Hoge Raad
ECLI:NL:HR:2013:BZ0521
2013-03-01
Civiel recht
12/05347
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Formele procesketen
- conclusie ECLI:NL:HR:2013:BZ0521 → ECLI:NL:PHR:2013:BZ0521
Inhoudsindicatie
Art. 80a lid 1 RO. Afwijzing toelatingsverzoek schuldsanering, art. 288 lid 1 onder c Fw. Aan cassatieklachten te stellen eisen, art. 407 lid 2 Rv.
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (2.124 tekens)
1 maart 2013
Eerste Kamer
12/05347
TT/TJ
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
[Verzoekster],
wonende te [woonplaats],
VERZOEKSTER tot cassatie,
advocaat: mr. R.S. van der Beek.
Verzoekster zal hierna ook worden aangeduid als [verzoekster].
1. Het geding in feitelijke instanties
Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:
a. het vonnis in de zaak 414674/FT RK 12-609 van de rechtbank 's-Gravenhage van 18 juni 2012;
b. het arrest in de zaak 200.108.705/01 van het gerechtshof te 's-Gravenhage van 13 november 2012.
Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen het arrest van het hof heeft [verzoekster] beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Het standpunt van de Procureur-Generaal strekt tot het niet-ontvankelijk verklaren van het cassatieberoep op de voet van art. 80a RO.
3. Beoordeling van het middel
De Hoge Raad is van oordeel dat de aangevoerde klachten geen behandeling in cassatie rechtvaardigen omdat de klachten klaarblijkelijk niet tot cassatie kunnen leiden. Dit is reeds het geval omdat in het verzoekschrift tot cassatie een vermelding ontbreekt van de vindplaatsen in de stukken van het geding in de feitelijke instanties van de ter toelichting van de klachten aangevoerde stellingen, zodat de klachten niet voldoen aan de daaraan op grond van art. 407 lid 2 Rv te stellen eisen.
De Hoge Raad zal daarom - gezien art. 80a lid 1 RO en gehoord de Procureur-Generaal - het beroep niet-ontvankelijk verklaren.
4. Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie niet-ontvankelijk.
Dit arrest is gewezen door de vice-president F.B. Bakels als voorzitter en de raadsheren C.E. Drion en A.H.T. Heisterkamp en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer M.A. Loth op 1 maart 2013.
Eerste Kamer
12/05347
TT/TJ
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
[Verzoekster],
wonende te [woonplaats],
VERZOEKSTER tot cassatie,
advocaat: mr. R.S. van der Beek.
Verzoekster zal hierna ook worden aangeduid als [verzoekster].
1. Het geding in feitelijke instanties
Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:
a. het vonnis in de zaak 414674/FT RK 12-609 van de rechtbank 's-Gravenhage van 18 juni 2012;
b. het arrest in de zaak 200.108.705/01 van het gerechtshof te 's-Gravenhage van 13 november 2012.
Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen het arrest van het hof heeft [verzoekster] beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Het standpunt van de Procureur-Generaal strekt tot het niet-ontvankelijk verklaren van het cassatieberoep op de voet van art. 80a RO.
3. Beoordeling van het middel
De Hoge Raad is van oordeel dat de aangevoerde klachten geen behandeling in cassatie rechtvaardigen omdat de klachten klaarblijkelijk niet tot cassatie kunnen leiden. Dit is reeds het geval omdat in het verzoekschrift tot cassatie een vermelding ontbreekt van de vindplaatsen in de stukken van het geding in de feitelijke instanties van de ter toelichting van de klachten aangevoerde stellingen, zodat de klachten niet voldoen aan de daaraan op grond van art. 407 lid 2 Rv te stellen eisen.
De Hoge Raad zal daarom - gezien art. 80a lid 1 RO en gehoord de Procureur-Generaal - het beroep niet-ontvankelijk verklaren.
4. Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie niet-ontvankelijk.
Dit arrest is gewezen door de vice-president F.B. Bakels als voorzitter en de raadsheren C.E. Drion en A.H.T. Heisterkamp en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer M.A. Loth op 1 maart 2013.