Hoge Raad
ECLI:NL:HR:2015:1291
2015-05-22
Civiel recht
14/06182
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Formele procesketen
- cassatie ECLI:NL:HR:2015:1291 → ECLI:NL:GHDHA:2014:4529 niet ontvankelijk
- conclusie ECLI:NL:HR:2015:1291 → ECLI:NL:PHR:2015:318 gevolgd
Inhoudsindicatie
Art. 80a lid 1 RO. Huurkoop. Vordering tot ontbinding overeenkomst en ontruiming woning, art. 11 Twhoz.
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (2.650 tekens)
22 mei 2015
Eerste Kamer
14/06182
EE/AS
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
[eiser],wonende te [woonplaats],
EISER tot cassatie,
advocaat: mr. M.A.R. Schuckink Kool,
t e g e n
de stichting STICHTING BEHOUD WAARDEVOL ERFGOED,gevestigd te ’s-Gravenhage,
VERWEERSTER in cassatie,
niet verschenen.
Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als [eiser] en SBWE.
1Het geding in feitelijke instanties
Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:
a. de vonnissen in de zaak 1027171/11-356 van de kantonrechter in de rechtbank ’s-Gravenhage van 27 juni 2011 en 20 augustus 2012;
b. de arresten in de zaak 200.113.934/01 van het gerechtshof Den Haag van 13 november 2012 en 2 september 2014.
De arresten van het hof zijn aan dit arrest gehecht.
2Het geding in cassatie
Tegen het arrest van het hof van 2 september 2014 heeft [eiser] beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Tegen SBWE is verstek verleend.
Het standpunt van de Procureur-Generaal strekt tot tot niet-ontvankelijkheid verklaring met toepassing van art. 80a RO. De incidentele vordering tot zekerheidstelling behoeft bij deze stand van zaken geen bespreking.
De advocaat van [eiser] heeft bij brief van 2 april 2015 op dit standpunt gereageerd.
3Beoordeling van de ontvankelijkheid
De Hoge Raad is van oordeel dat de aangevoerde klachten geen behandeling in cassatie rechtvaardigen omdat de partij die het cassatieberoep heeft ingesteld klaarblijkelijk onvoldoende belang heeft bij het cassatieberoep dan wel omdat de klachten klaarblijkelijk niet tot cassatie kunnen leiden (zie het standpunt van de Procureur-Generaal onder 4-7).
De Hoge Raad zal daarom – gezien art. 80a lid 1 RO en gehoord de Procureur-Generaal – het beroep niet-ontvankelijk verklaren.
4Beslissing
De Hoge Raad:
verklaart het beroep in cassatie niet-ontvankelijk;
veroordeelt [eiser] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van SBWE begroot op nihil.
Dit arrest is gewezen door de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, als voorzitter, A.H.T. Heisterkamp en T.H. Tanja-van den Broek, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer G. de Groot op 22 mei 2015.
Eerste Kamer
14/06182
EE/AS
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
[eiser],wonende te [woonplaats],
EISER tot cassatie,
advocaat: mr. M.A.R. Schuckink Kool,
t e g e n
de stichting STICHTING BEHOUD WAARDEVOL ERFGOED,gevestigd te ’s-Gravenhage,
VERWEERSTER in cassatie,
niet verschenen.
Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als [eiser] en SBWE.
1Het geding in feitelijke instanties
Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:
a. de vonnissen in de zaak 1027171/11-356 van de kantonrechter in de rechtbank ’s-Gravenhage van 27 juni 2011 en 20 augustus 2012;
b. de arresten in de zaak 200.113.934/01 van het gerechtshof Den Haag van 13 november 2012 en 2 september 2014.
De arresten van het hof zijn aan dit arrest gehecht.
2Het geding in cassatie
Tegen het arrest van het hof van 2 september 2014 heeft [eiser] beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Tegen SBWE is verstek verleend.
Het standpunt van de Procureur-Generaal strekt tot tot niet-ontvankelijkheid verklaring met toepassing van art. 80a RO. De incidentele vordering tot zekerheidstelling behoeft bij deze stand van zaken geen bespreking.
De advocaat van [eiser] heeft bij brief van 2 april 2015 op dit standpunt gereageerd.
3Beoordeling van de ontvankelijkheid
De Hoge Raad is van oordeel dat de aangevoerde klachten geen behandeling in cassatie rechtvaardigen omdat de partij die het cassatieberoep heeft ingesteld klaarblijkelijk onvoldoende belang heeft bij het cassatieberoep dan wel omdat de klachten klaarblijkelijk niet tot cassatie kunnen leiden (zie het standpunt van de Procureur-Generaal onder 4-7).
De Hoge Raad zal daarom – gezien art. 80a lid 1 RO en gehoord de Procureur-Generaal – het beroep niet-ontvankelijk verklaren.
4Beslissing
De Hoge Raad:
verklaart het beroep in cassatie niet-ontvankelijk;
veroordeelt [eiser] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van SBWE begroot op nihil.
Dit arrest is gewezen door de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, als voorzitter, A.H.T. Heisterkamp en T.H. Tanja-van den Broek, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer G. de Groot op 22 mei 2015.