Hoge Raad
ECLI:NL:HR:2015:2478
2015-09-08
Strafrecht
14/03018
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Formele procesketen
- conclusie ECLI:NL:HR:2015:2478 → ECLI:NL:PHR:2015:1367 gevolgd
Inhoudsindicatie
Vordering b.p., wettelijke rente. Blijkens het p-v van de tz. in h.b. is aldaar noch door de verdachte noch door zijn raadsman aangevoerd dat de wettelijke rente niet, zoals door de Rb was beslist, vanaf de pleegdatum van het tlgd. feit, is verschuldigd, maar vanaf een latere datum. Zo een verweer kan niet voor het eerst in cassatie worden gevoerd, aangezien de beoordeling daarvan een onderzoek van feitelijke aard zou vergen.
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (6)
- ECLI:NL:PHR:2019:1346 Parket bij de Hoge Raad 19-11-2019
- ECLI:NL:PHR:2017:953 Parket bij de Hoge Raad 27-06-2017
- ECLI:NL:PHR:2017:953 Parket bij de Hoge Raad 27-06-2017
- ECLI:NL:PHR:2015:2641 Parket bij de Hoge Raad 01-12-2015
- ECLI:NL:PHR:2015:2641 Parket bij de Hoge Raad 01-12-2015
- ECLI:NL:PHR:2015:2399 Parket bij de Hoge Raad 27-10-2015
Volledige tekst
Volledige tekst (4.112 tekens)
8 september 2015
Strafkamer
nr. S 14/03018
IV/IF
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, van 12 november 2013, nummer 21/001784-12, in de strafzaak tegen:
[verdachte]
, geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1982.
1Geding in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. B.P. de Boer, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal T.N.B.M. Spronken heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
2Beoordeling van het tweede middel
2.1.
Het middel klaagt onder meer dat het Hof ten onrechte heeft bepaald dat het bedrag dat aan de benadeelde partij moet worden betaald ter zake van gederfde inkomsten, moet worden vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 4 juni 2011, zijnde de datum van het bewezenverklaarde feit. Daartoe is aangevoerd dat deze schade pas op een later moment is ontstaan.
2.2.
De bestreden uitspraak houdt - voor zover voor de beoordeling van het middel van belang - het volgende in:
"Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij]
De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 10.993,04. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 3.508,04. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep niet opnieuw gevoegd. Het hof heeft in hoger beroep te oordelen over de gevorderde schadevergoeding voor zover deze in eerste aanleg is toegewezen.
Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het meer subsidiair bewezenverklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering zal worden toegewezen.
(...)
BESLISSING
Het hof:
(...)
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij] ter zake van het meer subsidiair bewezen verklaarde tot het bedrag van € 3.508,04 (drieduizend vijfhonderdacht euro en vier cent) ter zake van materiële schade en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.
Bepaalt dat voormeld toegewezen bedrag aan materiële schadevergoeding vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 4 juni 2011 tot aan de dag der algehele voldoening.
(...)"
2.3.
Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep is aldaar noch door de verdachte noch door zijn raadsman aangevoerd dat de wettelijke rente niet, zoals door de Rechtbank was beslist, vanaf 4 juni 2011, de pleegdatum van het tenlastegelegde feit, is verschuldigd, maar vanaf een latere datum. Zo een verweer kan niet voor het eerst in cassatie worden gevoerd, aangezien de beoordeling daarvan een onderzoek van feitelijke aard zou vergen.
2.4.
Het middel is in zoverre tevergeefs voorgesteld.
3Beoordeling van de middelen voor het overige
De middelen kunnen ook voor het overige niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81, eerste lid, RO geen nadere motivering nu de middelen in zoverre niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren H.A.G. Splinter-van Kan en Y. Buruma, in bijzijn van de waarnemend griffier S.C. Rusche, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 8 september 2015.
Strafkamer
nr. S 14/03018
IV/IF
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, van 12 november 2013, nummer 21/001784-12, in de strafzaak tegen:
[verdachte]
, geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1982.
1Geding in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. B.P. de Boer, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal T.N.B.M. Spronken heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
2Beoordeling van het tweede middel
2.1.
Het middel klaagt onder meer dat het Hof ten onrechte heeft bepaald dat het bedrag dat aan de benadeelde partij moet worden betaald ter zake van gederfde inkomsten, moet worden vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 4 juni 2011, zijnde de datum van het bewezenverklaarde feit. Daartoe is aangevoerd dat deze schade pas op een later moment is ontstaan.
2.2.
De bestreden uitspraak houdt - voor zover voor de beoordeling van het middel van belang - het volgende in:
"Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij]
De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 10.993,04. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 3.508,04. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep niet opnieuw gevoegd. Het hof heeft in hoger beroep te oordelen over de gevorderde schadevergoeding voor zover deze in eerste aanleg is toegewezen.
Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het meer subsidiair bewezenverklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering zal worden toegewezen.
(...)
BESLISSING
Het hof:
(...)
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij] ter zake van het meer subsidiair bewezen verklaarde tot het bedrag van € 3.508,04 (drieduizend vijfhonderdacht euro en vier cent) ter zake van materiële schade en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.
Bepaalt dat voormeld toegewezen bedrag aan materiële schadevergoeding vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 4 juni 2011 tot aan de dag der algehele voldoening.
(...)"
2.3.
Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep is aldaar noch door de verdachte noch door zijn raadsman aangevoerd dat de wettelijke rente niet, zoals door de Rechtbank was beslist, vanaf 4 juni 2011, de pleegdatum van het tenlastegelegde feit, is verschuldigd, maar vanaf een latere datum. Zo een verweer kan niet voor het eerst in cassatie worden gevoerd, aangezien de beoordeling daarvan een onderzoek van feitelijke aard zou vergen.
2.4.
Het middel is in zoverre tevergeefs voorgesteld.
3Beoordeling van de middelen voor het overige
De middelen kunnen ook voor het overige niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81, eerste lid, RO geen nadere motivering nu de middelen in zoverre niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren H.A.G. Splinter-van Kan en Y. Buruma, in bijzijn van de waarnemend griffier S.C. Rusche, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 8 september 2015.