Hoge Raad
ECLI:NL:HR:2015:3310
2015-11-20
Bestuursrecht; Belastingrecht
15/00199
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Formele procesketen
- cassatie ECLI:NL:HR:2015:3310 → ECLI:NL:GHARL:2014:9824 bekrachtiging/bevestiging
- conclusie ECLI:NL:HR:2015:3310 → ECLI:NL:PHR:2015:1696 gevolgd
Inhoudsindicatie
Loonbelasting. Artikel 10, lid 1, Wet op de Loonbelasting 1964. Door voormalige werkgever aan ontslagen werknemer betaalde vergoeding van immateriële schade; voldoende verband met voormalige dienstbetrekking.
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (15)
- ECLI:NL:OGEAC:2025:250 Gerecht in eerste aanleg van Curaçao 21-11-2025
- ECLI:NL:RBNHO:2024:7323 Rechtbank Noord-Holland 20-06-2024
- ECLI:NL:RBNHO:2024:7323 Rechtbank Noord-Holland 20-06-2024
- ECLI:NL:GHDHA:2021:1988 Gerechtshof Den Haag 22-09-2021
- ECLI:NL:GHDHA:2021:576 Gerechtshof Den Haag 17-03-2021
- ECLI:NL:RBDHA:2020:12998 Rechtbank Den Haag 10-12-2020
- ECLI:NL:RBNHO:2020:7995 Rechtbank Noord-Holland 20-10-2020
- ECLI:NL:PHR:2020:758 Parket bij de Hoge Raad 31-08-2020
- ECLI:NL:RBZWB:2020:1475 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 27-03-2020
- ECLI:NL:PHR:2017:558 Parket bij de Hoge Raad 13-06-2017
- ECLI:NL:PHR:2017:557 Parket bij de Hoge Raad 13-06-2017
- ECLI:NL:PHR:2016:1239 Parket bij de Hoge Raad 01-12-2016
- ECLI:NL:PHR:2016:1130 Parket bij de Hoge Raad 09-11-2016
- ECLI:NL:PHR:2016:1130 Parket bij de Hoge Raad 09-11-2016
- ECLI:NL:GHARL:2016:5536 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 05-07-2016
Volledige tekst
Volledige tekst (4.083 tekens)
Hoge Raad der Nederlanden
Derde Kamer
Nr. 15/00199
20 november 2015
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van [X] te [Z] (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 16 december 2014, nr. 13/01074, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Gelderland (nr. AWB 12/5019) betreffende het van belanghebbende ingehouden bedrag aan loonbelasting/premie volksverzekeringen over het tijdvak 1 mei 2012 tot en met 31 mei 2012. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
1Geding in cassatie
Belanghebbende heeft tegen ’s Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.
De Advocaat-Generaal R.E.C.M. Niessen heeft op 28 juli 2015 geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep in cassatie.
Belanghebbende heeft schriftelijk op de conclusie gereageerd.
2Beoordeling van de middelen
2.1.
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
2.1.1.
Belanghebbende heeft op 13 oktober 2011 een vaststellingsovereenkomst gesloten ter regeling van de financiële gevolgen van de beëindiging van zijn dienstbetrekking bij zijn (voormalige) werkgever, de Stichting [A] te [Q] (hierna: de werkgever).
2.1.2.
In de vaststellingsovereenkomst staat onder meer dat de werkgever een bedrag van € 85.000 bruto aan belanghebbende zal betalen als vergoeding van immateriële schade in de zin van artikel 6:106, lid 1, onder b, BW.
2.1.3.
De werkgever heeft dit bedrag uitbetaald onder inhouding van een bedrag van € 44.200 aan loonbelasting/premie volksverzekeringen.
2.2.
Voor het Hof was in geschil of het bedrag van € 85.000 tot het belastbare loon van belanghebbende moet worden gerekend.
2.3.
Het Hof heeft geoordeeld dat het door de werkgever toegekende bedrag rechtstreeks voortvloeit uit de (vroegere) dienstbetrekking tussen de werkgever en belanghebbende. Daarom dient het volledige bedrag tot het loon uit dienstbetrekking te worden gerekend tenzij belanghebbende aannemelijk maakt dat (een deel van) het bedrag niet zozeer zijn grond vindt in de dienstbetrekking dat het als daaruit genoten moet worden aangemerkt, aldus het Hof. Naar het oordeel van het Hof heeft belanghebbende niet aannemelijk gemaakt dat het bedrag van € 85.000 is toegekend als vergoeding van aan de werkgever toe te rekenen immateriële schade. Daarbij heeft het Hof nog overwogen dat, voor zover belanghebbende dit bedrag beschouwt als vergoeding van psychisch leed door de wijze waarop hij is ontslagen en voorafgaande aan het ontslag is behandeld, sprake is van psychisch leed dat inherent is aan de afwikkeling van een dienstbetrekking door onvrijwillig ontslag.
2.4.
De tegen deze oordelen gerichte middelen, die zich voor gezamenlijke beoordeling lenen, falen. Voor zover de middelen inhouden dat het Hof heeft blijk gegeven van onjuiste rechtsopvattingen, stuiten zij af op hetgeen is vermeld in de onderdelen 6.9 en 6.17 van de conclusie van de Advocaat-Generaal. Voor het overige keren de middelen zich tegen oordelen die, als verweven met waarderingen van feitelijke aard, in cassatie niet op juistheid kunnen worden getoetst. Die oordelen zijn ook niet onbegrijpelijk of ontoereikend gemotiveerd.
3Proceskosten
De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.
4Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de raadsheer C. Schaap als voorzitter, en de raadsheren Th. Groeneveld en J. Wortel, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 20 november 2015.
Derde Kamer
Nr. 15/00199
20 november 2015
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van [X] te [Z] (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 16 december 2014, nr. 13/01074, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Gelderland (nr. AWB 12/5019) betreffende het van belanghebbende ingehouden bedrag aan loonbelasting/premie volksverzekeringen over het tijdvak 1 mei 2012 tot en met 31 mei 2012. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
1Geding in cassatie
Belanghebbende heeft tegen ’s Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.
De Advocaat-Generaal R.E.C.M. Niessen heeft op 28 juli 2015 geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep in cassatie.
Belanghebbende heeft schriftelijk op de conclusie gereageerd.
2Beoordeling van de middelen
2.1.
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
2.1.1.
Belanghebbende heeft op 13 oktober 2011 een vaststellingsovereenkomst gesloten ter regeling van de financiële gevolgen van de beëindiging van zijn dienstbetrekking bij zijn (voormalige) werkgever, de Stichting [A] te [Q] (hierna: de werkgever).
2.1.2.
In de vaststellingsovereenkomst staat onder meer dat de werkgever een bedrag van € 85.000 bruto aan belanghebbende zal betalen als vergoeding van immateriële schade in de zin van artikel 6:106, lid 1, onder b, BW.
2.1.3.
De werkgever heeft dit bedrag uitbetaald onder inhouding van een bedrag van € 44.200 aan loonbelasting/premie volksverzekeringen.
2.2.
Voor het Hof was in geschil of het bedrag van € 85.000 tot het belastbare loon van belanghebbende moet worden gerekend.
2.3.
Het Hof heeft geoordeeld dat het door de werkgever toegekende bedrag rechtstreeks voortvloeit uit de (vroegere) dienstbetrekking tussen de werkgever en belanghebbende. Daarom dient het volledige bedrag tot het loon uit dienstbetrekking te worden gerekend tenzij belanghebbende aannemelijk maakt dat (een deel van) het bedrag niet zozeer zijn grond vindt in de dienstbetrekking dat het als daaruit genoten moet worden aangemerkt, aldus het Hof. Naar het oordeel van het Hof heeft belanghebbende niet aannemelijk gemaakt dat het bedrag van € 85.000 is toegekend als vergoeding van aan de werkgever toe te rekenen immateriële schade. Daarbij heeft het Hof nog overwogen dat, voor zover belanghebbende dit bedrag beschouwt als vergoeding van psychisch leed door de wijze waarop hij is ontslagen en voorafgaande aan het ontslag is behandeld, sprake is van psychisch leed dat inherent is aan de afwikkeling van een dienstbetrekking door onvrijwillig ontslag.
2.4.
De tegen deze oordelen gerichte middelen, die zich voor gezamenlijke beoordeling lenen, falen. Voor zover de middelen inhouden dat het Hof heeft blijk gegeven van onjuiste rechtsopvattingen, stuiten zij af op hetgeen is vermeld in de onderdelen 6.9 en 6.17 van de conclusie van de Advocaat-Generaal. Voor het overige keren de middelen zich tegen oordelen die, als verweven met waarderingen van feitelijke aard, in cassatie niet op juistheid kunnen worden getoetst. Die oordelen zijn ook niet onbegrijpelijk of ontoereikend gemotiveerd.
3Proceskosten
De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.
4Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de raadsheer C. Schaap als voorzitter, en de raadsheren Th. Groeneveld en J. Wortel, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 20 november 2015.