Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Hoge Raad

ECLI:NL:HR:2014:1242

2014-05-27 Strafrecht 12/05807
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Hoge Raad
Uitspraakdatum
2014-05-27
Publicatiedatum
2014-05-27
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedure
Cassatie
Zaaknummer
12/05807
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl | RvdW 2014/796 | NJ 2014/306 met annotatie van

Formele procesketen

Inhoudsindicatie

HR ambtshalve: OM n-o in vervolging, verdachte overleden (art. 69 Sr). Met het oog op de vordering b.p. voegt de HR hieraan toe dat uit art. 361.2 aanhef en onder a Sv volgt dat in geval van een uit art. 69 Sr voortvloeiende niet-ontvankelijkverklaring van de OvJ in de vervolging de b.p. van rechtswege n-o is in haar vordering tot vergoeding van de in art. 361.2 aanhef en onder b Sv bedoelde schade, v.zv. een eerdere beslissing daarover nog niet onherroepelijk is geworden.

Citeert (0)

  • geen

Geciteerd door (1)

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (3.690 tekens)
27 mei 2014
Strafkamer
nr. 12/05807

Hoge Raad der Nederlanden


Arrest



op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Amsterdam, zitting houdende te Arnhem, van 16 augustus 2012, nummer 21/000796-12, in de strafzaak tegen:



[verdachte]
, geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1987.




1Geding in cassatie


Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. D.P. Hein, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld.
De Advocaat-Generaal T.N.B.M. Spronken heeft bij aanvullende conclusie geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak, behalve voor zover daarbij het vonnis van de Rechtbank is vernietigd, tot vernietiging van het vonnis van de Rechtbank voor het overige, tot niet-ontvankelijkverklaring van de Officier van Justitie in de vervolging en tot niet-ontvankelijkverklaring van de benadeelde partij [A] in haar vordering tot schadevergoeding.





2Ambtshalve beoordeling van de bestreden uitspraak


2.1.
Blijkens een aan de Hoge Raad overgelegd, door de ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeente Amsterdam gewaarmerkt afschrift van een akte van de burgerlijke stand van die gemeente is de verdachte op 15 juni 2013 aldaar overleden. Daarom is volgens art. 69 Sr in deze zaak het recht tot strafvordering vervallen. Dat brengt mee dat de Officier van Justitie alsnog niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vervolging.


2.2.1.
De Hoge Raad voegt hieraan met het oog op de vordering van de benadeelde partij het volgende toe.



2.2.2.

Art. 361, tweede lid, Sv luidt:
"De benadeelde partij zal alleen ontvankelijk zijn in haar vordering indien:
a. de verdachte enige straf of maatregel wordt opgelegd, dan wel in geval van toepassing van artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht en
b. aan haar rechtstreeks schade is toegebracht door het bewezen verklaarde feit of door een strafbaar feit, waarvan in de dagvaarding is meegedeeld dat het door de verdachte is erkend en ter kennis van de rechtbank wordt gebracht, en waarmee door de rechtbank bij de strafoplegging rekening is gehouden."




2.2.3.
Ingevolge art. 361, tweede lid aanhef en onder a, Sv is de benadeelde partij alleen ontvankelijk in haar vordering indien de verdachte enige straf of maatregel wordt opgelegd dan wel art. 9a Sr wordt toegepast. Hieruit volgt dat in geval van een uit art. 69 Sr voortvloeiende niet-ontvankelijkverklaring van de officier van justitie in de vervolging, de benadeelde partij van rechtswege niet-ontvankelijk is in haar vordering tot vergoeding van de in art. 361, tweede lid aanhef en onder b, Sv bedoelde schade, voor zover een eerdere beslissing daarover nog niet onherroepelijk is geworden.






3Slotsom


Uit het voorgaande vloeit voort dat als volgt moet worden beslist.





4Beslissing


De Hoge Raad:
vernietigt de uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam, nevenzittingsplaats Arnhem, en de uitspraak van de Rechtbank Amsterdam;
verklaart de Officier van Justitie alsnog niet-ontvankelijk in de vervolging.



Dit arrest is gewezen door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren J. de Hullu en V. van den Brink, in bijzijn van de griffier S.P. Bakker, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 27 mei 2014.