Hoge Raad
ECLI:NL:HR:2015:2891
2015-10-02
Bestuursrecht; Belastingrecht
14/04077
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Formele procesketen
- cassatie ECLI:NL:HR:2015:2891 → ECLI:NL:GHDHA:2014:3180 bekrachtiging/bevestiging
Inhoudsindicatie
Vermakelijkheidsretributie; artikel 8:73 Awb, immateriële schadevergoeding. Geen overschrijding van de redelijke (beslis)termijn vanwege de ingewikkeldheid van de zaak.
Citeert (2)
- ECLI:NL:HR:2012:BV0264 Hoge Raad 13-07-2012
- ECLI:NL:HR:2013:BZ1352 Hoge Raad 15-02-2013
Geciteerd door (1)
- ECLI:NL:GHAMS:2015:5325 Gerechtshof Amsterdam 03-12-2015
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (3.742 tekens)
2 oktober 2015
nr. 14/04077
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van [X] B.V. te [Z] (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het Gerechtshof Den Haag van 22 juli 2014, nrs. BK-12/00547, 13/00244, 13/01673 tot en met 13/01681 en 14/00027 tot en met 14/00034, betreffende de door belanghebbende voor de kwartalen in de periode van 1 januari 2005 tot en met 30 september 2009 voldane bedragen aan vermakelijkheidsretributie aan de gemeente Amsterdam. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
1Het eerste geding in cassatie
De uitspraken van het Gerechtshof te Amsterdam zijn bij arresten van de Hoge Raad van 13 juli 2012, nr. 11/00162, ECLI:NL:HR:2012:BV0264, BNB 2013/2 en 15 februari 2013, nr. 12/01794, ECLI:NL:HR:2013:BZ1352, vernietigd met verwijzing naar het Gerechtshof Den Haag (hierna: het Hof) ter verdere behandeling en beslissing van de zaken met inachtneming van die arresten. Het Hof heeft de uitspraken van de Rechtbank te Amsterdam betreffende:
- de voldoening op aangifte voor de kwartalen in de periode 1 januari 2005 tot en met 31 maart 2007 (hierna: de eerste tranche) bevestigd; en
- de voldoening op aangifte voor de kwartalen in de periode 1 april 2007 tot en met 30 september 2009 (hierna: de tweede tranche) vernietigd.
2Het tweede geding in cassatie
Belanghebbende heeft tegen ’s Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam (hierna: het College) heeft een verweerschrift ingediend. Het College heeft tevens (voorwaardelijk) incidenteel beroep in cassatie ingesteld.
Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend. Zij heeft tevens haar zienswijze omtrent het incidentele beroep naar voren gebracht.
Het College heeft in het incidentele beroep een conclusie van repliek ingediend.
Belanghebbende heeft in het incidentele beroep een conclusie van dupliek ingediend.
3Beoordeling van het principale beroep in cassatie
3.1.
Het middel klaagt terecht over het uitblijven van een beslissing op belanghebbendes verzoek om een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn.
3.2.
Tot cassatie kan dit evenwel niet leiden. De stukken van het geding laten geen andere conclusie toe dan dat de onderhavige procedure gelet op de ingewikkeldheid van de zaak binnen een redelijke termijn is behandeld.
3.3.
Het middel kan voor het overige evenmin tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu het middel voor het overige niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4Beoordeling van de ontvankelijkheid van het incidentele beroep
Aangezien het principale beroep niet tot vernietiging van ’s Hofs uitspraak leidt, is de voorwaarde waaronder het incidentele beroep is ingesteld, niet vervuld. Gelet op artikel 8:112, lid 2, Awb vervalt het incidentele beroep derhalve.
5Proceskosten
De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.
6Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de vice-president R.J. Koopman als voorzitter, en de raadsheren M.A. Fierstra en J. Wortel, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 2 oktober 2015.
nr. 14/04077
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van [X] B.V. te [Z] (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het Gerechtshof Den Haag van 22 juli 2014, nrs. BK-12/00547, 13/00244, 13/01673 tot en met 13/01681 en 14/00027 tot en met 14/00034, betreffende de door belanghebbende voor de kwartalen in de periode van 1 januari 2005 tot en met 30 september 2009 voldane bedragen aan vermakelijkheidsretributie aan de gemeente Amsterdam. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
1Het eerste geding in cassatie
De uitspraken van het Gerechtshof te Amsterdam zijn bij arresten van de Hoge Raad van 13 juli 2012, nr. 11/00162, ECLI:NL:HR:2012:BV0264, BNB 2013/2 en 15 februari 2013, nr. 12/01794, ECLI:NL:HR:2013:BZ1352, vernietigd met verwijzing naar het Gerechtshof Den Haag (hierna: het Hof) ter verdere behandeling en beslissing van de zaken met inachtneming van die arresten. Het Hof heeft de uitspraken van de Rechtbank te Amsterdam betreffende:
- de voldoening op aangifte voor de kwartalen in de periode 1 januari 2005 tot en met 31 maart 2007 (hierna: de eerste tranche) bevestigd; en
- de voldoening op aangifte voor de kwartalen in de periode 1 april 2007 tot en met 30 september 2009 (hierna: de tweede tranche) vernietigd.
2Het tweede geding in cassatie
Belanghebbende heeft tegen ’s Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam (hierna: het College) heeft een verweerschrift ingediend. Het College heeft tevens (voorwaardelijk) incidenteel beroep in cassatie ingesteld.
Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend. Zij heeft tevens haar zienswijze omtrent het incidentele beroep naar voren gebracht.
Het College heeft in het incidentele beroep een conclusie van repliek ingediend.
Belanghebbende heeft in het incidentele beroep een conclusie van dupliek ingediend.
3Beoordeling van het principale beroep in cassatie
3.1.
Het middel klaagt terecht over het uitblijven van een beslissing op belanghebbendes verzoek om een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn.
3.2.
Tot cassatie kan dit evenwel niet leiden. De stukken van het geding laten geen andere conclusie toe dan dat de onderhavige procedure gelet op de ingewikkeldheid van de zaak binnen een redelijke termijn is behandeld.
3.3.
Het middel kan voor het overige evenmin tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu het middel voor het overige niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4Beoordeling van de ontvankelijkheid van het incidentele beroep
Aangezien het principale beroep niet tot vernietiging van ’s Hofs uitspraak leidt, is de voorwaarde waaronder het incidentele beroep is ingesteld, niet vervuld. Gelet op artikel 8:112, lid 2, Awb vervalt het incidentele beroep derhalve.
5Proceskosten
De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.
6Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de vice-president R.J. Koopman als voorzitter, en de raadsheren M.A. Fierstra en J. Wortel, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 2 oktober 2015.