Hoge Raad
ECLI:NL:HR:2014:3016
2014-10-24
Bestuursrecht; Belastingrecht
14/01601
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Formele procesketen
- cassatie ECLI:NL:HR:2014:3016 → ECLI:NL:GHARL:2014:1294 (Gedeeltelijke) vernietiging met verwijzen
Inhoudsindicatie
Artikel 11, lid 2, Rijnvarendenverdrag. Beoordeling van de vraag tot wiens onderneming het schip behoort aan boord waarvan de rijnvarende zijn werkzaamheden verricht. Verdeling van de bewijslast.
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (81)
- ECLI:NL:CRVB:2026:1075 Centrale Raad van Beroep 06-08-2026
- ECLI:NL:RBNNE:2025:4799 Rechtbank Noord-Nederland 21-10-2025
- ECLI:NL:RBZWB:2023:7247 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 19-10-2023
- ECLI:NL:RBZWB:2023:1995 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 23-03-2023
- ECLI:NL:RBZWB:2023:1808 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 16-03-2023
- ECLI:NL:RBZWB:2022:6233 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 27-10-2022
- ECLI:NL:GHARL:2022:2510 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 29-03-2022
- ECLI:NL:RBZWB:2022:1029 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 24-02-2022
- ECLI:NL:GHAMS:2022:89 Gerechtshof Amsterdam 13-01-2022
- ECLI:NL:GHAMS:2021:3794 Gerechtshof Amsterdam 23-11-2021
- ECLI:NL:GHSHE:2021:2333 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 22-07-2021
- ECLI:NL:GHDHA:2021:1365 Gerechtshof Den Haag 15-07-2021
- ECLI:NL:GHDHA:2021:1191 Gerechtshof Den Haag 09-06-2021
- ECLI:NL:GHDHA:2021:1191 Gerechtshof Den Haag 09-06-2021
- ECLI:NL:GHDHA:2021:1048 Gerechtshof Den Haag 27-05-2021
- ECLI:NL:GHDHA:2021:1050 Gerechtshof Den Haag 27-05-2021
- ECLI:NL:GHDHA:2021:1048 Gerechtshof Den Haag 27-05-2021
- ECLI:NL:GHDHA:2021:1049 Gerechtshof Den Haag 27-05-2021
- ECLI:NL:GHDHA:2021:1049 Gerechtshof Den Haag 27-05-2021
- ECLI:NL:GHDHA:2021:1050 Gerechtshof Den Haag 27-05-2021
- ECLI:NL:GHSHE:2021:788 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 18-03-2021
- ECLI:NL:GHARL:2021:423 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 12-01-2021
- ECLI:NL:CRVB:2020:2741 Centrale Raad van Beroep 19-11-2020
- ECLI:NL:RBNNE:2020:3414 Rechtbank Noord-Nederland 08-10-2020
- ECLI:NL:RBNHO:2020:9373 Rechtbank Noord-Holland 28-09-2020
- ECLI:NL:GHDHA:2020:1330 Gerechtshof Den Haag 21-07-2020
- ECLI:NL:GHDHA:2020:1391 Gerechtshof Den Haag 21-07-2020
- ECLI:NL:GHDHA:2020:1391 Gerechtshof Den Haag 21-07-2020
- ECLI:NL:GHDHA:2020:1330 Gerechtshof Den Haag 21-07-2020
- ECLI:NL:RBZWB:2020:2513 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 10-06-2020
- ECLI:NL:PHR:2020:559 Parket bij de Hoge Raad 07-05-2020
- ECLI:NL:GHSHE:2020:1476 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 07-05-2020
- ECLI:NL:RBGEL:2020:1749 Rechtbank Gelderland 16-03-2020
- ECLI:NL:RBGEL:2020:1176 Rechtbank Gelderland 24-02-2020
- ECLI:NL:RBZWB:2020:900 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 20-02-2020
- ECLI:NL:RBZWB:2020:899 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 20-02-2020
- ECLI:NL:RBDHA:2019:13559 Rechtbank Den Haag 02-12-2019
- ECLI:NL:RBDHA:2019:13556 Rechtbank Den Haag 02-12-2019
- ECLI:NL:RBDHA:2019:13557 Rechtbank Den Haag 02-12-2019
- ECLI:NL:GHDHA:2019:3400 Gerechtshof Den Haag 27-11-2019
- ECLI:NL:RBGEL:2019:4105 Rechtbank Gelderland 10-09-2019
- ECLI:NL:GHDHA:2019:2390 Gerechtshof Den Haag 03-09-2019
- ECLI:NL:GHAMS:2018:4752 Gerechtshof Amsterdam 04-09-2018
- ECLI:NL:GHAMS:2018:4752 Gerechtshof Amsterdam 04-09-2018
- ECLI:NL:PHR:2018:845 Parket bij de Hoge Raad 14-08-2018
- ECLI:NL:PHR:2018:845 Parket bij de Hoge Raad 14-08-2018
- ECLI:NL:PHR:2018:840 Parket bij de Hoge Raad 02-08-2018
- ECLI:NL:PHR:2018:840 Parket bij de Hoge Raad 02-08-2018
- ECLI:NL:PHR:2018:840 Parket bij de Hoge Raad 02-08-2018
- ECLI:NL:PHR:2018:839 Parket bij de Hoge Raad 02-08-2018
- ECLI:NL:PHR:2018:839 Parket bij de Hoge Raad 02-08-2018
- ECLI:NL:PHR:2018:839 Parket bij de Hoge Raad 02-08-2018
- ECLI:NL:GHDHA:2018:2058 Gerechtshof Den Haag 20-06-2018
- ECLI:NL:RBDHA:2018:10541 Rechtbank Den Haag 12-06-2018
- ECLI:NL:GHSHE:2017:5847 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 21-12-2017
- ECLI:NL:GHSHE:2017:5844 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 21-12-2017
- ECLI:NL:GHSHE:2017:5858 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 21-12-2017
- ECLI:NL:GHSHE:2017:5843 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 21-12-2017
- ECLI:NL:GHSHE:2017:5848 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 21-12-2017
- ECLI:NL:RBGEL:2017:4318 Rechtbank Gelderland 16-08-2017
Volledige tekst
Volledige tekst (5.098 tekens)
24 oktober 2014
nr. 14/01601
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van de Staatssecretaris van Financiën tegen de uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 18 februari 2014, nr. 12/00236 t/m 12/00240, op het hoger beroep van de Inspecteur tegen een uitspraak van de Rechtbank te Arnhem (nrs. AWB 09/4493, 09/4494, 09/4495, 10/2345 en 10/2686) betreffende de aan [X] te [Z] voor de jaren 2003, 2004, 2005, 2006 en 2007 opgelegde aanslagen in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen en de daarbij gegeven beschikkingen inzake heffingsrente. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
1Geding in cassatie
De Staatssecretaris heeft tegen ’s Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend.
2Beoordeling van het middel
2.1.
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
2.1.1.
Belanghebbende heeft de Nederlandse nationaliteit en woonde in het jaar 2005 in Nederland.
2.1.2.
Van 8 juli 2005 tot en met 31 december 2005 was hij als kapitein in loondienst bij [J] SARL te [S], Luxemburg (hierna: [J]). In die periode verrichtte belanghebbende zijn werkzaamheden aan boord van het motortankschip [K] (hierna: het schip). Het schip is eigendom van [L] B.V. te [T], Nederland (hierna: [L]) en werd met winstoogmerk gebruikt voor vrachtvervoer.
2.1.3.
Het schip was in het onderhavige jaar voorzien van een scheepspatent als bedoeld in artikel 22 van de Herziene Rijnvaartakte van 17 oktober 1868.
2.1.4.
Op 21 juli 2006 is voor het schip een Rijnvaartverklaring afgegeven aan [L] als eigenaar van het schip. Op deze verklaring is bij “Exploitant” niets ingevuld. [J] heeft zich in het jaar 2005 niet gemeld als exploitant van het schip. Wel is voor het schip op 25 augustus 2006 een “certificat d’exploitant” afgegeven waarop [J] is vermeld als exploitant.
2.2.
Met betrekking tot het jaar 2005 was voor het Hof in geschil of belanghebbende in de in 2.1.2 bedoelde periode in Nederland verzekerd en premieplichtig was voor de volksverzekeringen. Het geschil spitste zich toe op de vraag tot welke onderneming het schip behoorde en wie dienaangaande de bewijslast draagt.
2.3.
Naar het oordeel van het Hof heeft de Inspecteur zijn stelling dat het schip behoort tot de onderneming van de eigenaar ([L]) niet aannemelijk gemaakt. Volgens het Hof is dan niet relevant of het schip behoort tot de onderneming van [J], zodat het hetgeen daarover is aangevoerd in het midden kan laten.
2.4.
Het middel keert zich tegen ’s Hofs oordeel dat de Inspecteur er niet in is geslaagd aannemelijk te maken dat de zetel van de onderneming waartoe het schip behoort zich in Nederland bevindt.
2.5.
Het middel slaagt. Uit de bestreden uitspraak blijkt niet dat het Hof onderzoek heeft gedaan naar de feiten die de Inspecteur volgens onderdeel 4.16 van de bestreden uitspraak heeft gesteld omtrent de exploitatie van het schip door de Nederlandse eigenaar, in het bijzonder diens verwijzing naar de jaarstukken van [L], waaruit zou volgen dat deze omzet realiseert, de vrachtopbrengsten geniet, de onderhoudskosten van het schip draagt, personeel in dienst heeft en personeel inleent, hoewel dat voor de beslissing van het geschil van belang kon zijn. De bestreden uitspraak is in zoverre niet naar behoren gemotiveerd.
2.6.
Gelet op hetgeen hiervoor in onderdeel 2.5 is overwogen kan de uitspraak van het Hof niet in stand blijven. Verwijzing moet volgen.
2.7.
Met het oog op de behandeling van het geding na verwijzing verdient opmerking dat belanghebbende het standpunt inneemt dat hij op grond van het Verdrag betreffende de sociale zekerheid van Rijnvarenden (Trb. 1981, 43) niet in Nederland verzekerd is voor de volksverzekeringen omdat de onderneming waartoe het schip behoort in het buitenland is gevestigd. Een redelijke verdeling van de stelplicht en bewijslast brengt mee dat belanghebbende de ter zake daarvan relevante feiten stelt en in geval van gemotiveerde betwisting door de Inspecteur ook aannemelijk dient te maken.
3Proceskosten
De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.
4Beslissing
De Hoge Raad:
verklaart het beroep in cassatie gegrond,
vernietigt de uitspraak van het Hof,
verwijst het geding naar het Gerechtshof ’s‑Hertogenbosch ter verdere behandeling en beslissing van de zaak met inachtneming van dit arrest.
Dit arrest is gewezen door de raadsheer M.A. Fierstra als voorzitter, en de raadsheren R.J. Koopman en J. Wortel, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 24 oktober 2014.
nr. 14/01601
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van de Staatssecretaris van Financiën tegen de uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 18 februari 2014, nr. 12/00236 t/m 12/00240, op het hoger beroep van de Inspecteur tegen een uitspraak van de Rechtbank te Arnhem (nrs. AWB 09/4493, 09/4494, 09/4495, 10/2345 en 10/2686) betreffende de aan [X] te [Z] voor de jaren 2003, 2004, 2005, 2006 en 2007 opgelegde aanslagen in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen en de daarbij gegeven beschikkingen inzake heffingsrente. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
1Geding in cassatie
De Staatssecretaris heeft tegen ’s Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend.
2Beoordeling van het middel
2.1.
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
2.1.1.
Belanghebbende heeft de Nederlandse nationaliteit en woonde in het jaar 2005 in Nederland.
2.1.2.
Van 8 juli 2005 tot en met 31 december 2005 was hij als kapitein in loondienst bij [J] SARL te [S], Luxemburg (hierna: [J]). In die periode verrichtte belanghebbende zijn werkzaamheden aan boord van het motortankschip [K] (hierna: het schip). Het schip is eigendom van [L] B.V. te [T], Nederland (hierna: [L]) en werd met winstoogmerk gebruikt voor vrachtvervoer.
2.1.3.
Het schip was in het onderhavige jaar voorzien van een scheepspatent als bedoeld in artikel 22 van de Herziene Rijnvaartakte van 17 oktober 1868.
2.1.4.
Op 21 juli 2006 is voor het schip een Rijnvaartverklaring afgegeven aan [L] als eigenaar van het schip. Op deze verklaring is bij “Exploitant” niets ingevuld. [J] heeft zich in het jaar 2005 niet gemeld als exploitant van het schip. Wel is voor het schip op 25 augustus 2006 een “certificat d’exploitant” afgegeven waarop [J] is vermeld als exploitant.
2.2.
Met betrekking tot het jaar 2005 was voor het Hof in geschil of belanghebbende in de in 2.1.2 bedoelde periode in Nederland verzekerd en premieplichtig was voor de volksverzekeringen. Het geschil spitste zich toe op de vraag tot welke onderneming het schip behoorde en wie dienaangaande de bewijslast draagt.
2.3.
Naar het oordeel van het Hof heeft de Inspecteur zijn stelling dat het schip behoort tot de onderneming van de eigenaar ([L]) niet aannemelijk gemaakt. Volgens het Hof is dan niet relevant of het schip behoort tot de onderneming van [J], zodat het hetgeen daarover is aangevoerd in het midden kan laten.
2.4.
Het middel keert zich tegen ’s Hofs oordeel dat de Inspecteur er niet in is geslaagd aannemelijk te maken dat de zetel van de onderneming waartoe het schip behoort zich in Nederland bevindt.
2.5.
Het middel slaagt. Uit de bestreden uitspraak blijkt niet dat het Hof onderzoek heeft gedaan naar de feiten die de Inspecteur volgens onderdeel 4.16 van de bestreden uitspraak heeft gesteld omtrent de exploitatie van het schip door de Nederlandse eigenaar, in het bijzonder diens verwijzing naar de jaarstukken van [L], waaruit zou volgen dat deze omzet realiseert, de vrachtopbrengsten geniet, de onderhoudskosten van het schip draagt, personeel in dienst heeft en personeel inleent, hoewel dat voor de beslissing van het geschil van belang kon zijn. De bestreden uitspraak is in zoverre niet naar behoren gemotiveerd.
2.6.
Gelet op hetgeen hiervoor in onderdeel 2.5 is overwogen kan de uitspraak van het Hof niet in stand blijven. Verwijzing moet volgen.
2.7.
Met het oog op de behandeling van het geding na verwijzing verdient opmerking dat belanghebbende het standpunt inneemt dat hij op grond van het Verdrag betreffende de sociale zekerheid van Rijnvarenden (Trb. 1981, 43) niet in Nederland verzekerd is voor de volksverzekeringen omdat de onderneming waartoe het schip behoort in het buitenland is gevestigd. Een redelijke verdeling van de stelplicht en bewijslast brengt mee dat belanghebbende de ter zake daarvan relevante feiten stelt en in geval van gemotiveerde betwisting door de Inspecteur ook aannemelijk dient te maken.
3Proceskosten
De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.
4Beslissing
De Hoge Raad:
verklaart het beroep in cassatie gegrond,
vernietigt de uitspraak van het Hof,
verwijst het geding naar het Gerechtshof ’s‑Hertogenbosch ter verdere behandeling en beslissing van de zaak met inachtneming van dit arrest.
Dit arrest is gewezen door de raadsheer M.A. Fierstra als voorzitter, en de raadsheren R.J. Koopman en J. Wortel, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 24 oktober 2014.