Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Hoge Raad

ECLI:NL:HR:2014:2696

2014-09-19 Bestuursrecht; Belastingrecht 13/06088
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Hoge Raad
Uitspraakdatum
2014-09-19
Publicatiedatum
2014-09-18
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Belastingrecht
Procedure
Cassatie
Zaaknummer
13/06088
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl | V-N Vandaag 2014/1844 | V-N 2014/50.22 | Belastingblad 2014/455 met annotatie van J.P. Kruimel | BNB 2014/243 | RN 2014/103 | NTFR 2015/106 | NTFR 2014/2424 met annotatie van Mr. P.W. Hofman | FutD 2014-2131 | Viditax (FutD) 2014091903

Formele procesketen

Inhoudsindicatie

Art. 15, lid 1, letter q, Wet BRV. Cultuurgrondvrijstelling niet van toepassing op verharde parkeerplaats en ondergrond schuur.

Citeert (0)

  • geen

Geciteerd door (1)

Volledige tekst

Volledige tekst (4.478 tekens)
19 september 2014
nr. 13/06088

Arrest


gewezen op het beroep in cassatie van de Staatssecretaris van Financiën tegen de uitspraak van het Gerechtshof Den Haag van 8 november 2013, nr. BK-12/00497, op het hoger beroep van [X] B.V. te [Z] (hierna: belanghebbende) tegen een uitspraak van de Rechtbank (nr. AWB 11/9725) betreffende de aan belanghebbende opgelegde naheffingsaanslag in de overdrachtsbelasting. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.





1Geding in cassatie

De Staatssecretaris heeft tegen ’s Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend.




2Beoordeling van het middel

2.1.
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

2.1.1.
Op 15 oktober 2008 heeft belanghebbende een perceel tuinland met glasopstanden verkregen.


2.1.2.
Dit perceel bestaat uit onder meer een erf van 270 m2, dat als verharde parkeerplaats in gebruik is, en uit de ondergrond van een schuur met een oppervlakte van 540 m2.



2.2.
Voor het Hof was in geschil of de in artikel 15, lid 1, letter q, van de Wet op belastingen van rechtsverkeer (hierna: Wet BRV) opgenomen vrijstelling (hierna: de cultuurgrondvrijstelling) op de in onderdeel 2.1.2. genoemde gedeelten van het perceel van toepassing is.


2.3.
Het Hof heeft deze vraag bevestigend beantwoord. Het heeft daarvoor beslissend geacht dat de in geschil zijnde gedeelten van het perceel bedrijfsmatig ten behoeve van de landbouw worden geëxploiteerd. Tegen dit oordeel richt zich het middel.

2.4.1.
De cultuurgrondvrijstelling kan worden toegepast ter zake van de verkrijging van ten behoeve van de landbouw bedrijfsmatig geëxploiteerde cultuurgrond. Onder cultuurgrond wordt mede begrepen de ondergrond van glasopstanden.


2.4.2.

Uit de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 15, lid 1, letter q, Wet BRV, zoals dat in 2008 luidde, volgt dat onder cultuurgrond wordt verstaan de grond die is bestemd voor veeteelt, akker-, weide-, tuin- en bosbouw, waaronder mede begrepen de ondergrond van glasopstanden (Kamerstukken II 2005/06, 30 572, nr. 9, p. 17). Naar de uit deze beschrijving af te leiden bedoeling van de wetgever is een verharde parkeerplaats niet aan te merken als cultuurgrond in de zin van voormelde bepaling.
Ook ten aanzien van de ondergrond van de schuur kan de cultuurgrondvrijstelling geen toepassing vinden. Zoals reeds in het arrest van 25 juni 1997, nr. 29598, BNB 1997/284, is beslist, moeten voor de toepassing van de cultuurgrondvrijstelling opstallen en ondergrond in de regel als één geheel worden beschouwd. Met de wijzigingen ingevolge de Wet werken aan winst, die door het Hof worden aangehaald, is niet beoogd hierin een verandering aan te brengen. Aangezien de stukken van het geding geen andere conclusie toelaten dan dat de schuur niet een glasopstand is, kan de ondergrond van de schuur niet delen in de vrijstelling, omdat ook die grond niet is bestemd voor veeteelt, akker-, weide, tuin- of bosbouw en derhalve niet is aan te merken als cultuurgrond.
De omstandigheid dat de in geding zijnde gedeelten van het perceel bedrijfsmatig ten behoeve van de landbouw worden geëxploiteerd is voor toepassing van de vrijstelling niet voldoende, aangezien daarvoor tevens vereist is dat sprake is van cultuurgrond.



2.4.3.
Gelet op hetgeen hiervoor in onderdeel 2.4.2 is overwogen kan ’s Hofs uitspraak niet in stand blijven. De Hoge Raad kan de zaak afdoen. De uitspraak van de Rechtbank moet worden bevestigd.





3Proceskosten
De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.



4Beslissing

De Hoge Raad:
verklaart het beroep in cassatie gegrond,
vernietigt de uitspraak van het Hof, en
bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.



Dit arrest is gewezen door de vice-president M.W.C. Feteris als voorzitter, en de raadsheren C. Schaap, P.M.F. van Loon, M.A. Fierstra en J. Wortel, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 19 september 2014.