Hoge Raad
ECLI:NL:HR:2013:915
2013-10-18
Bestuursrecht; Belastingrecht
13/01234
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Formele procesketen
- cassatie ECLI:NL:HR:2013:915 → ECLI:NL:GHARL:2013:BZ0101 bekrachtiging/bevestiging
Inhoudsindicatie
Art. 7:15, lid 2 en lid 4, Awb. Kostenvergoeding bezwaarfase. Rechter is niet gebonden aan door het bestuursorgaan vastgestelde beleidsregels.
Citeert (1)
- ECLI:NL:HR:2011:BT2293 Hoge Raad 23-09-2011
Geciteerd door (26)
- ECLI:NL:PHR:2026:716 Parket bij de Hoge Raad 10-07-2026
- ECLI:NL:GHDHA:2026:1881 Gerechtshof Den Haag 08-04-2026
- ECLI:NL:GHDHA:2026:1880 Gerechtshof Den Haag 08-04-2026
- ECLI:NL:GHDHA:2026:179 Gerechtshof Den Haag 03-02-2026
- ECLI:NL:GHARL:2025:6995 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 04-11-2025
- ECLI:NL:GHARL:2025:6427 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 14-10-2025
- ECLI:NL:GHARL:2025:6428 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 14-10-2025
- ECLI:NL:RBNNE:2025:4190 Rechtbank Noord-Nederland 09-10-2025
- ECLI:NL:RBNNE:2025:4188 Rechtbank Noord-Nederland 09-10-2025
- ECLI:NL:RBNNE:2025:4187 Rechtbank Noord-Nederland 30-09-2025
- ECLI:NL:GHARL:2023:8624 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 10-10-2023
- ECLI:NL:RBLIM:2023:121 Rechtbank Limburg 06-01-2023
- ECLI:NL:RBLIM:2023:3 Rechtbank Limburg 02-01-2023
- ECLI:NL:RBNNE:2021:2369 Rechtbank Noord-Nederland 11-06-2021
- ECLI:NL:RBDHA:2017:15517 Rechtbank Den Haag 21-12-2017
- ECLI:NL:RVS:2017:3022 Raad van State 08-11-2017
- ECLI:NL:RBOBR:2017:4063 Rechtbank Oost-Brabant 02-08-2017
- ECLI:NL:CRVB:2017:17 Centrale Raad van Beroep 11-01-2017
- ECLI:NL:RBOBR:2016:3086 Rechtbank Oost-Brabant 14-06-2016
- ECLI:NL:CRVB:2015:2792 Centrale Raad van Beroep 18-08-2015
- ECLI:NL:CRVB:2015:2801 Centrale Raad van Beroep 18-08-2015
- ECLI:NL:CRVB:2015:2800 Centrale Raad van Beroep 18-08-2015
- ECLI:NL:CRVB:2015:2822 Centrale Raad van Beroep 18-08-2015
- ECLI:NL:HR:2015:587 Hoge Raad 13-03-2015
- ECLI:NL:RBOVE:2014:6378 Rechtbank Overijssel 03-12-2014
- ECLI:NL:GHARL:2013:9136 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 03-12-2013
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (6.509 tekens)
18 oktober 2013
nr. 13/01234
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Deventer (hierna: het College) tegen de uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 29 januari 2013, nr. 11/00269, betreffende een door [X] te [Z] (hierna: belanghebbende) gedaan verzoek om vergoeding van kosten in verband met de behandeling van het bezwaar.
1Het geding in feitelijke instanties
Ten aanzien van belanghebbende is bij beschikking de waarde van de onroerende zaak [a-straat 1] te [Z] voor het kalenderjaar 2010 vastgesteld. Aan belanghebbende is voor het jaar 2010 een aanslag in de onroerendezaakbelastingen van de gemeente Deventer opgelegd naar de waarde vastgesteld bij voormelde beschikking.
Na door belanghebbende daartegen gemaakt bezwaar heeft de heffingsambtenaar van de gemeente Deventer bij in één geschrift vervatte uitspraken de waarde op een lager bedrag vastgesteld. Bij die uitspraken is tevens beslist op het door belanghebbende gedane verzoek om vergoeding van kosten in verband met de behandeling van het bezwaar als bedoeld in artikel 7:15, lid 2, Awb.
De Rechtbank Zwolle-Lelystad (nr. AWB 11/226) heeft het tegen die uitspraken ingestelde beroep gegrond verklaard, de uitspraken van de heffingsambtenaar vernietigd voor zover zij de beslissing inzake de vergoeding van de in bezwaar gemaakte proceskosten betreffen en de heffingsambtenaar veroordeeld in de kosten in verband met de behandeling van het bezwaar.
De heffingsambtenaar heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof.
Het Hof heeft de uitspraak van de Rechtbank bevestigd. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
2Geding in cassatie
Het College heeft tegen ’s Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
3Beoordeling van de middelen
3.1.
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
3.1.1.
Belanghebbende heeft in haar bezwaarschrift tegen de hiervoor onder 1 bedoelde beschikking en aanslag verzocht om een vergoeding van kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand in verband met de behandeling van het bezwaar.
3.1.2.
De heffingsambtenaar heeft het verzoek afgewezen omdat ten tijde van het doen van de uitspraak door belanghebbende geen kosten waren gemaakt.
3.2.1.
Het Hof heeft een vergoeding toegekend voor de hiervoor in onderdeel 3.1.1 bedoelde kosten van rechtsbijstand. Het heeft daartoe geoordeeld dat belanghebbende aannemelijk heeft gemaakt dat zij met de gemachtigde een ‘no cure, no pay’-afspraak heeft gemaakt die, wat betreft de bezwaarfase, inhoudt dat belanghebbende de vergoeding voor de werkzaamheden van de gemachtigde pas verschuldigd is nadat de heffingsambtenaar een vergoeding heeft betaald. Voorts heeft het Hof geoordeeld dat een dergelijke afspraak niet aan toekenning van een vergoeding van kosten van beroepsmatig verleende rechtsbijstand in de weg staat.
3.2.2.
De hiertegen gerichte middelen falen. Dit behoeft, gezien artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu de middelen in zoverre niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
3.3.1.
Het Hof heeft de vergoeding voor kosten van rechtsbijstand in de bezwaarfase berekend met inachtneming van een wegingsfactor 1 (= gemiddeld) voor het gewicht van de zaak. Het heeft daarbij geen betekenis toegekend aan de door de heffingsambtenaar bij besluit van 27 mei 2010 vastgestelde ‘Beleidsregel toepassing van wegingsfactoren bij vergoeding in de bezwaarfase 2010’ (hierna: de Beleidsregel). In de Beleidsregel is de te hanteren wegingsfactor voor het gewicht van de zaak gesplitst in deelwegingsfactoren; een van die factoren is afhankelijk gesteld van (het in geschil zijnde deel van) het bedrag van de aanslag. Volgens de Beleidsregel zou de factor voor het gewicht van de zaak in dit geval 0,25 (= zeer licht) bedragen. Naar het oordeel van het Hof dient de Beleidsregel echter bij het bepalen van het gewicht van de zaak buiten toepassing te worden gelaten.
3.3.2.
Het vierde middel betoogt dat het Hof de Beleidsregel ten onrechte buiten toepassing heeft gelaten.
3.3.3.
Zoals in het arrest van de Hoge Raad van 23 september 2011, nr. 10/04238, ECLI:NL:HR:2011:BT2293, BNB 2011/265, is beslist, dient de beoordelende instantie zelfstandig – op grond van een eigen waardering – te beoordelen in welke gewichtscategorie een zaak valt. Indien de gewichtscategorie van een zaak in het kader van een vergoeding voor kosten van rechtsbijstand in de bezwaarfase ter discussie staat bij een rechter die over de feiten oordeelt, dient die rechter dan ook zelfstandig te bepalen in welke gewichtscategorie de zaak valt, met toepassing van de regels die op grond van artikel 7:15, lid 4, Awb zijn gesteld in het Besluit proceskosten bestuursrecht en de bij dit besluit behorende Bijlage. De rechter is daarbij niet gebonden aan het oordeel van het bestuursorgaan en kan de juistheid van het oordeel van het bestuursorgaan met betrekking tot deze factor volledig toetsen. Hij is daarbij derhalve niet gebonden aan beleidsregels die het bestuursorgaan ter zake heeft vastgesteld, voor zover die leiden tot een lagere vergoeding dan naar het eigen oordeel van de rechter op zijn plaats is.
3.3.4.
Het Hof heeft derhalve terecht de Beleidsregel buiten toepassing gelaten. Ook het vierde middel faalt daarom.
4Proceskosten
De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.
5Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.W.C. Feteris als voorzitter, en de raadsheren C. Schaap, P.M.F. van Loon, M.A. Fierstra en Th. Groeneveld, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 18 oktober 2013.
Van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Deventer wordt een griffierecht geheven van € 478.
nr. 13/01234
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Deventer (hierna: het College) tegen de uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 29 januari 2013, nr. 11/00269, betreffende een door [X] te [Z] (hierna: belanghebbende) gedaan verzoek om vergoeding van kosten in verband met de behandeling van het bezwaar.
1Het geding in feitelijke instanties
Ten aanzien van belanghebbende is bij beschikking de waarde van de onroerende zaak [a-straat 1] te [Z] voor het kalenderjaar 2010 vastgesteld. Aan belanghebbende is voor het jaar 2010 een aanslag in de onroerendezaakbelastingen van de gemeente Deventer opgelegd naar de waarde vastgesteld bij voormelde beschikking.
Na door belanghebbende daartegen gemaakt bezwaar heeft de heffingsambtenaar van de gemeente Deventer bij in één geschrift vervatte uitspraken de waarde op een lager bedrag vastgesteld. Bij die uitspraken is tevens beslist op het door belanghebbende gedane verzoek om vergoeding van kosten in verband met de behandeling van het bezwaar als bedoeld in artikel 7:15, lid 2, Awb.
De Rechtbank Zwolle-Lelystad (nr. AWB 11/226) heeft het tegen die uitspraken ingestelde beroep gegrond verklaard, de uitspraken van de heffingsambtenaar vernietigd voor zover zij de beslissing inzake de vergoeding van de in bezwaar gemaakte proceskosten betreffen en de heffingsambtenaar veroordeeld in de kosten in verband met de behandeling van het bezwaar.
De heffingsambtenaar heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof.
Het Hof heeft de uitspraak van de Rechtbank bevestigd. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
2Geding in cassatie
Het College heeft tegen ’s Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
3Beoordeling van de middelen
3.1.
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
3.1.1.
Belanghebbende heeft in haar bezwaarschrift tegen de hiervoor onder 1 bedoelde beschikking en aanslag verzocht om een vergoeding van kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand in verband met de behandeling van het bezwaar.
3.1.2.
De heffingsambtenaar heeft het verzoek afgewezen omdat ten tijde van het doen van de uitspraak door belanghebbende geen kosten waren gemaakt.
3.2.1.
Het Hof heeft een vergoeding toegekend voor de hiervoor in onderdeel 3.1.1 bedoelde kosten van rechtsbijstand. Het heeft daartoe geoordeeld dat belanghebbende aannemelijk heeft gemaakt dat zij met de gemachtigde een ‘no cure, no pay’-afspraak heeft gemaakt die, wat betreft de bezwaarfase, inhoudt dat belanghebbende de vergoeding voor de werkzaamheden van de gemachtigde pas verschuldigd is nadat de heffingsambtenaar een vergoeding heeft betaald. Voorts heeft het Hof geoordeeld dat een dergelijke afspraak niet aan toekenning van een vergoeding van kosten van beroepsmatig verleende rechtsbijstand in de weg staat.
3.2.2.
De hiertegen gerichte middelen falen. Dit behoeft, gezien artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu de middelen in zoverre niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
3.3.1.
Het Hof heeft de vergoeding voor kosten van rechtsbijstand in de bezwaarfase berekend met inachtneming van een wegingsfactor 1 (= gemiddeld) voor het gewicht van de zaak. Het heeft daarbij geen betekenis toegekend aan de door de heffingsambtenaar bij besluit van 27 mei 2010 vastgestelde ‘Beleidsregel toepassing van wegingsfactoren bij vergoeding in de bezwaarfase 2010’ (hierna: de Beleidsregel). In de Beleidsregel is de te hanteren wegingsfactor voor het gewicht van de zaak gesplitst in deelwegingsfactoren; een van die factoren is afhankelijk gesteld van (het in geschil zijnde deel van) het bedrag van de aanslag. Volgens de Beleidsregel zou de factor voor het gewicht van de zaak in dit geval 0,25 (= zeer licht) bedragen. Naar het oordeel van het Hof dient de Beleidsregel echter bij het bepalen van het gewicht van de zaak buiten toepassing te worden gelaten.
3.3.2.
Het vierde middel betoogt dat het Hof de Beleidsregel ten onrechte buiten toepassing heeft gelaten.
3.3.3.
Zoals in het arrest van de Hoge Raad van 23 september 2011, nr. 10/04238, ECLI:NL:HR:2011:BT2293, BNB 2011/265, is beslist, dient de beoordelende instantie zelfstandig – op grond van een eigen waardering – te beoordelen in welke gewichtscategorie een zaak valt. Indien de gewichtscategorie van een zaak in het kader van een vergoeding voor kosten van rechtsbijstand in de bezwaarfase ter discussie staat bij een rechter die over de feiten oordeelt, dient die rechter dan ook zelfstandig te bepalen in welke gewichtscategorie de zaak valt, met toepassing van de regels die op grond van artikel 7:15, lid 4, Awb zijn gesteld in het Besluit proceskosten bestuursrecht en de bij dit besluit behorende Bijlage. De rechter is daarbij niet gebonden aan het oordeel van het bestuursorgaan en kan de juistheid van het oordeel van het bestuursorgaan met betrekking tot deze factor volledig toetsen. Hij is daarbij derhalve niet gebonden aan beleidsregels die het bestuursorgaan ter zake heeft vastgesteld, voor zover die leiden tot een lagere vergoeding dan naar het eigen oordeel van de rechter op zijn plaats is.
3.3.4.
Het Hof heeft derhalve terecht de Beleidsregel buiten toepassing gelaten. Ook het vierde middel faalt daarom.
4Proceskosten
De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.
5Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.W.C. Feteris als voorzitter, en de raadsheren C. Schaap, P.M.F. van Loon, M.A. Fierstra en Th. Groeneveld, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 18 oktober 2013.
Van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Deventer wordt een griffierecht geheven van € 478.