Hoge Raad
ECLI:NL:HR:2014:2956
2014-10-07
Strafrecht
13/05430
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Formele procesketen
- cassatie ECLI:NL:HR:2014:2956 → ECLI:NL:GHAMS:2013:3523 niet ontvankelijk
- conclusie ECLI:NL:HR:2014:2956 → ECLI:NL:PHR:2014:1827 gevolgd
Inhoudsindicatie
HR: 80a RO.
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (17)
- ECLI:NL:PHR:2025:794 Parket bij de Hoge Raad 16-09-2025
- ECLI:NL:PHR:2025:772 Parket bij de Hoge Raad 08-07-2025
- ECLI:NL:PHR:2025:773 Parket bij de Hoge Raad 08-07-2025
- ECLI:NL:PHR:2025:771 Parket bij de Hoge Raad 08-07-2025
- ECLI:NL:PHR:2025:126 Parket bij de Hoge Raad 04-02-2025
- ECLI:NL:PHR:2022:692 Parket bij de Hoge Raad 31-05-2022
- ECLI:NL:PHR:2022:119 Parket bij de Hoge Raad 08-02-2022
- ECLI:NL:PHR:2021:448 Parket bij de Hoge Raad 18-05-2021
- ECLI:NL:PHR:2020:512 Parket bij de Hoge Raad 26-05-2020
- ECLI:NL:PHR:2020:475 Parket bij de Hoge Raad 19-05-2020
- ECLI:NL:PHR:2020:445 Parket bij de Hoge Raad 12-05-2020
- ECLI:NL:PHR:2019:457 Parket bij de Hoge Raad 14-05-2019
- ECLI:NL:PHR:2019:457 Parket bij de Hoge Raad 14-05-2019
- ECLI:NL:PHR:2018:666 Parket bij de Hoge Raad 26-06-2018
- ECLI:NL:PHR:2017:610 Parket bij de Hoge Raad 30-05-2017
- ECLI:NL:PHR:2017:507 Parket bij de Hoge Raad 16-05-2017
- ECLI:NL:PHR:2017:63 Parket bij de Hoge Raad 03-01-2017
Volledige tekst
Volledige tekst (4.449 tekens)
7 oktober 2014
Strafkamer
nr. 13/05430
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Amsterdam van 18 oktober 2013, nummer 23/002002-13, in de strafzaak tegen:
[verdachte]
, geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1991.
1Geding in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. V.P.J. Tuma, advocaat te Amersfoort, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal P.C. Vegter heeft schriftelijk het standpunt ingenomen dat het cassatieberoep met toepassing van art. 80a RO niet-ontvankelijk kan worden verklaard.
2Beoordeling van het middel
2.1.
Het middel klaagt dat het Hof de toewijzing van de vordering tot tenuitvoerlegging onvoldoende heeft gemotiveerd.
2.2.1.
Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsman van de verdachte aldaar het volgende aangevoerd:
"Wat betreft de bewezenverklaring refereer ik me aan uw oordeel. Ook wat betreft de strafoplegging van de 2 weken gevangenisstraf die hij reeds heeft uitgezeten, refereer ik mij. Het gaat alleen om de tenuitvoerlegging van de TUL.
Het hoofdargument is dat de TUL moet worden afgewezen dan wel verlengd met 1 jaar. Mijn cliënt heeft contact met Reclassering. De tenuitvoerlegging van twee maanden gevangenisstraf zou het proces verstoren. Het gaat nog een lange tijd duren voordat mijn cliënt weer op het goede pad is, het zal moeizaam zijn, maar we zijn er mee bezig. Ik ben van mening dat zolang [betrokkene] van Reclassering geduld heeft, het zal lukken.
Wat betreft zijn persoonlijke omstandigheden kan ik u het volgende vertellen. Er liggen een aantal reclasseringsrapporten. Het blijkt dat er problematiek is ontstaan, omdat mijn cliënt sinds zijn jeugd al moeilijk hanteerbaar was, Ik heb gesproken met [betrokkene] van de Reclassering en het is telkens hetzelfde verhaal. Mijn cliënt is moeilijk te bewegen en te houden aan zijn afspraken. De vader van mijn cliënt is op brute wijze geliquideerd. Dit zijn omstandigheden die niet bijdragen aan zijn huidige situatie. Zijn moeder probeert hem telkens weer op het rechte pad te krijgen. Mijn cliënt heeft twee kinderen uit een eerdere relatie. Zijn nieuwe vriendin is zwanger. Ik kan niet vertellen of hij nog steeds een relatie met haar heeft."
2.2.2.
Het Hof heeft de toewijzing van de vordering tot tenuitvoerlegging als volgt gemotiveerd:
"Het openbaar ministerie heeft gevorderd de tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de Politierechter te Amsterdam van 5 november 2012 opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 2 maanden. Deze vordering is in hoger beroep opnieuw aan de orde.
Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt. Daarom zal de tenuitvoerlegging van die voorwaardelijk opgelegde straf worden gelast."
2.3.
Het Hof heeft de toewijzing van de vordering tot tenuitvoerlegging gemotiveerd door vast te stellen dat de verdachte de algemene voorwaarde niet heeft nageleefd. Door aldus te ovenwegen heeft het Hof zijn beslissing voorzien van de in art. 14j, eerste lid, Sr vereiste motivering. Tot een nadere motivering was het Hof, ook gelet op hetgeen ten aanzien van de vordering tot tenuitvoerlegging is aangevoerd, niet gehouden.
2.4.
Gelet hierop en in aanmerking genomen dat de verdachte klaarblijkelijk onvoldoende belang heeft bij het cassatieberoep, zal de Hoge Raad - gezien art. 80a van de Wet op de rechterlijke organisatie - het beroep niet-ontvankelijk verklaren.
3Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie niet-ontvankelijk.
Dit arrest is gewezen door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren J. de Hullu en E.S.G.N.A.I. van de Griend, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 7 oktober 2014.
Strafkamer
nr. 13/05430
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Amsterdam van 18 oktober 2013, nummer 23/002002-13, in de strafzaak tegen:
[verdachte]
, geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1991.
1Geding in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. V.P.J. Tuma, advocaat te Amersfoort, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal P.C. Vegter heeft schriftelijk het standpunt ingenomen dat het cassatieberoep met toepassing van art. 80a RO niet-ontvankelijk kan worden verklaard.
2Beoordeling van het middel
2.1.
Het middel klaagt dat het Hof de toewijzing van de vordering tot tenuitvoerlegging onvoldoende heeft gemotiveerd.
2.2.1.
Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsman van de verdachte aldaar het volgende aangevoerd:
"Wat betreft de bewezenverklaring refereer ik me aan uw oordeel. Ook wat betreft de strafoplegging van de 2 weken gevangenisstraf die hij reeds heeft uitgezeten, refereer ik mij. Het gaat alleen om de tenuitvoerlegging van de TUL.
Het hoofdargument is dat de TUL moet worden afgewezen dan wel verlengd met 1 jaar. Mijn cliënt heeft contact met Reclassering. De tenuitvoerlegging van twee maanden gevangenisstraf zou het proces verstoren. Het gaat nog een lange tijd duren voordat mijn cliënt weer op het goede pad is, het zal moeizaam zijn, maar we zijn er mee bezig. Ik ben van mening dat zolang [betrokkene] van Reclassering geduld heeft, het zal lukken.
Wat betreft zijn persoonlijke omstandigheden kan ik u het volgende vertellen. Er liggen een aantal reclasseringsrapporten. Het blijkt dat er problematiek is ontstaan, omdat mijn cliënt sinds zijn jeugd al moeilijk hanteerbaar was, Ik heb gesproken met [betrokkene] van de Reclassering en het is telkens hetzelfde verhaal. Mijn cliënt is moeilijk te bewegen en te houden aan zijn afspraken. De vader van mijn cliënt is op brute wijze geliquideerd. Dit zijn omstandigheden die niet bijdragen aan zijn huidige situatie. Zijn moeder probeert hem telkens weer op het rechte pad te krijgen. Mijn cliënt heeft twee kinderen uit een eerdere relatie. Zijn nieuwe vriendin is zwanger. Ik kan niet vertellen of hij nog steeds een relatie met haar heeft."
2.2.2.
Het Hof heeft de toewijzing van de vordering tot tenuitvoerlegging als volgt gemotiveerd:
"Het openbaar ministerie heeft gevorderd de tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de Politierechter te Amsterdam van 5 november 2012 opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 2 maanden. Deze vordering is in hoger beroep opnieuw aan de orde.
Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt. Daarom zal de tenuitvoerlegging van die voorwaardelijk opgelegde straf worden gelast."
2.3.
Het Hof heeft de toewijzing van de vordering tot tenuitvoerlegging gemotiveerd door vast te stellen dat de verdachte de algemene voorwaarde niet heeft nageleefd. Door aldus te ovenwegen heeft het Hof zijn beslissing voorzien van de in art. 14j, eerste lid, Sr vereiste motivering. Tot een nadere motivering was het Hof, ook gelet op hetgeen ten aanzien van de vordering tot tenuitvoerlegging is aangevoerd, niet gehouden.
2.4.
Gelet hierop en in aanmerking genomen dat de verdachte klaarblijkelijk onvoldoende belang heeft bij het cassatieberoep, zal de Hoge Raad - gezien art. 80a van de Wet op de rechterlijke organisatie - het beroep niet-ontvankelijk verklaren.
3Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie niet-ontvankelijk.
Dit arrest is gewezen door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren J. de Hullu en E.S.G.N.A.I. van de Griend, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 7 oktober 2014.