Hoge Raad
ECLI:NL:HR:2014:3321
2014-11-21
Bestuursrecht; Belastingrecht
14/01715
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Formele procesketen
- cassatie ECLI:NL:HR:2014:3321 → ECLI:NL:GHAMS:2014:756 (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Inhoudsindicatie
Formeel belastingrecht; art. 6 EVRM en art. 8:73 Awb. Standaarduitstel voor motivering pro forma bezwaar van vier weken vormt geen bijzondere omstandigheid.
Citeert (1)
- ECLI:NL:HR:2014:3117 Hoge Raad 07-11-2014
Geciteerd door (31)
- ECLI:NL:GHARL:2026:5744 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 01-09-2026
- ECLI:NL:HR:2026:735 Hoge Raad 01-05-2026
- ECLI:NL:PHR:2026:248 Parket bij de Hoge Raad 13-03-2026
- ECLI:NL:PHR:2026:248 Parket bij de Hoge Raad 13-03-2026
- ECLI:NL:PHR:2026:248 Parket bij de Hoge Raad 13-03-2026
- ECLI:NL:GHARL:2025:3894 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 24-06-2025
- ECLI:NL:RBNHO:2025:849 Rechtbank Noord-Holland 28-01-2025
- ECLI:NL:GHARL:2023:8797 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 17-10-2023
- ECLI:NL:GHARL:2023:8798 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 17-10-2023
- ECLI:NL:RBOBR:2023:4883 Rechtbank Oost-Brabant 09-10-2023
- ECLI:NL:RBZWB:2023:4613 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 11-07-2023
- ECLI:NL:RBZWB:2023:4612 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 11-07-2023
- ECLI:NL:RBZWB:2023:4611 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 11-07-2023
- ECLI:NL:RBZWB:2023:4614 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 11-07-2023
- ECLI:NL:RBZWB:2023:1928 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 23-03-2023
- ECLI:NL:RBZWB:2023:95 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 09-01-2023
- ECLI:NL:GHARL:2023:2 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 03-01-2023
- ECLI:NL:GHARL:2023:3 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 03-01-2023
- ECLI:NL:GHARL:2023:4 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 03-01-2023
- ECLI:NL:GHARL:2023:1 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 03-01-2023
- ECLI:NL:GHARL:2022:10438 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 06-12-2022
- ECLI:NL:RBZWB:2022:3787 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 11-07-2022
- ECLI:NL:RBZWB:2022:1832 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 07-04-2022
- ECLI:NL:HR:2021:1351 Hoge Raad 24-09-2021
- ECLI:NL:RBZWB:2016:2446 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 22-04-2016
- ECLI:NL:GHAMS:2015:5691 Gerechtshof Amsterdam 08-12-2015
- ECLI:NL:GHSHE:2015:3522 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 11-09-2015
- ECLI:NL:GHSHE:2015:3521 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 11-09-2015
- ECLI:NL:GHDHA:2015:2330 Gerechtshof Den Haag 18-08-2015
- ECLI:NL:GHDHA:2015:2329 Gerechtshof Den Haag 18-08-2015
- ECLI:NL:GHDHA:2015:2329 Gerechtshof Den Haag 18-08-2015
Volledige tekst
Volledige tekst (4.537 tekens)
21 november 2014
nr. 14/01715
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van de Staatssecretaris van Financiën tegen de uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam van 27 februari 2014, nrs. 10/00138 tot en met 10/00148 en 11/00219 tot en met 11/00221, betreffende verzoeken van [X] te [Z] (hierna: belanghebbende) om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn voor de berechting van zijn zaken. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
1Geding in cassatie
De Staatssecretaris van Financiën heeft tegen ’s Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend.
De Staatssecretaris heeft een conclusie van repliek ingediend.
Belanghebbende heeft een conclusie van dupliek ingediend.
2Beoordeling van het middel
2.1.
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
2.1.1.
De zaken met Hofnummers 11/00219 tot en met 11/00221, door het Hof aangeduid als cluster 2, hebben betrekking op de aanslagen inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen voor de jaren 2005 tot en met 2007 (hierna: cluster 2).
2.1.2.
Het eerste pro forma bezwaarschrift van cluster 2 is op 29 oktober 2008 ingediend. De Inspecteur heeft belanghebbende op zijn verzoek twee maal uitstel verleend voor het motiveren van dit bezwaar. De motivering is op 29 juli 2009 ontvangen.
2.1.3.
De Inspecteur heeft op 14 april 2010 uitspraak gedaan op dit bezwaar. Op het daartegen ingestelde beroep heeft de Rechtbank bij uitspraak van 10 februari 2011 beslist.
2.2.
Het Hof heeft geoordeeld dat de redelijke termijn voor de fase van bezwaar en beroep met één jaar en ruim vijf maanden is overschreden en dat aan belanghebbende voor rekening van de Inspecteur voor die fase een schadevergoeding van € 1500 moet worden toegekend. Van een bijzondere omstandigheid die tot termijnverlenging leidt is volgens het Hof geen sprake. Hiertegen richt zich het middel.
2.3.
Tussen de ontvangst van het bezwaar door de Inspecteur op 29 oktober 2008 en de uitspraak van de Rechtbank op 10 februari 2011 zijn twee jaar en ruim drie maanden verstreken. Dat betekent, afgezien van bijzondere omstandigheden, een overschrijding van de redelijke termijn met ruim drie maanden.
2.4.
Voor het herstellen van een verzuim dat kleeft aan een ingediend bezwaarschrift pleegt de inspecteur, gelet op paragraaf 7, lid 1, van het Besluit fiscaal bestuursrecht, een termijn van vier weken te stellen. Het tijdsverloop dat daarmee is gemoeid, kan daarom niet worden aangemerkt als een aan de belanghebbende toerekenbare bijzondere omstandigheid (vgl. HR 7 november 2014, nr. 14/01595, ECLI:NL:HR:2014:3117).
2.5.
Aangezien aan belanghebbende op zijn verzoeken in totaal negen maanden uitstel is verleend voor de motivering van het bezwaarschrift is de vertraging van de bezwaarprocedure voor ruim acht maanden veroorzaakt door een aan belanghebbende toe te rekenen bijzondere omstandigheid. Rekening houdend met deze bijzondere omstandigheid is geen sprake van overschrijding van de redelijke termijn van 24 maanden voor bezwaar en beroep tezamen.
2.6.
Het middel slaagt derhalve in zoverre en behoeft voor het overige geen behandeling. ’s Hofs uitspraak kan niet in stand blijven. De Hoge Raad kan de zaak afdoen. De veroordeling van de Inspecteur tot vergoeding van de door belanghebbende geleden immateriële schade, door het Hof vastgesteld op € 4500, moet met € 1500 worden verminderd tot € 3000.
3Proceskosten
De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.
4Beslissing
De Hoge Raad:
verklaart het beroep in cassatie gegrond,
vernietigt de uitspraak van het Hof, doch uitsluitend voor zover deze het bedrag van de door de Inspecteur te vergoeden immateriële schade betreft, en
stelt het bedrag van de door de Inspecteur te vergoeden immateriële schade vast op € 3000.
Dit arrest is gewezen door de raadsheer C. Schaap als voorzitter, en de raadsheren M.A. Fierstra en Th. Groeneveld, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Libari, en in het openbaar uitgesproken op 21 november 2014.
nr. 14/01715
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van de Staatssecretaris van Financiën tegen de uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam van 27 februari 2014, nrs. 10/00138 tot en met 10/00148 en 11/00219 tot en met 11/00221, betreffende verzoeken van [X] te [Z] (hierna: belanghebbende) om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn voor de berechting van zijn zaken. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
1Geding in cassatie
De Staatssecretaris van Financiën heeft tegen ’s Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend.
De Staatssecretaris heeft een conclusie van repliek ingediend.
Belanghebbende heeft een conclusie van dupliek ingediend.
2Beoordeling van het middel
2.1.
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
2.1.1.
De zaken met Hofnummers 11/00219 tot en met 11/00221, door het Hof aangeduid als cluster 2, hebben betrekking op de aanslagen inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen voor de jaren 2005 tot en met 2007 (hierna: cluster 2).
2.1.2.
Het eerste pro forma bezwaarschrift van cluster 2 is op 29 oktober 2008 ingediend. De Inspecteur heeft belanghebbende op zijn verzoek twee maal uitstel verleend voor het motiveren van dit bezwaar. De motivering is op 29 juli 2009 ontvangen.
2.1.3.
De Inspecteur heeft op 14 april 2010 uitspraak gedaan op dit bezwaar. Op het daartegen ingestelde beroep heeft de Rechtbank bij uitspraak van 10 februari 2011 beslist.
2.2.
Het Hof heeft geoordeeld dat de redelijke termijn voor de fase van bezwaar en beroep met één jaar en ruim vijf maanden is overschreden en dat aan belanghebbende voor rekening van de Inspecteur voor die fase een schadevergoeding van € 1500 moet worden toegekend. Van een bijzondere omstandigheid die tot termijnverlenging leidt is volgens het Hof geen sprake. Hiertegen richt zich het middel.
2.3.
Tussen de ontvangst van het bezwaar door de Inspecteur op 29 oktober 2008 en de uitspraak van de Rechtbank op 10 februari 2011 zijn twee jaar en ruim drie maanden verstreken. Dat betekent, afgezien van bijzondere omstandigheden, een overschrijding van de redelijke termijn met ruim drie maanden.
2.4.
Voor het herstellen van een verzuim dat kleeft aan een ingediend bezwaarschrift pleegt de inspecteur, gelet op paragraaf 7, lid 1, van het Besluit fiscaal bestuursrecht, een termijn van vier weken te stellen. Het tijdsverloop dat daarmee is gemoeid, kan daarom niet worden aangemerkt als een aan de belanghebbende toerekenbare bijzondere omstandigheid (vgl. HR 7 november 2014, nr. 14/01595, ECLI:NL:HR:2014:3117).
2.5.
Aangezien aan belanghebbende op zijn verzoeken in totaal negen maanden uitstel is verleend voor de motivering van het bezwaarschrift is de vertraging van de bezwaarprocedure voor ruim acht maanden veroorzaakt door een aan belanghebbende toe te rekenen bijzondere omstandigheid. Rekening houdend met deze bijzondere omstandigheid is geen sprake van overschrijding van de redelijke termijn van 24 maanden voor bezwaar en beroep tezamen.
2.6.
Het middel slaagt derhalve in zoverre en behoeft voor het overige geen behandeling. ’s Hofs uitspraak kan niet in stand blijven. De Hoge Raad kan de zaak afdoen. De veroordeling van de Inspecteur tot vergoeding van de door belanghebbende geleden immateriële schade, door het Hof vastgesteld op € 4500, moet met € 1500 worden verminderd tot € 3000.
3Proceskosten
De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.
4Beslissing
De Hoge Raad:
verklaart het beroep in cassatie gegrond,
vernietigt de uitspraak van het Hof, doch uitsluitend voor zover deze het bedrag van de door de Inspecteur te vergoeden immateriële schade betreft, en
stelt het bedrag van de door de Inspecteur te vergoeden immateriële schade vast op € 3000.
Dit arrest is gewezen door de raadsheer C. Schaap als voorzitter, en de raadsheren M.A. Fierstra en Th. Groeneveld, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Libari, en in het openbaar uitgesproken op 21 november 2014.