Hoge Raad
ECLI:NL:HR:2014:1194
2014-05-23
Bestuursrecht; Belastingrecht
12/05526
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Formele procesketen
- cassatie ECLI:NL:HR:2014:1194 → ECLI:NL:GHSGR:2012:BZ7198 bekrachtiging/bevestiging
Inhoudsindicatie
Art. 8:60, lid 4, Awb. Art. 8:63, lid 3, Awb. Procesrecht. Voorwaardelijk getuigenaanbod / verzoek om getuigen op te roepen. Geen strijd met HR BNB 2005/152.
Citeert (2)
- ECLI:NL:HR:2004:AR7741 Hoge Raad 17-12-2004
- ECLI:NL:HR:2009:BH5559 Hoge Raad 13-03-2009
Geciteerd door (99)
- ECLI:NL:GHSHE:2026:1080 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 22-04-2026
- ECLI:NL:GHARL:2025:5180 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 19-08-2025
- ECLI:NL:GHDHA:2025:2317 Gerechtshof Den Haag 12-08-2025
- ECLI:NL:GHDHA:2025:2318 Gerechtshof Den Haag 12-08-2025
- ECLI:NL:PHR:2024:1400 Parket bij de Hoge Raad 20-12-2024
- ECLI:NL:PHR:2024:1399 Parket bij de Hoge Raad 20-12-2024
- ECLI:NL:GHARL:2024:6420 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 15-10-2024
- ECLI:NL:RBZWB:2024:6405 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 17-09-2024
- ECLI:NL:RBZWB:2024:6404 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 17-09-2024
- ECLI:NL:GHSHE:2024:2141 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 03-07-2024
- ECLI:NL:GHARL:2024:1093 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 13-02-2024
- ECLI:NL:GHSHE:2023:3020 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 20-09-2023
- ECLI:NL:GHDHA:2023:639 Gerechtshof Den Haag 05-04-2023
- ECLI:NL:HR:2023:133 Hoge Raad 03-02-2023
- ECLI:NL:GHAMS:2022:3587 Gerechtshof Amsterdam 06-12-2022
- ECLI:NL:GHARL:2022:8231 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 27-09-2022
- ECLI:NL:OGEAC:2022:222 Gerecht in eerste aanleg van Curaçao 26-07-2022
- ECLI:NL:GHSHE:2022:1896 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 15-06-2022
- ECLI:NL:RBZWB:2022:214 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 19-01-2022
- ECLI:NL:OGHACMB:2022:6 Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba 05-01-2022
- ECLI:NL:OGHACMB:2022:7 Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba 05-01-2022
- ECLI:NL:RBNHO:2021:6048 Rechtbank Noord-Holland 19-07-2021
- ECLI:NL:PHR:2020:856 Parket bij de Hoge Raad 28-09-2020
- ECLI:NL:PHR:2020:856 Parket bij de Hoge Raad 28-09-2020
- ECLI:NL:PHR:2020:857 Parket bij de Hoge Raad 28-09-2020
- ECLI:NL:PHR:2020:856 Parket bij de Hoge Raad 28-09-2020
- ECLI:NL:PHR:2020:857 Parket bij de Hoge Raad 28-09-2020
- ECLI:NL:PHR:2020:857 Parket bij de Hoge Raad 28-09-2020
- ECLI:NL:RBNHO:2020:5656 Rechtbank Noord-Holland 31-07-2020
- ECLI:NL:GHAMS:2020:3025 Gerechtshof Amsterdam 23-07-2020
- ECLI:NL:GHAMS:2020:3025 Gerechtshof Amsterdam 23-07-2020
- ECLI:NL:GHSHE:2020:496 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 13-02-2020
- ECLI:NL:GHARL:2019:11016 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 24-12-2019
- ECLI:NL:GHDHA:2019:3151 Gerechtshof Den Haag 19-11-2019
- ECLI:NL:GHDHA:2019:3151 Gerechtshof Den Haag 19-11-2019
- ECLI:NL:HR:2019:1786 Hoge Raad 15-11-2019
- ECLI:NL:GHSHE:2019:3831 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 17-10-2019
- ECLI:NL:GHARL:2019:8482 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 15-10-2019
- ECLI:NL:GHARL:2019:7321 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 10-09-2019
- ECLI:NL:GHARL:2019:7315 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 10-09-2019
- ECLI:NL:GHARL:2019:7322 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 10-09-2019
- ECLI:NL:HR:2019:789 Hoge Raad 24-05-2019
- ECLI:NL:PHR:2019:506 Parket bij de Hoge Raad 14-05-2019
- ECLI:NL:PHR:2019:506 Parket bij de Hoge Raad 14-05-2019
- ECLI:NL:PHR:2019:506 Parket bij de Hoge Raad 14-05-2019
- ECLI:NL:GHARL:2019:3540 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 24-04-2019
- ECLI:NL:GHARL:2019:3541 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 24-04-2019
- ECLI:NL:HR:2019:29 Hoge Raad 11-01-2019
- ECLI:NL:RBZWB:2018:7317 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 20-12-2018
- ECLI:NL:RBZWB:2018:6531 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 23-11-2018
- ECLI:NL:GHSHE:2018:4542 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 01-11-2018
- ECLI:NL:HR:2018:1850 Hoge Raad 05-10-2018
- ECLI:NL:GHDHA:2018:2618 Gerechtshof Den Haag 25-09-2018
- ECLI:NL:GHDHA:2018:2619 Gerechtshof Den Haag 25-09-2018
- ECLI:NL:GHAMS:2018:1746 Gerechtshof Amsterdam 05-06-2018
- ECLI:NL:GHARL:2018:4582 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 23-05-2018
- ECLI:NL:GHSHE:2018:1593 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 13-04-2018
- ECLI:NL:GHAMS:2018:1069 Gerechtshof Amsterdam 08-02-2018
- ECLI:NL:HR:2018:47 Hoge Raad 19-01-2018
- ECLI:NL:GHSHE:2017:5849 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 21-12-2017
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (8.086 tekens)
23 mei 2014
nr. 12/05526
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van [X] B.V. te [Z] (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het Gerechtshof te ’s‑Gravenhage van 23 oktober 2012, nrs. BK‑11/00050 en 11/00051, betreffende aanslagen in de vennootschapsbelasting.
1Het geding in feitelijke instanties
Aan belanghebbende zijn voor de jaren 2002 en 2003 aanslagen in de vennootschapsbelasting opgelegd, welke aanslagen, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraken van de Inspecteur zijn gehandhaafd.
De Rechtbank te ’s‑Gravenhage (nrs. AWB 08/5802 VPB en AWB 08/5803 VPB) heeft de tegen die uitspraken ingestelde beroepen ongegrond verklaard.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof.
Het Hof heeft de uitspraak van de Rechtbank bevestigd. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
2Geding in cassatie
Belanghebbende heeft tegen ’s Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft de zaak doen toelichten door mr. Feenstra en mr. Kerckhoffs, advocaten te Breda.
3Beoordeling van de middelen
3.1.
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
3.1.1.
Belanghebbende heeft in haar aangifte voor de vennootschapsbelasting voor de jaren 2002 en 2003 het standpunt ingenomen dat haar plaats van leiding niet is gelegen in Nederland maar in de Nederlandse Antillen.
3.1.2.
De Inspecteur heeft de door belanghebbende ingediende aangiften voor de jaren 2002 en 2003 gecorrigeerd bij aanslagen met dagtekening 20 augustus 2005 respectievelijk 22 december 2006 en is daarbij ervan uitgegaan dat belanghebbende in Nederland gevestigd is gebleven.
3.1.3.
Op 23 april 2007 hebben in het kader van een strafrechtelijk onderzoek doorzoekingen ter inbeslagname plaatsgevonden onder meer op het kantoor van belanghebbendes toenmalige gemachtigde en op het kantoor van haar huidige gemachtigde. In het kader van het strafrechtelijk onderzoek heeft de FIOD getuigen en verdachten gehoord. De getuigenverklaringen zijn door de Officier van Justitie in juli 2008 voor fiscale doeleinden vrijgegeven.
3.2.
Het Hof is voorbijgegaan aan het tijdens de tweede zitting voor het Hof van 12 september 2012 door belanghebbende gedane voorwaardelijke aanbod bewijs te leveren door middel van het horen van getuigen. Het heeft daartoe geoordeeld dat het een herhaling betreft van een reeds in eerste aanleg gedaan aanbod en dat belanghebbende voor beide zittingen in hoger beroep een uitnodiging heeft ontvangen waarin de mogelijkheid is geboden getuigen mee te brengen of op te roepen.
Hiertegen keert zich middel V.
3.3.1.
Het zojuist bedoelde voorwaardelijke bewijsaanbod is neergelegd in de pleitaantekeningen van belanghebbende voor de zitting van het Hof van 12 september 2012. Aldaar is vermeld dat belanghebbende haar voorwaardelijke bewijsaanbod, zoals ook al in eerste aanleg is gedaan, herhaalt, en dat dit aanbod nadrukkelijk ook betrekking heeft op [AA] en [BB]. Voor de Rechtbank heeft belanghebbende bij herhaling laatstgenoemden zelf opgeroepen, maar zij zijn niet verschenen. Vervolgens heeft belanghebbende de Rechtbank verzocht deze getuigen op de voet van artikel 8:63, lid 3, Awb op te roepen. De Rechtbank heeft dit verzoek afgewezen.
3.3.2.
In de tot de gedingstukken behorende uitnodigingen voor beide zittingen voor het Hof is belanghebbende gewezen op de mogelijkheid getuigen mee te brengen of bij aangetekende brief of deurwaardersexploit op te roepen. Het Hof heeft, in cassatie onbestreden, geoordeeld dat belanghebbende van die mogelijkheid geen gebruik heeft gemaakt.
3.3.3.
In het hiervoor in 3.3.1 bedoelde bewijsaanbod kan een verzoek worden gelezen aan het Hof om aanhouding van het onderzoek ter zitting teneinde belanghebbende in de gelegenheid te stellen nader bewijs te leveren door middel van door haar mee te brengen of op te roepen getuigen. Het aanbod zou ook kunnen worden opgevat als een herhaling van het voor de Rechtbank gedane verzoek om getuigen op te roepen op de voet van artikel 8:63, lid 3, Awb.
3.3.4.
Ten aanzien van het bewijsaanbod, opgevat als een verzoek om aanhouding van het onderzoek ter zitting, heeft het volgende te gelden. Indien een (voorwaardelijk) bewijsaanbod is gedaan, kan de rechter volstaan met de mededeling dat hij gelegenheid biedt tot uitvoering van dat aanbod (zie HR 17 december 2004, nr. 38831, ECLI:NL:HR:2004:AR7741, BNB 2005/152). In het onderhavige geval heeft het Hof door middel van de hiervoor in 3.3.2 bedoelde uitnodigingen voor de zittingen van 29 mei 2012 en van 12 september 2012, belanghebbende gewezen op de mogelijkheid getuigen mee te brengen of bij aangetekende brief of deurwaardersexploit op te roepen. In het algemeen voldoet een uitnodiging met een zodanige mededeling aan de zojuist bedoelde eis dat gelegenheid wordt geboden tot uitvoering van een bewijsaanbod. Een zodanige mededeling volstaat niet in gevallen waarin de desbetreffende partij in redelijkheid niet kan worden tegengeworpen dat hij van die mogelijkheid geen gebruik heeft gemaakt. Een zodanig geval doet zich bijvoorbeeld voor als ter zitting nieuw licht valt op de noodzaak tot het leveren van bewijs. In het onderhavige geval blijkt uit de stukken van het geding niet van omstandigheden waaruit zou kunnen volgen dat aan belanghebbende in redelijkheid niet kan worden tegengeworpen dat zij heeft nagelaten getuigen mee te nemen of op te roepen of het bewijsaanbod niet eerder heeft gedaan. In cassatie is ook niet gesteld dat dergelijke omstandigheden voor het Hof zijn aangevoerd. Tegen deze achtergrond kan niet worden gezegd dat het Hof het vorenoverwogene heeft miskend met zijn verwerping van het verzoek om aanhouding op de grond dat belanghebbende geen gebruik heeft gemaakt van de mogelijkheid getuigen mee te brengen of op te roepen. ’s Hofs oordeel is ook niet ontoereikend gemotiveerd. In zoverre faalt het middel derhalve.
3.3.5.
Voor zover het hiervoor in 3.3.1 bedoelde aanbod moet worden opgevat als een verzoek aan het Hof om getuigen op te roepen op de voet van artikel 8:63, lid 3, Awb, heeft het volgende te gelden. Het staat de rechter vrij alleen dan (zelf) een getuige op te roepen indien hem dit in het kader van de op hem rustende taak zinvol voorkomt (zie HR 13 maart 2009, nr. 43313, ECLI:NL:HR:2009:BH5559, BNB 2010/4). Bij de beoordeling van het verzoek mag de rechter laten meewegen dat de desbetreffende partij zelf geen pogingen heeft ondernomen om ervoor te zorgen dat de getuige ter zitting aanwezig is. Met zijn door het middel bestreden oordeel heeft het Hof dit een en ander niet miskend. ’s Hofs oordeel is ook niet ontoereikend gemotiveerd. Middel V faalt derhalve voor het overige eveneens.
3.3.6.
Ook de overige middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu die middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4Proceskosten
De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.
5Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J.A.C.A. Overgaauw als voorzitter, en de raadsheren C.B. Bavinck, P.M.F. van Loon, R.J. Koopman en L.F. van Kalmthout, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 23 mei 2014.
nr. 12/05526
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van [X] B.V. te [Z] (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het Gerechtshof te ’s‑Gravenhage van 23 oktober 2012, nrs. BK‑11/00050 en 11/00051, betreffende aanslagen in de vennootschapsbelasting.
1Het geding in feitelijke instanties
Aan belanghebbende zijn voor de jaren 2002 en 2003 aanslagen in de vennootschapsbelasting opgelegd, welke aanslagen, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraken van de Inspecteur zijn gehandhaafd.
De Rechtbank te ’s‑Gravenhage (nrs. AWB 08/5802 VPB en AWB 08/5803 VPB) heeft de tegen die uitspraken ingestelde beroepen ongegrond verklaard.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof.
Het Hof heeft de uitspraak van de Rechtbank bevestigd. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
2Geding in cassatie
Belanghebbende heeft tegen ’s Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft de zaak doen toelichten door mr. Feenstra en mr. Kerckhoffs, advocaten te Breda.
3Beoordeling van de middelen
3.1.
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
3.1.1.
Belanghebbende heeft in haar aangifte voor de vennootschapsbelasting voor de jaren 2002 en 2003 het standpunt ingenomen dat haar plaats van leiding niet is gelegen in Nederland maar in de Nederlandse Antillen.
3.1.2.
De Inspecteur heeft de door belanghebbende ingediende aangiften voor de jaren 2002 en 2003 gecorrigeerd bij aanslagen met dagtekening 20 augustus 2005 respectievelijk 22 december 2006 en is daarbij ervan uitgegaan dat belanghebbende in Nederland gevestigd is gebleven.
3.1.3.
Op 23 april 2007 hebben in het kader van een strafrechtelijk onderzoek doorzoekingen ter inbeslagname plaatsgevonden onder meer op het kantoor van belanghebbendes toenmalige gemachtigde en op het kantoor van haar huidige gemachtigde. In het kader van het strafrechtelijk onderzoek heeft de FIOD getuigen en verdachten gehoord. De getuigenverklaringen zijn door de Officier van Justitie in juli 2008 voor fiscale doeleinden vrijgegeven.
3.2.
Het Hof is voorbijgegaan aan het tijdens de tweede zitting voor het Hof van 12 september 2012 door belanghebbende gedane voorwaardelijke aanbod bewijs te leveren door middel van het horen van getuigen. Het heeft daartoe geoordeeld dat het een herhaling betreft van een reeds in eerste aanleg gedaan aanbod en dat belanghebbende voor beide zittingen in hoger beroep een uitnodiging heeft ontvangen waarin de mogelijkheid is geboden getuigen mee te brengen of op te roepen.
Hiertegen keert zich middel V.
3.3.1.
Het zojuist bedoelde voorwaardelijke bewijsaanbod is neergelegd in de pleitaantekeningen van belanghebbende voor de zitting van het Hof van 12 september 2012. Aldaar is vermeld dat belanghebbende haar voorwaardelijke bewijsaanbod, zoals ook al in eerste aanleg is gedaan, herhaalt, en dat dit aanbod nadrukkelijk ook betrekking heeft op [AA] en [BB]. Voor de Rechtbank heeft belanghebbende bij herhaling laatstgenoemden zelf opgeroepen, maar zij zijn niet verschenen. Vervolgens heeft belanghebbende de Rechtbank verzocht deze getuigen op de voet van artikel 8:63, lid 3, Awb op te roepen. De Rechtbank heeft dit verzoek afgewezen.
3.3.2.
In de tot de gedingstukken behorende uitnodigingen voor beide zittingen voor het Hof is belanghebbende gewezen op de mogelijkheid getuigen mee te brengen of bij aangetekende brief of deurwaardersexploit op te roepen. Het Hof heeft, in cassatie onbestreden, geoordeeld dat belanghebbende van die mogelijkheid geen gebruik heeft gemaakt.
3.3.3.
In het hiervoor in 3.3.1 bedoelde bewijsaanbod kan een verzoek worden gelezen aan het Hof om aanhouding van het onderzoek ter zitting teneinde belanghebbende in de gelegenheid te stellen nader bewijs te leveren door middel van door haar mee te brengen of op te roepen getuigen. Het aanbod zou ook kunnen worden opgevat als een herhaling van het voor de Rechtbank gedane verzoek om getuigen op te roepen op de voet van artikel 8:63, lid 3, Awb.
3.3.4.
Ten aanzien van het bewijsaanbod, opgevat als een verzoek om aanhouding van het onderzoek ter zitting, heeft het volgende te gelden. Indien een (voorwaardelijk) bewijsaanbod is gedaan, kan de rechter volstaan met de mededeling dat hij gelegenheid biedt tot uitvoering van dat aanbod (zie HR 17 december 2004, nr. 38831, ECLI:NL:HR:2004:AR7741, BNB 2005/152). In het onderhavige geval heeft het Hof door middel van de hiervoor in 3.3.2 bedoelde uitnodigingen voor de zittingen van 29 mei 2012 en van 12 september 2012, belanghebbende gewezen op de mogelijkheid getuigen mee te brengen of bij aangetekende brief of deurwaardersexploit op te roepen. In het algemeen voldoet een uitnodiging met een zodanige mededeling aan de zojuist bedoelde eis dat gelegenheid wordt geboden tot uitvoering van een bewijsaanbod. Een zodanige mededeling volstaat niet in gevallen waarin de desbetreffende partij in redelijkheid niet kan worden tegengeworpen dat hij van die mogelijkheid geen gebruik heeft gemaakt. Een zodanig geval doet zich bijvoorbeeld voor als ter zitting nieuw licht valt op de noodzaak tot het leveren van bewijs. In het onderhavige geval blijkt uit de stukken van het geding niet van omstandigheden waaruit zou kunnen volgen dat aan belanghebbende in redelijkheid niet kan worden tegengeworpen dat zij heeft nagelaten getuigen mee te nemen of op te roepen of het bewijsaanbod niet eerder heeft gedaan. In cassatie is ook niet gesteld dat dergelijke omstandigheden voor het Hof zijn aangevoerd. Tegen deze achtergrond kan niet worden gezegd dat het Hof het vorenoverwogene heeft miskend met zijn verwerping van het verzoek om aanhouding op de grond dat belanghebbende geen gebruik heeft gemaakt van de mogelijkheid getuigen mee te brengen of op te roepen. ’s Hofs oordeel is ook niet ontoereikend gemotiveerd. In zoverre faalt het middel derhalve.
3.3.5.
Voor zover het hiervoor in 3.3.1 bedoelde aanbod moet worden opgevat als een verzoek aan het Hof om getuigen op te roepen op de voet van artikel 8:63, lid 3, Awb, heeft het volgende te gelden. Het staat de rechter vrij alleen dan (zelf) een getuige op te roepen indien hem dit in het kader van de op hem rustende taak zinvol voorkomt (zie HR 13 maart 2009, nr. 43313, ECLI:NL:HR:2009:BH5559, BNB 2010/4). Bij de beoordeling van het verzoek mag de rechter laten meewegen dat de desbetreffende partij zelf geen pogingen heeft ondernomen om ervoor te zorgen dat de getuige ter zitting aanwezig is. Met zijn door het middel bestreden oordeel heeft het Hof dit een en ander niet miskend. ’s Hofs oordeel is ook niet ontoereikend gemotiveerd. Middel V faalt derhalve voor het overige eveneens.
3.3.6.
Ook de overige middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu die middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4Proceskosten
De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.
5Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J.A.C.A. Overgaauw als voorzitter, en de raadsheren C.B. Bavinck, P.M.F. van Loon, R.J. Koopman en L.F. van Kalmthout, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 23 mei 2014.