Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Hoge Raad

ECLI:NL:HR:2014:2147

2014-08-08 Bestuursrecht; Belastingrecht 14/02077
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Hoge Raad
Uitspraakdatum
2014-08-08
Publicatiedatum
2014-07-31
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Belastingrecht
Procedure
Cassatie
Zaaknummer
14/02077
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl | V-N Vandaag 2014/1605 | V-N 2014/40.7 | Belastingblad 2014/404 met annotatie van S. BOSMA | BNB 2014/227 | NTFR 2015/199 | NTFR 2014/2155 met annotatie van mr. E.C.G. Okhuizen | FutD 2014-1854 | Viditax (FutD) 2014080807

Inhoudsindicatie

Art. 8:55 Awb, art. 8:75 Awb. Geen proceskostenvergoeding voor ongevraagde reactie op verzetschrift.

Citeert (0)

  • geen

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (3.742 tekens)
8 augustus 2014
nr. 14/02077

Arrest


gewezen op het beroep in cassatie van [X] te [Z] (hierna: belanghebbende) tegen een brief van de griffier van de Rechtbank Midden-Nederland, betreffende een verzoek om een proceskostenvergoeding.





1Het geding in feitelijke instantie

1.1.
Belanghebbende heeft beroep ingesteld tegen een naheffingsaanslag parkeerbelasting. Na vernietiging van die aanslag door de heffingsambtenaar van de gemeente Utrecht heeft belanghebbende dat beroep ingetrokken en daarbij verzocht om een proceskostenvergoeding.


1.2.
De Rechtbank Midden-Nederland heeft bij een uitspraak op de voet van artikel 8:54 Awb van 24 januari 2013, nr. SBR 11/3455, aan belanghebbende een proceskostenvergoeding toegekend. De heffingsambtenaar heeft op 12 februari 2013 op de voet van artikel 8:55 Awb verzet gedaan tegen die uitspraak.


1.3.
De Rechtbank heeft bij brief van 15 februari 2013 belanghebbende ervan in kennis gesteld dat een verzetschrift is ingediend. In die brief is belanghebbende niet verzocht om te reageren op het daarbij gevoegde verzetschrift. Evenmin is belanghebbende anderszins door de Rechtbank als partij in de verzetprocedure betrokken.


1.4.
Bij brief van 4 maart 2013 heeft belanghebbende inhoudelijk op het verzetschrift gereageerd en heeft daarbij de Rechtbank verzocht om een proceskostenvergoeding toe te kennen ter zake van de behandeling van het verzet.


1.5.
De heffingsambtenaar heeft het verzet bij schrijven van 21 augustus 2013 ingetrokken. Belanghebbende is daarvan bij brief van 2 september 2013 in kennis gesteld.


1.6.
Belanghebbende heeft de Rechtbank gevraagd alsnog te beslissen op haar verzoek om een proceskostenvergoeding ter zake van de behandeling van het verzet.


1.7.
De griffier van de Rechtbank heeft belanghebbende bij brief van 9 oktober 2013 bericht dat nu het verzet is ingetrokken er geen bevoegdheid meer is voor de Rechtbank om uitspraak te doen op dit verzoek.




2Geding in cassatie

Belanghebbende heeft naar aanleiding van de onder 1.7 vermelde brief beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal F.F. Langemeijer heeft op 28 maart 2014 geconcludeerd tot niet‑ontvankelijkverklaring van het beroep in cassatie. Een afschrift van de conclusie is aan dit arrest gehecht.
Belanghebbende heeft schriftelijk op de conclusie gereageerd.




3Beoordeling van de klachten

3.1.
Tegen een bericht van de griffier van de Rechtbank stelt de wet geen rechtsmiddel open. Het beroep in cassatie dient daarom niet-ontvankelijk te worden verklaard.


3.2.
Ten overvloede merkt de Hoge Raad het volgende op. De Rechtbank heeft belanghebbende niet als partij in de verzetprocedure betrokken en was daartoe ook niet gehouden. Onder die omstandigheden heeft belanghebbende geen recht op een proceskostenvergoeding voor de door haar - ongevraagd – gegeven en in de wettelijke regeling van het verzet niet voorziene reactie op het verzetschrift.




4Proceskosten
De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.




5Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie niet‑ontvankelijk.


Dit arrest is gewezen door de raadsheer C. Schaap als voorzitter, en de raadsheren P.M.F. van Loon en M.A. Fierstra, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 8 augustus 2014.