Hoge Raad
ECLI:NL:HR:2014:1557
2014-06-27
Civiel recht
13/05083
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Formele procesketen
- conclusie ECLI:NL:HR:2014:1557 → ECLI:NL:PHR:2014:299 contrair
Inhoudsindicatie
Uitleg gedingstukken. Onbegrijpelijk oordeel?
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (63)
- ECLI:NL:PHR:2026:437 Parket bij de Hoge Raad 24-04-2026
- ECLI:NL:PHR:2025:957 Parket bij de Hoge Raad 05-09-2025
- ECLI:NL:PHR:2025:551 Parket bij de Hoge Raad 16-05-2025
- ECLI:NL:PHR:2025:404 Parket bij de Hoge Raad 11-04-2025
- ECLI:NL:PHR:2024:1126 Parket bij de Hoge Raad 25-10-2024
- ECLI:NL:PHR:2024:1126 Parket bij de Hoge Raad 25-10-2024
- ECLI:NL:PHR:2023:971 Parket bij de Hoge Raad 03-11-2023
- ECLI:NL:PHR:2023:890 Parket bij de Hoge Raad 06-10-2023
- ECLI:NL:PHR:2023:544 Parket bij de Hoge Raad 26-05-2023
- ECLI:NL:PHR:2023:491 Parket bij de Hoge Raad 12-05-2023
- ECLI:NL:PHR:2023:132 Parket bij de Hoge Raad 27-01-2023
- ECLI:NL:PHR:2023:118 Parket bij de Hoge Raad 27-01-2023
- ECLI:NL:PHR:2022:1239 Parket bij de Hoge Raad 23-12-2022
- ECLI:NL:PHR:2022:1075 Parket bij de Hoge Raad 18-11-2022
- ECLI:NL:PHR:2022:1076 Parket bij de Hoge Raad 18-11-2022
- ECLI:NL:PHR:2022:951 Parket bij de Hoge Raad 14-10-2022
- ECLI:NL:PHR:2022:808 Parket bij de Hoge Raad 09-09-2022
- ECLI:NL:PHR:2022:617 Parket bij de Hoge Raad 24-06-2022
- ECLI:NL:PHR:2022:618 Parket bij de Hoge Raad 24-06-2022
- ECLI:NL:PHR:2022:586 Parket bij de Hoge Raad 17-06-2022
- ECLI:NL:PHR:2022:402 Parket bij de Hoge Raad 29-04-2022
- ECLI:NL:PHR:2022:256 Parket bij de Hoge Raad 18-03-2022
- ECLI:NL:PHR:2021:1252 Parket bij de Hoge Raad 10-12-2021
- ECLI:NL:PHR:2021:1104 Parket bij de Hoge Raad 26-11-2021
- ECLI:NL:PHR:2021:1062 Parket bij de Hoge Raad 08-10-2021
- ECLI:NL:PHR:2021:944 Parket bij de Hoge Raad 08-10-2021
- ECLI:NL:PHR:2021:946 Parket bij de Hoge Raad 08-10-2021
- ECLI:NL:PHR:2021:908 Parket bij de Hoge Raad 01-10-2021
- ECLI:NL:PHR:2021:737 Parket bij de Hoge Raad 06-08-2021
- ECLI:NL:PHR:2021:546 Parket bij de Hoge Raad 04-06-2021
- ECLI:NL:PHR:2021:284 Parket bij de Hoge Raad 26-03-2021
- ECLI:NL:PHR:2021:244 Parket bij de Hoge Raad 12-03-2021
- ECLI:NL:PHR:2020:1216 Parket bij de Hoge Raad 20-11-2020
- ECLI:NL:PHR:2020:1086 Parket bij de Hoge Raad 13-11-2020
- ECLI:NL:PHR:2020:955 Parket bij de Hoge Raad 16-10-2020
- ECLI:NL:PHR:2020:966 Parket bij de Hoge Raad 16-10-2020
- ECLI:NL:PHR:2020:641 Parket bij de Hoge Raad 26-06-2020
- ECLI:NL:PHR:2020:572 Parket bij de Hoge Raad 29-05-2020
- ECLI:NL:PHR:2020:455 Parket bij de Hoge Raad 08-05-2020
- ECLI:NL:PHR:2020:465 Parket bij de Hoge Raad 08-05-2020
- ECLI:NL:PHR:2020:319 Parket bij de Hoge Raad 03-04-2020
- ECLI:NL:PHR:2020:317 Parket bij de Hoge Raad 03-04-2020
- ECLI:NL:PHR:2020:252 Parket bij de Hoge Raad 13-03-2020
- ECLI:NL:PHR:2020:217 Parket bij de Hoge Raad 06-03-2020
- ECLI:NL:PHR:2019:1372 Parket bij de Hoge Raad 22-11-2019
- ECLI:NL:PHR:2019:920 Parket bij de Hoge Raad 20-09-2019
- ECLI:NL:PHR:2019:1065 Parket bij de Hoge Raad 20-09-2019
- ECLI:NL:PHR:2019:433 Parket bij de Hoge Raad 29-03-2019
- ECLI:NL:PHR:2019:111 Parket bij de Hoge Raad 18-01-2019
- ECLI:NL:PHR:2018:1473 Parket bij de Hoge Raad 07-12-2018
- ECLI:NL:PHR:2018:1076 Parket bij de Hoge Raad 28-09-2018
- ECLI:NL:PHR:2018:708 Parket bij de Hoge Raad 22-06-2018
- ECLI:NL:PHR:2018:461 Parket bij de Hoge Raad 04-05-2018
- ECLI:NL:PHR:2018:413 Parket bij de Hoge Raad 20-04-2018
- ECLI:NL:PHR:2018:205 Parket bij de Hoge Raad 09-03-2018
- ECLI:NL:PHR:2017:993 Parket bij de Hoge Raad 22-09-2017
- ECLI:NL:PHR:2017:657 Parket bij de Hoge Raad 30-06-2017
- ECLI:NL:PHR:2017:511 Parket bij de Hoge Raad 09-06-2017
- ECLI:NL:PHR:2017:510 Parket bij de Hoge Raad 09-06-2017
- ECLI:NL:PHR:2017:470 Parket bij de Hoge Raad 19-05-2017
Volledige tekst
Volledige tekst (4.009 tekens)
27 juni 2014
Eerste Kamer
nr. 13/05083
LZ/EE
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
1. [eiser 1],
2. [eiser 2],
beiden wonende te [woonplaats],
EISERS tot cassatie,
advocaten: mr. R.L. Bakels en mr. A. van Staden ten Brink,
t e g e n
[verweerder],wonende te [woonplaats],
VERWEERDER in cassatie,
niet verschenen.
Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als [eiser] c.s. en [verweerder].
1Het geding in feitelijke instanties
Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:
a. de vonnissen in de zaak 94669/HA ZA 09-124 van de rechtbank Leeuwarden van 2 september 2009 en 24 november 2010;
b. het arrest in de zaak 200.084.921/01 van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 2 juli 2013.
Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.
2Het geding in cassatie
Tegen het arrest van het hof hebben [eiser] c.s. beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Tegen [verweerder] is verstek verleend.
De conclusie van de Advocaat-Generaal J. Wuisman strekt tot vernietiging van het bestreden arrest.
3Beoordeling van het middel
3.1
Onderdeel I van het middel klaagt dat het hof, door in rov. 6.3 van zijn arrest te overwegen dat [verweerder] heeft aangevoerd dat op 9 november 2007 nog slechts sprake was van een uitnodiging om in onderhandeling te treden, een onbegrijpelijke uitleg heeft gegeven aan grief I van [verweerder], nu die grief niet anders kan worden begrepen dan dat daarin naar voren wordt gebracht dat er tussen partijen een koopovereenkomst onder opschortende voorwaarde tot stand is gekomen en dat de door de rechtbank gegeven bewijsopdracht geen stand kan houden omdat de vereiste medewerking van de gemeente een opschortende voorwaarde en geen ontbindende voorwaarde is.
3.2
Deze klacht faalt. De uitleg van de processtukken en van de standpunten van partijen is van feitelijke aard en kan in cassatie dan ook niet op juistheid worden onderzocht. [verweerder] heeft in zijn memorie van grieven mede aangevoerd (onder 7) dat de rechtbank het overleg van partijen in een onjuiste sleutel heeft geplaatst en dat zij een onjuiste uitleg heeft gegeven aan het door hen gevoerd overleg, (onder 9b en 9c) dat [eiser] hem op 9 november 2007 voor het eerst heeft benaderd over de mogelijkheid om het pand te kopen en daarover toen als een door [eiser] ‘aangereikte optie’ is gesproken, en (onder 10) dat in het licht van het plaatsgevonden hebbende overleg de rechtbank niet heeft kunnen blijven stilstaan bij de vraag of er een voorbehoud was bedongen. Kennelijk heeft het hof deze stellingen uitgelegd als mede behelzende een herhaald beroep op de impliciet door de rechtbank verworpen stelling van [verweerder] in eerste aanleg dat bij het eerste overleg op 9 november 2007 nog slechts sprake was van een uitnodiging om in onderhandeling te treden. Onbegrijpelijk is die uitleg niet.
3.3
Ook de overige klachten van het middel kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 lid 1 RO, geen nadere motivering nu die klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4Beslissing
De Hoge Raad:
verwerpt het beroep;
veroordeelt [eiser] c.s. in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [verweerder] begroot op nihil.
Dit arrest is gewezen door de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, als voorzitter, C.E. Drion en G. Snijders, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer G. de Groot op 27 juni 2014.
Eerste Kamer
nr. 13/05083
LZ/EE
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
1. [eiser 1],
2. [eiser 2],
beiden wonende te [woonplaats],
EISERS tot cassatie,
advocaten: mr. R.L. Bakels en mr. A. van Staden ten Brink,
t e g e n
[verweerder],wonende te [woonplaats],
VERWEERDER in cassatie,
niet verschenen.
Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als [eiser] c.s. en [verweerder].
1Het geding in feitelijke instanties
Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:
a. de vonnissen in de zaak 94669/HA ZA 09-124 van de rechtbank Leeuwarden van 2 september 2009 en 24 november 2010;
b. het arrest in de zaak 200.084.921/01 van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 2 juli 2013.
Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.
2Het geding in cassatie
Tegen het arrest van het hof hebben [eiser] c.s. beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Tegen [verweerder] is verstek verleend.
De conclusie van de Advocaat-Generaal J. Wuisman strekt tot vernietiging van het bestreden arrest.
3Beoordeling van het middel
3.1
Onderdeel I van het middel klaagt dat het hof, door in rov. 6.3 van zijn arrest te overwegen dat [verweerder] heeft aangevoerd dat op 9 november 2007 nog slechts sprake was van een uitnodiging om in onderhandeling te treden, een onbegrijpelijke uitleg heeft gegeven aan grief I van [verweerder], nu die grief niet anders kan worden begrepen dan dat daarin naar voren wordt gebracht dat er tussen partijen een koopovereenkomst onder opschortende voorwaarde tot stand is gekomen en dat de door de rechtbank gegeven bewijsopdracht geen stand kan houden omdat de vereiste medewerking van de gemeente een opschortende voorwaarde en geen ontbindende voorwaarde is.
3.2
Deze klacht faalt. De uitleg van de processtukken en van de standpunten van partijen is van feitelijke aard en kan in cassatie dan ook niet op juistheid worden onderzocht. [verweerder] heeft in zijn memorie van grieven mede aangevoerd (onder 7) dat de rechtbank het overleg van partijen in een onjuiste sleutel heeft geplaatst en dat zij een onjuiste uitleg heeft gegeven aan het door hen gevoerd overleg, (onder 9b en 9c) dat [eiser] hem op 9 november 2007 voor het eerst heeft benaderd over de mogelijkheid om het pand te kopen en daarover toen als een door [eiser] ‘aangereikte optie’ is gesproken, en (onder 10) dat in het licht van het plaatsgevonden hebbende overleg de rechtbank niet heeft kunnen blijven stilstaan bij de vraag of er een voorbehoud was bedongen. Kennelijk heeft het hof deze stellingen uitgelegd als mede behelzende een herhaald beroep op de impliciet door de rechtbank verworpen stelling van [verweerder] in eerste aanleg dat bij het eerste overleg op 9 november 2007 nog slechts sprake was van een uitnodiging om in onderhandeling te treden. Onbegrijpelijk is die uitleg niet.
3.3
Ook de overige klachten van het middel kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 lid 1 RO, geen nadere motivering nu die klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4Beslissing
De Hoge Raad:
verwerpt het beroep;
veroordeelt [eiser] c.s. in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [verweerder] begroot op nihil.
Dit arrest is gewezen door de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, als voorzitter, C.E. Drion en G. Snijders, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer G. de Groot op 27 juni 2014.