Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Hoge Raad

ECLI:NL:HR:2014:1575

2014-07-01 Strafrecht 13/01109
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Hoge Raad
Uitspraakdatum
2014-07-01
Publicatiedatum
2014-07-01
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedure
Cassatie
Zaaknummer
13/01109
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl | RvdW 2014/922 | NJB 2014/1449 | SR-Updates.nl 2014-0285

Formele procesketen

Inhoudsindicatie

Niet-ontvankelijkverklaring h.b. Verschoonbare termijnoverschrijding? Verdachte verschijnt t.tz. in h.b. maar voert niet aan dat de termijnoverschrijding verschoonbaar was. De opvatting van het middel dat het Hof gehouden was ambtshalve te onderzoeken of de overschrijding verschoonbaar was vindt geen steun in het recht. HR merkt nog op dat v.zv. het middel klaagt dat het Hof gehouden was te onderzoeken of de zaak op de voet van art. 423 Sv naar de Pr moest worden teruggewezen, het de rechtspraak van de HR m.b.t. personen die een kernrol vervullen bij het o.t.tz. miskent. I.c. doet zich immers niet de situatie voor dat verdachte bij het o.t.tz. niet is verschenen, terwijl hij niet op de bij de wet voorgeschreven wijze op de hoogte is gebracht van de dag van de tz. en zich evenmin een omst. heeft voorgedaan waaruit voortvloeit dat die dag hem tevoren bekend was.

Citeert (0)

  • geen

Geciteerd door (1)

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (4.102 tekens)
1 juli 2014
Strafkamer
nr. 13/01109

Hoge Raad der Nederlanden


Arrest



op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Amsterdam van 1 februari 2013, nummer 23/001790-12, in de strafzaak tegen:



[verdachte]
, geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1957.




1Geding in cassatie


Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. J. Kuijper, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal A.J. Machielse heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
De raadsvrouwe heeft daarop schriftelijk gereageerd.





2Beoordeling van het eerste middel


Het middel kan niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81, eerste lid, RO, geen nadere motivering nu het middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.





3Beoordeling van het tweede middel


3.1.
Het middel klaagt dat het Hof heeft verzuimd te onderzoeken of de overschrijding door de verdachte van de wettelijke termijn voor het instellen van het hoger beroep verschoonbaar was.


3.2.1.
Blijkens de daarvan opgemaakte akte heeft de verdachte op 12 april 2012 hoger beroep ingesteld tegen het in deze zaak door de Politierechter in de Rechtbank Haarlem bij verstek gewezen vonnis van 24 februari 2012.



3.2.2.
Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep heeft de verdachte aldaar verklaard dat hij, voorafgaand aan de terechtzitting in eerste aanleg, "de rechtbank (...) [heeft] gebeld en gezegd dat ik verhinderd was. Mij is toen verteld dat de behandeling toch door zou gaan".



3.2.3.
Het Hof heeft de verdachte niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep op de grond dat, nu zich een omstandigheid heeft voorgedaan waaruit voortvloeit dat de dag van de terechtzitting de verdachte tevoren bekend was, de verdachte ingevolge art. 408, eerste lid aanhef en onder c, Sv binnen veertien dagen nadat het vonnis was gewezen het hoger beroep had moeten instellen, hetgeen hij heeft verzuimd.


3.2.4.
Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep houdt niet in dat de verdachte - die aldaar was verschenen - heeft aangevoerd dat de overschrijding van de termijn voor het instellen van het hoger beroep verschoonbaar was.




3.3.
Het middel, dat berust op de opvatting dat het Hof gehouden was ambtshalve te onderzoeken of de overschrijding van die termijn verschoonbaar was, faalt omdat die opvatting geen steun vindt in het recht.



3.4.
Opmerking verdient voorts het volgende. Voor zover het middel klaagt dat het Hof - gelet op de hiervoor weergegeven verklaring van de verdachte - gehouden was te onderzoeken of de zaak op de voet van art. 423 Sv naar de Politierechter moest worden teruggewezen, miskent het de rechtspraak van de Hoge Raad met betrekking tot de personen die een kernrol vervullen bij het onderzoek ter terechtzitting. Immers, hier doet zich niet de situatie voor dat de verdachte bij het onderzoek ter terechtzitting niet is verschenen, terwijl hij niet op de bij de wet voorgeschreven wijze op de hoogte is gebracht van de dag van de terechtzitting en zich evenmin een omstandigheid heeft voorgedaan waaruit voortvloeit dat die dag hem tevoren bekend was (vgl. HR 7 mei 1996, NJ 1996/557).





4Beslissing


De Hoge Raad verwerpt het beroep.



Dit arrest is gewezen door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren V. van den Brink en E.S.G.N.A.I. van de Griend, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 1 juli 2014.