Hoge Raad
ECLI:NL:HR:2013:CA3748
2013-09-20
Civiel recht
12/04255
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Formele procesketen
- cassatie ECLI:NL:HR:2013:CA3748 → ECLI:NL:GHARN:2012:727 (Gedeeltelijke) vernietiging met verwijzen
- conclusie ECLI:NL:HR:2013:CA3748 → ECLI:NL:PHR:2013:CA3748 gevolgd
Inhoudsindicatie
Verdeling huwelijksgoederengemeenschap. Belastingschuld. Vrouw niet betrokken bij overleg en totstandkoming vaststellingsovereenkomst met Belastingdienst. Afwijking hoofdregel art. 1:100 BW slechts mogelijk in zeer uitzonderlijke omstandigheden (HR 30 maart 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV1749, NJ 2012/407), waarin het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat de ene echtgenoot zich jegens de andere beroept op verdeling bij helfte.
Citeert (1)
- ECLI:NL:HR:2012:BV1749 Hoge Raad 30-03-2012
Geciteerd door (37)
- ECLI:NL:PHR:2025:1363 Parket bij de Hoge Raad 12-12-2025
- ECLI:NL:GHAMS:2025:1914 Gerechtshof Amsterdam 22-07-2025
- ECLI:NL:PHR:2023:387 Parket bij de Hoge Raad 31-03-2023
- ECLI:NL:RBNHO:2023:2683 Rechtbank Noord-Holland 06-03-2023
- ECLI:NL:RBNHO:2023:1470 Rechtbank Noord-Holland 21-02-2023
- ECLI:NL:GHSHE:2022:4505 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 15-12-2022
- ECLI:NL:RBAMS:2022:3860 Rechtbank Amsterdam 29-06-2022
- ECLI:NL:GHSHE:2022:2018 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 23-06-2022
- ECLI:NL:RBGEL:2022:2751 Rechtbank Gelderland 02-06-2022
- ECLI:NL:RBROT:2022:2435 Rechtbank Rotterdam 30-03-2022
- ECLI:NL:RBAMS:2022:1183 Rechtbank Amsterdam 16-03-2022
- ECLI:NL:OGHACMB:2022:257 Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba 25-02-2022
- ECLI:NL:GHSHE:2022:579 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 24-02-2022
- ECLI:NL:GHSHE:2021:3245 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 26-10-2021
- ECLI:NL:GHSHE:2021:3245 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 26-10-2021
- ECLI:NL:GHSHE:2021:2393 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 29-07-2021
- ECLI:NL:GHSHE:2021:2260 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 15-07-2021
- ECLI:NL:GHSHE:2021:2248 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 15-07-2021
- ECLI:NL:RBOBR:2021:2501 Rechtbank Oost-Brabant 21-05-2021
- ECLI:NL:RBLIM:2021:1530 Rechtbank Limburg 10-02-2021
- ECLI:NL:GHAMS:2020:1750 Gerechtshof Amsterdam 23-06-2020
- ECLI:NL:GHSHE:2020:1720 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 14-05-2020
- ECLI:NL:GHSHE:2020:1090 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 26-03-2020
- ECLI:NL:GHSHE:2020:275 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 28-01-2020
- ECLI:NL:GHSHE:2019:4031 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 31-10-2019
- ECLI:NL:GHSHE:2019:1475 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 18-04-2019
- ECLI:NL:GHSHE:2019:434 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 07-02-2019
- ECLI:NL:GHAMS:2019:106 Gerechtshof Amsterdam 15-01-2019
- ECLI:NL:RBDHA:2018:9664 Rechtbank Den Haag 31-07-2018
- ECLI:NL:GHSHE:2018:3117 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 17-07-2018
- ECLI:NL:GHSHE:2018:2693 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 21-06-2018
- ECLI:NL:RBOVE:2018:3475 Rechtbank Overijssel 20-06-2018
- ECLI:NL:RBOVE:2017:1018 Rechtbank Overijssel 06-03-2017
- ECLI:NL:PHR:2017:42 Parket bij de Hoge Raad 03-02-2017
- ECLI:NL:PHR:2015:2478 Parket bij de Hoge Raad 18-12-2015
- ECLI:NL:PHR:2014:2110 Parket bij de Hoge Raad 07-11-2014
- ECLI:NL:GHDHA:2013:3849 Gerechtshof Den Haag 09-10-2013
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (6.130 tekens)
20 september 2013
Eerste Kamer
nr. 12/04255
EV/TT
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van;
[de man],wonende te [woonplaats],
EISER tot cassatie,
advocaat: mr. H.J.W. Alt,
t e g e n
[de vrouw],wonende te [woonplaats],
VERWEERSTER in cassatie,
advocaat: mr. P.C.M. van Schijndel.
Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als de man en de vrouw.
1Het geding in feitelijke instanties
Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:
a. de vonnissen in de zaak 91305/HA ZA 08-114 van de rechtbank Almelo van 26 maart 2008, 17 september 2008, en 28 januari 2009;
b. het arrest in de zaak 200.036.989 van het gerechtshof te Arnhem van 20 maart 2012.
Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.
2Het geding in cassatie
Tegen het arrest van het hof heeft de man beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De vrouw heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
De zaak is voor de vrouw toegelicht door haar advocaat.
De conclusie van de Advocaat-Generaal L.A.D. Keus strekt tot vernietiging en verwijzing.
De advocaat van de vrouw heeft bij brief van 27 juni 2013 op de conclusie gereageerd.
3Beoordeling van het middel
3.1
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
(i) Tussen partijen, die in algehele gemeenschap van goederen waren gehuwd, is bij beschikking van 16 mei 2007 echtscheiding uitgesproken.
(ii) Partijen zijn overeengekomen dat 18 januari 2007 geldt als peildatum voor de vaststelling van de omvang en de waardering van de huwelijksgoederengemeenschap.
3.2
Het gaat in deze procedure om de verdeling van de ontbonden gemeenschap. De man heeft in hoger beroep aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte een aantal schulden niet in aanmerking heeft genomen, te weten een naheffingsaanslag omzetbelasting, een schuld aan Driemansgroep en enkele schulden uit geldlening. Het hof heeft vastgesteld dat de schuld aan Driemansgroep niet in de gemeenschap is gevallen en dat de schulden uit geldlening zijn afgelost. Het hof heeft voorts vastgesteld dat de naheffingsaanslag bestaat uit vier onderdelen (a-d). Van de schuld aan de belastingdienst is een gedeelte, betrekking hebbend op de schulden (a) en (b), weliswaar in de gemeenschap gevallen, maar dit gedeelte dient volgens het hof geheel door de man te worden gedragen. (rov. 2.5 en 2.10) Het hof heeft in rov. 2.5 onder meer het volgende overwogen.
“(…) De schulden (a) en (b) zijn ontstaan voor 18 januari 2007 en zijn wel in de gemeenschap gevallen. Het hof is van oordeel dat uit de redelijkheid en billijkheid voortvloeit dat [de man] deze schulden alsmede de daarover verschuldigde heffingsrente geheel moet dragen, nu hij [de vrouw] niet heeft betrokken bij de discussie en de overleggen met de belastingdienst over de aangiften omzetbelasting over de jaren 2005 en 2006 en evenmin bij de totstandkoming van de vaststellingsovereenkomst die hij op 1 november 2008 met de belastingdienst heeft gesloten, waarin onder meer is bepaald dat de in geschil zijnde naheffingsaanslag zal worden opgelegd.”
3.3.1
Onderdeel 2.2 is gericht tegen de hiervoor in 3.2 weergegeven overweging van het hof. Het onderdeel klaagt onder (i) dat het hof een onjuiste maatstaf heeft aangelegd bij het toepassen van een uitzondering op de regel dat verdeling bij helfte dient plaats te vinden, althans dat het hof zijn oordeel ontoereikend heeft gemotiveerd.
3.3.2
Bij de beoordeling van de klacht wordt het volgende vooropgesteld. Ingevolge art. 1:100 BW hebben de echtgenoten een gelijk aandeel in de ontbonden gemeenschap, zodat die gemeenschap bij helfte dient te worden verdeeld. Een afwijking van deze regel is niet geheel uitgesloten. Zij kan evenwel slechts worden aangenomen in zeer uitzonderlijke omstandigheden, waarin het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn dat de ene echtgenoot zich jegens de andere beroept op een verdeling bij helfte van de ontbonden gemeenschap (vgl. HR 30 maart 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV1749, NJ 2012/407).
De door het hof in aanmerking genomen omstandigheid dat de man de vrouw niet heeft betrokken bij het overleg met de belastingdienst en evenmin bij het totstandkomen van de vaststellingsovereenkomst, is niet zonder meer voldoende om een zeer uitzonderlijk geval als hiervoor bedoeld aan te nemen. Het hof heeft met zijn oordeel hetzij blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting, hetzij zijn oordeel ontoereikend gemotiveerd. De klacht is dus gegrond. Dit brengt mee dat het bestreden arrest niet in stand kan blijven en dat de overige klachten van onderdeel 2.2 geen behandeling behoeven. Onderdeel 2.5, dat gedeeltelijk voortbouwt op onderdeel 2.2 onder (i), is in zoverre eveneens gegrond.
3.4
De overige klachten van het middel kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 lid 1 RO, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4Beslissing
De Hoge Raad:
vernietigt het arrest van het gerechtshof te Arnhem van 20 maart 2012;
verwijst het geding naar het gerechtshof ′s-Hertogenbosch ter verdere behandeling en beslissing;
compenseert de kosten van het geding in cassatie aldus dat iedere partij haar eigen kosten draagt.
Dit arrest is gewezen door de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, als voorzitter, G. Snijders en M.V. Polak, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer M.A. Loth op 20 september 2013.
Eerste Kamer
nr. 12/04255
EV/TT
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van;
[de man],wonende te [woonplaats],
EISER tot cassatie,
advocaat: mr. H.J.W. Alt,
t e g e n
[de vrouw],wonende te [woonplaats],
VERWEERSTER in cassatie,
advocaat: mr. P.C.M. van Schijndel.
Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als de man en de vrouw.
1Het geding in feitelijke instanties
Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:
a. de vonnissen in de zaak 91305/HA ZA 08-114 van de rechtbank Almelo van 26 maart 2008, 17 september 2008, en 28 januari 2009;
b. het arrest in de zaak 200.036.989 van het gerechtshof te Arnhem van 20 maart 2012.
Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.
2Het geding in cassatie
Tegen het arrest van het hof heeft de man beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De vrouw heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
De zaak is voor de vrouw toegelicht door haar advocaat.
De conclusie van de Advocaat-Generaal L.A.D. Keus strekt tot vernietiging en verwijzing.
De advocaat van de vrouw heeft bij brief van 27 juni 2013 op de conclusie gereageerd.
3Beoordeling van het middel
3.1
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
(i) Tussen partijen, die in algehele gemeenschap van goederen waren gehuwd, is bij beschikking van 16 mei 2007 echtscheiding uitgesproken.
(ii) Partijen zijn overeengekomen dat 18 januari 2007 geldt als peildatum voor de vaststelling van de omvang en de waardering van de huwelijksgoederengemeenschap.
3.2
Het gaat in deze procedure om de verdeling van de ontbonden gemeenschap. De man heeft in hoger beroep aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte een aantal schulden niet in aanmerking heeft genomen, te weten een naheffingsaanslag omzetbelasting, een schuld aan Driemansgroep en enkele schulden uit geldlening. Het hof heeft vastgesteld dat de schuld aan Driemansgroep niet in de gemeenschap is gevallen en dat de schulden uit geldlening zijn afgelost. Het hof heeft voorts vastgesteld dat de naheffingsaanslag bestaat uit vier onderdelen (a-d). Van de schuld aan de belastingdienst is een gedeelte, betrekking hebbend op de schulden (a) en (b), weliswaar in de gemeenschap gevallen, maar dit gedeelte dient volgens het hof geheel door de man te worden gedragen. (rov. 2.5 en 2.10) Het hof heeft in rov. 2.5 onder meer het volgende overwogen.
“(…) De schulden (a) en (b) zijn ontstaan voor 18 januari 2007 en zijn wel in de gemeenschap gevallen. Het hof is van oordeel dat uit de redelijkheid en billijkheid voortvloeit dat [de man] deze schulden alsmede de daarover verschuldigde heffingsrente geheel moet dragen, nu hij [de vrouw] niet heeft betrokken bij de discussie en de overleggen met de belastingdienst over de aangiften omzetbelasting over de jaren 2005 en 2006 en evenmin bij de totstandkoming van de vaststellingsovereenkomst die hij op 1 november 2008 met de belastingdienst heeft gesloten, waarin onder meer is bepaald dat de in geschil zijnde naheffingsaanslag zal worden opgelegd.”
3.3.1
Onderdeel 2.2 is gericht tegen de hiervoor in 3.2 weergegeven overweging van het hof. Het onderdeel klaagt onder (i) dat het hof een onjuiste maatstaf heeft aangelegd bij het toepassen van een uitzondering op de regel dat verdeling bij helfte dient plaats te vinden, althans dat het hof zijn oordeel ontoereikend heeft gemotiveerd.
3.3.2
Bij de beoordeling van de klacht wordt het volgende vooropgesteld. Ingevolge art. 1:100 BW hebben de echtgenoten een gelijk aandeel in de ontbonden gemeenschap, zodat die gemeenschap bij helfte dient te worden verdeeld. Een afwijking van deze regel is niet geheel uitgesloten. Zij kan evenwel slechts worden aangenomen in zeer uitzonderlijke omstandigheden, waarin het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn dat de ene echtgenoot zich jegens de andere beroept op een verdeling bij helfte van de ontbonden gemeenschap (vgl. HR 30 maart 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV1749, NJ 2012/407).
De door het hof in aanmerking genomen omstandigheid dat de man de vrouw niet heeft betrokken bij het overleg met de belastingdienst en evenmin bij het totstandkomen van de vaststellingsovereenkomst, is niet zonder meer voldoende om een zeer uitzonderlijk geval als hiervoor bedoeld aan te nemen. Het hof heeft met zijn oordeel hetzij blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting, hetzij zijn oordeel ontoereikend gemotiveerd. De klacht is dus gegrond. Dit brengt mee dat het bestreden arrest niet in stand kan blijven en dat de overige klachten van onderdeel 2.2 geen behandeling behoeven. Onderdeel 2.5, dat gedeeltelijk voortbouwt op onderdeel 2.2 onder (i), is in zoverre eveneens gegrond.
3.4
De overige klachten van het middel kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 lid 1 RO, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4Beslissing
De Hoge Raad:
vernietigt het arrest van het gerechtshof te Arnhem van 20 maart 2012;
verwijst het geding naar het gerechtshof ′s-Hertogenbosch ter verdere behandeling en beslissing;
compenseert de kosten van het geding in cassatie aldus dat iedere partij haar eigen kosten draagt.
Dit arrest is gewezen door de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, als voorzitter, G. Snijders en M.V. Polak, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer M.A. Loth op 20 september 2013.