Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Hoge Raad

ECLI:NL:HR:2014:444

2014-03-07 Bestuursrecht; Belastingrecht 13/01157
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Hoge Raad
Uitspraakdatum
2014-03-07
Publicatiedatum
2014-03-03
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Belastingrecht
Procedure
Cassatie
Zaaknummer
13/01157
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl | V-N 2014/13.13 | V-N Vandaag 2014/453 | NJB 2014/585 | Belastingadvies 2014/8.10 | BNB 2014/102 | NTFR 2014/993 met annotatie van mr. J. Berns | FutD 2014-0527 | Viditax (FutD) 2014030701

Formele procesketen

Inhoudsindicatie

Art. 13, lid 2, en art. 13bis Wet LB 1964. Privégebruik auto van de zaak. Art. 13bis Wet LB 1964 is niet onverbindend.

Citeert (0)

  • geen

Geciteerd door (1)

Volledige tekst

Volledige tekst (3.744 tekens)
7 maart 2014
nr. 13/01157

Arrest


gewezen op het beroep in cassatie van [X] te [Z] (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam van 24 januari 2013, nr. 11/00097, betreffende een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen.





1Het geding in feitelijke instanties

Aan belanghebbende is voor het jaar 2008 een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is gehandhaafd.
De Rechtbank te Haarlem (nr. AWB 10/343) heeft het tegen die uitspraak ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof.
Het Hof heeft de uitspraak van de Rechtbank bevestigd. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.




2Geding in cassatie

Belanghebbende heeft tegen ’s Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.
De Advocaat-Generaal R.E.C.M. Niessen heeft op 19 november 2013 geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep in cassatie.
Belanghebbende heeft schriftelijk op de conclusie gereageerd.




3Beoordeling van de klachten

3.1.
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

3.1.1.
Belanghebbende was in 2008 in loondienst bij [A] B.V. Hem stond in dat jaar een auto ter beschikking.


3.1.2.
Belanghebbende heeft in 2008 met de auto 6000 kilometer afgelegd voor privédoeleinden.


3.1.3.
Voor het privégebruik van de auto is bij het vaststellen van de onderhavige aanslag een bedrag aan loon in natura in aanmerking genomen op de voet van artikel 13bis van de Wet op de loonbelasting 1964 (hierna: de Wet LB 1964).



3.2.
Voor het Hof was in geschil of de Inspecteur terecht en tot het juiste bedrag een voordeel in aanmerking heeft genomen ter zake van het privégebruik van de auto. Het Hof heeft deze vraag bevestigend beantwoord. Hiertegen zijn de klachten gericht.


3.3.

De eerste klacht is gericht tegen ’s Hofs verwerping van belanghebbendes standpunt dat bij de berekening van het voordeel ter zake van het privégebruik van de auto de waarderingsregels van artikel 13bis van de Wet LB 1964 buiten aanmerking moeten blijven.
De klacht berust op de opvatting dat de formele wetgever niet bevoegd was artikel 13bis van de Wet LB 1964 in te voeren, omdat hij de regelgevende bevoegdheid tot het stellen van waarderingsregels met betrekking tot niet in geld genoten loon had gedelegeerd in artikel 13, lid 2, van de Wet LB 1964, welke delegatie niet was ingetrokken. Voor deze opvatting is echter geen steun te vinden in het recht. ’s Hofs oordeel is dan ook juist. De eerste klacht faalt.



3.4.
De overige klachten falen op de gronden vermeld in de onderdelen 5.23 tot en met 5.26 van de conclusie van de Advocaat-Generaal.




4Proceskosten
De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.



5Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.


Dit arrest is gewezen door de vice-president M.W.C. Feteris als voorzitter, en de raadsheren C. Schaap, P.M.F. van Loon, M.A. Fierstra en Th. Groeneveld, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 7 maart 2014.