen te houden. Die mogelijkheid zou de Inspecteur evenmin verloren hebben indien het Hof zelfstandig de redenen had getoetst die de Inspecteur ook in hoger beroep heeft aangevoerd voor zijn weigering de naam van de tipgever bekend te maken en de desbetreffende stukken (ongeschoond) over te leggen, en na die toetsing dezelfde beslissing had bereikt als de Rechtbank.
2.7.2.
De in artikel 8:29 Awb opgenomen regeling zou van deze werking worden ontdaan indien zou worden aanvaard dat ambtenaren die tot dezelfde dienst behoren als de inspecteur, zoals de FIOD-ambtenaren, als getuigen ter zitting verschenen, kunnen worden gedwongen de gegevens prijs te geven die de inspecteur in diezelfde procedure niet wil verstrekken. Tot het verstrekken van die informatie kunnen deze getuigen dan ook niet worden gedwongen. ’s Hofs oordeel dat de FIOD-ambtenaren als getuigen verplicht zijn die informatie te verstrekken getuigt van een onjuiste rechtsopvatting.
2.8.
Het hiervoor in de onderdelen 2.3.4, 2.4.4 en 2.5 overwogene brengt mee dat de bestreden uitspraak niet in stand kan blijven en de zaak naar een ander Hof moet worden verwezen voor een nieuwe behandeling van het hoger beroep. De middelen behoeven voor het overige geen bespreking.
3Proceskosten
De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten. Door het verwijzingshof zal worden beoordeeld of aan belanghebbenden voor de kosten van het geding voor het Hof en van het geding voor de Rechtbank een vergoeding dient te worden toegekend.
4Beslissing
De Hoge Raad:
verklaart het beroep in cassatie gegrond,
vernietigt de uitspraak van het Hof, en
verwijst het geding naar het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch ter verdere behandeling en beslissing van de zaak met inachtneming van dit arrest.
Dit arrest is gewezen door de vice-president R.J. Koopman als voorzitter, en de raadsheren C. Schaap, M.A. Fierstra, Th. Groeneveld en J. Wortel, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 18 december 2015.