Hoge Raad
ECLI:NL:HR:2013:199
2013-08-09
Bestuursrecht; Belastingrecht
12/06009
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Formele procesketen
- cassatie ECLI:NL:HR:2013:199 → ECLI:NL:GHARN:2012:BY4684 (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Inhoudsindicatie
Art. 8:73 Awb; vergoeding van immateriële schade in verband met overschrijding redelijke termijn bezwaarfase.
Citeert (4)
- ECLI:NL:HR:2012:BX0914 Hoge Raad 13-07-2012
- ECLI:NL:HR:2013:BX6666 Hoge Raad 22-03-2013
- ECLI:NL:HR:2005:AO9006 Hoge Raad 22-04-2005
- ECLI:NL:HR:2011:BO5046 Hoge Raad 10-06-2011
Geciteerd door (139)
- ECLI:NL:RBMNE:2023:5062 Rechtbank Midden-Nederland 29-08-2023
- ECLI:NL:RBMNE:2023:4543 Rechtbank Midden-Nederland 29-08-2023
- ECLI:NL:RBNHO:2023:7615 Rechtbank Noord-Holland 09-08-2023
- ECLI:NL:OGEAC:2023:44 Gerecht in eerste aanleg van Curaçao 10-03-2023
- ECLI:NL:GHAMS:2023:416 Gerechtshof Amsterdam 07-02-2023
- ECLI:NL:GHARL:2022:7919 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 13-09-2022
- ECLI:NL:RBNHO:2022:5269 Rechtbank Noord-Holland 10-06-2022
- ECLI:NL:GHAMS:2022:1669 Gerechtshof Amsterdam 24-05-2022
- ECLI:NL:GHAMS:2022:1643 Gerechtshof Amsterdam 10-05-2022
- ECLI:NL:GHAMS:2022:1290 Gerechtshof Amsterdam 05-04-2022
- ECLI:NL:GHAMS:2022:1291 Gerechtshof Amsterdam 05-04-2022
- ECLI:NL:RBNHO:2022:4960 Rechtbank Noord-Holland 17-03-2022
- ECLI:NL:RBNHO:2022:1688 Rechtbank Noord-Holland 02-03-2022
- ECLI:NL:GHARL:2022:924 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 08-02-2022
- ECLI:NL:GHAMS:2021:4390 Gerechtshof Amsterdam 22-12-2021
- ECLI:NL:GHAMS:2021:3140 Gerechtshof Amsterdam 19-10-2021
- ECLI:NL:GHAMS:2021:3145 Gerechtshof Amsterdam 19-10-2021
- ECLI:NL:RBNHO:2021:12727 Rechtbank Noord-Holland 03-09-2021
- ECLI:NL:RBNHO:2021:12728 Rechtbank Noord-Holland 03-09-2021
- ECLI:NL:RBNHO:2021:12726 Rechtbank Noord-Holland 03-09-2021
- ECLI:NL:RBMNE:2021:3375 Rechtbank Midden-Nederland 23-07-2021
- ECLI:NL:RBNHO:2021:12724 Rechtbank Noord-Holland 08-07-2021
- ECLI:NL:RBNHO:2021:12118 Rechtbank Noord-Holland 28-06-2021
- ECLI:NL:RBNHO:2021:4606 Rechtbank Noord-Holland 26-05-2021
- ECLI:NL:RBNHO:2021:1704 Rechtbank Noord-Holland 18-02-2021
- ECLI:NL:PHR:2021:80 Parket bij de Hoge Raad 28-01-2021
- ECLI:NL:RBNHO:2020:8672 Rechtbank Noord-Holland 28-10-2020
- ECLI:NL:RBNHO:2020:8673 Rechtbank Noord-Holland 28-10-2020
- ECLI:NL:RBNHO:2020:8670 Rechtbank Noord-Holland 28-10-2020
- ECLI:NL:RBNHO:2020:8671 Rechtbank Noord-Holland 28-10-2020
- ECLI:NL:GHARL:2020:7491 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 22-09-2020
- ECLI:NL:RBNHO:2020:9047 Rechtbank Noord-Holland 10-09-2020
- ECLI:NL:RBNHO:2020:9046 Rechtbank Noord-Holland 10-09-2020
- ECLI:NL:RBNHO:2020:9052 Rechtbank Noord-Holland 08-09-2020
- ECLI:NL:RBNHO:2020:9058 Rechtbank Noord-Holland 08-09-2020
- ECLI:NL:RBNHO:2020:6882 Rechtbank Noord-Holland 04-09-2020
- ECLI:NL:RBNHO:2020:6346 Rechtbank Noord-Holland 21-08-2020
- ECLI:NL:RBNHO:2020:6364 Rechtbank Noord-Holland 21-08-2020
- ECLI:NL:RBNHO:2020:7478 Rechtbank Noord-Holland 19-08-2020
- ECLI:NL:RBNHO:2020:6162 Rechtbank Noord-Holland 12-08-2020
- ECLI:NL:RBNHO:2020:6168 Rechtbank Noord-Holland 12-08-2020
- ECLI:NL:RBNHO:2020:6165 Rechtbank Noord-Holland 12-08-2020
- ECLI:NL:RBNHO:2020:6157 Rechtbank Noord-Holland 12-08-2020
- ECLI:NL:RBNHO:2020:7474 Rechtbank Noord-Holland 10-08-2020
- ECLI:NL:RBNHO:2020:7476 Rechtbank Noord-Holland 10-08-2020
- ECLI:NL:RBNHO:2020:6036 Rechtbank Noord-Holland 07-08-2020
- ECLI:NL:GHARL:2020:5720 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 28-07-2020
- ECLI:NL:RBNHO:2020:5442 Rechtbank Noord-Holland 09-07-2020
- ECLI:NL:RBNHO:2020:5445 Rechtbank Noord-Holland 09-07-2020
- ECLI:NL:RBNHO:2020:5438 Rechtbank Noord-Holland 02-07-2020
- ECLI:NL:RBNHO:2020:4523 Rechtbank Noord-Holland 24-06-2020
- ECLI:NL:RBNHO:2020:5953 Rechtbank Noord-Holland 23-06-2020
- ECLI:NL:RBNHO:2020:4333 Rechtbank Noord-Holland 12-06-2020
- ECLI:NL:RBNHO:2020:3953 Rechtbank Noord-Holland 29-05-2020
- ECLI:NL:RBNHO:2020:3952 Rechtbank Noord-Holland 29-05-2020
- ECLI:NL:GHARL:2020:4168 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 26-05-2020
- ECLI:NL:RBNHO:2020:3262 Rechtbank Noord-Holland 04-05-2020
- ECLI:NL:RBNHO:2020:2572 Rechtbank Noord-Holland 14-04-2020
- ECLI:NL:RBNHO:2020:2586 Rechtbank Noord-Holland 14-04-2020
- ECLI:NL:RBNHO:2020:2744 Rechtbank Noord-Holland 09-04-2020
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (6.629 tekens)
9 augustus 2013
nr. 12/06009
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van [X] te [Z] (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Arnhem van 20 november 2012, nr. 12/00427, betreffende een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen.
1Het geding in feitelijke instanties
Aan belanghebbende is voor het jaar 2003 een aanslag in de inkomstenbelasting opgelegd. Tevens is een boete opgelegd en heffingsrente in rekening gebracht. De aanslag en de beschikking inzake heffingsrente zijn, na daartegen gemaakt bezwaar, bij in één geschrift vervatte uitspraken van de Inspecteur verminderd en de boetebeschikking is daarbij vernietigd.
De Rechtbank te Breda (nr. AWB 08/2296) heeft het tegen die uitspraken ingestelde beroep gegrond verklaard, de uitspraken van de Inspecteur vernietigd, de aanslag verminderd en de beschikking inzake heffingsrente dienovereenkomstig verminderd.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Gerechtshof te ’s-Hertogenbosch.
Dit Hof heeft de uitspraak van de Rechtbank vernietigd, de uitspraken van de Inspecteur vernietigd, de aanslag verder verminderd en de beschikking inzake heffingsrente dienovereenkomstig verminderd.
2Het eerste geding in cassatie
De uitspraak van het Gerechtshof te ’s-Hertogenbosch (nr. 10/00503) is op het beroep van belanghebbende bij arrest van de Hoge Raad van 13 juli 2012, nr. 11/03864, ECLI:NL:HR:2012:BX0914, BNB 2012/267, vernietigd, met verwijzing van het geding naar het Gerechtshof te Arnhem (hierna: het Hof) ter verdere behandeling en beslissing van de zaak met inachtneming van dat arrest.
Het Hof heeft de Inspecteur veroordeeld tot vergoeding van de immateriële schade die belanghebbende heeft geleden tot een bedrag van € 1500. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
3Het tweede geding in cassatie
Belanghebbende heeft tegen ’s Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.
4Beoordeling van de klachten
4.1.
Bij het hiervoor onder 2 genoemde arrest van 13 juli 2012 (hierna: het verwijzingsarrest) heeft de Hoge Raad de zaak verwezen naar het Hof voor beantwoording van de vraag of, en zo ja in hoeverre, de redelijke termijn in de bezwaarfase is overschreden, en voor beantwoording van de vraag of, en zo ja tot welk bedrag, dan een vergoeding voor immateriële schade moet worden toegekend.
4.2.
Het Hof heeft geoordeeld dat de bezwaarfase en de beroepsfase in totaal ruim vier jaar en zeven maanden in beslag hebben genomen, zodat de redelijke termijn met ruim twee jaar en zeven maanden is overschreden. Gelet op het verwijzingsarrest heeft het Hof vervolgens alleen geoordeeld in hoeverre de immateriële schade is veroorzaakt door vertraging in de bezwaarfase die is toe te rekenen aan de Inspecteur. Het Hof heeft geoordeeld dat de redelijke termijn in de bezwaarfase met bijna één jaar en zes maanden is overschreden. Daarbij is het Hof ervan uitgegaan dat de bezwaarfase bijna twee jaar en zes maanden in beslag heeft genomen en dat de redelijke termijn voor het doen van uitspraak op bezwaar één jaar bedraagt.
4.3.
Zoals de Hoge Raad heeft geoordeeld in zijn arrest van 22 maart 2013, nr. 11/04270, ECLI:NL:HR:2013:BX6666, BNB 2013/152, heeft in belastingzaken waarin de bezwaar- en beroepsfase tezamen onredelijk veel tijd in beslag hebben genomen als regel te gelden dat de bezwaarfase onredelijk lang heeft geduurd voor zover de duur daarvan een half jaar overschrijdt en de beroepsfase voor zover zij meer dan anderhalf jaar in beslag neemt. Dat heeft ook te gelden in een geval als het onderhavige, waarin de inspecteur op grond van artikel 25, lid 1, AWR (tekst tot 2008) verplicht was om binnen een jaar na ontvangst van het bezwaarschrift uitspraak daarop te doen.
Deze regel geldt behoudens bijzondere omstandigheden. Daarbij moet met name worden gedacht aan bijzondere omstandigheden als bedoeld in onderdeel 4.5 van het arrest van de Hoge Raad van 22 april 2005, nr. 37984, ECLI:NL:HR:2005:AO9006, BNB 2005/337.
4.4.
De Inspecteur heeft voor het Hof geen bijzondere omstandigheden aangevoerd die een langere termijn dan een half jaar voor het doen van uitspraak op bezwaar rechtvaardigen. Voor zover de klachten betrekking hebben op de duur van de redelijke termijn in de bezwaarfase zijn zij derhalve gegrond.
4.5.
Voor het overige kunnen de klachten niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu die klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4.6. ’
s Hofs uitspraak kan niet in stand blijven. De Hoge Raad kan de zaak afdoen. De feiten laten geen andere conclusie toe dan dat de redelijke termijn in de bezwaarfase met bijna twee jaar is overschreden. Naar de Hoge Raad heeft geoordeeld in zijn arrest van 10 juni 2011, nr. 09/02639, ECLI:NL:HR:2011:BO5046, BNB 2011/232, dient als uitgangspunt voor de schadevergoeding een tarief te worden gehanteerd van € 500 per halfjaar dat de redelijke termijn is overschreden, waarbij het totaal van de overschrijding naar boven wordt afgerond. Aan belanghebbende dient daarom een schadevergoeding te worden toegekend van 4 x € 500 = € 2000.
5Proceskosten
De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.
6Beslissing
De Hoge Raad:
verklaart het beroep in cassatie gegrond,
vernietigt de uitspraak van het Hof,
veroordeelt de Inspecteur tot vergoeding van de door belanghebbende geleden immateriële schade tot een bedrag van € 2000, en
gelast dat de Staat aan belanghebbende vergoedt het door deze ter zake van de behandeling van het beroep in cassatie betaalde griffierecht ten bedrage van € 115.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.W.C. Feteris als voorzitter, en de raadsheren P.M.F. van Loon en R.J. Koopman, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier A.I. Boussak-Leeksma, en in het openbaar uitgesproken op 9 augustus 2013.
nr. 12/06009
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van [X] te [Z] (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Arnhem van 20 november 2012, nr. 12/00427, betreffende een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen.
1Het geding in feitelijke instanties
Aan belanghebbende is voor het jaar 2003 een aanslag in de inkomstenbelasting opgelegd. Tevens is een boete opgelegd en heffingsrente in rekening gebracht. De aanslag en de beschikking inzake heffingsrente zijn, na daartegen gemaakt bezwaar, bij in één geschrift vervatte uitspraken van de Inspecteur verminderd en de boetebeschikking is daarbij vernietigd.
De Rechtbank te Breda (nr. AWB 08/2296) heeft het tegen die uitspraken ingestelde beroep gegrond verklaard, de uitspraken van de Inspecteur vernietigd, de aanslag verminderd en de beschikking inzake heffingsrente dienovereenkomstig verminderd.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Gerechtshof te ’s-Hertogenbosch.
Dit Hof heeft de uitspraak van de Rechtbank vernietigd, de uitspraken van de Inspecteur vernietigd, de aanslag verder verminderd en de beschikking inzake heffingsrente dienovereenkomstig verminderd.
2Het eerste geding in cassatie
De uitspraak van het Gerechtshof te ’s-Hertogenbosch (nr. 10/00503) is op het beroep van belanghebbende bij arrest van de Hoge Raad van 13 juli 2012, nr. 11/03864, ECLI:NL:HR:2012:BX0914, BNB 2012/267, vernietigd, met verwijzing van het geding naar het Gerechtshof te Arnhem (hierna: het Hof) ter verdere behandeling en beslissing van de zaak met inachtneming van dat arrest.
Het Hof heeft de Inspecteur veroordeeld tot vergoeding van de immateriële schade die belanghebbende heeft geleden tot een bedrag van € 1500. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
3Het tweede geding in cassatie
Belanghebbende heeft tegen ’s Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.
4Beoordeling van de klachten
4.1.
Bij het hiervoor onder 2 genoemde arrest van 13 juli 2012 (hierna: het verwijzingsarrest) heeft de Hoge Raad de zaak verwezen naar het Hof voor beantwoording van de vraag of, en zo ja in hoeverre, de redelijke termijn in de bezwaarfase is overschreden, en voor beantwoording van de vraag of, en zo ja tot welk bedrag, dan een vergoeding voor immateriële schade moet worden toegekend.
4.2.
Het Hof heeft geoordeeld dat de bezwaarfase en de beroepsfase in totaal ruim vier jaar en zeven maanden in beslag hebben genomen, zodat de redelijke termijn met ruim twee jaar en zeven maanden is overschreden. Gelet op het verwijzingsarrest heeft het Hof vervolgens alleen geoordeeld in hoeverre de immateriële schade is veroorzaakt door vertraging in de bezwaarfase die is toe te rekenen aan de Inspecteur. Het Hof heeft geoordeeld dat de redelijke termijn in de bezwaarfase met bijna één jaar en zes maanden is overschreden. Daarbij is het Hof ervan uitgegaan dat de bezwaarfase bijna twee jaar en zes maanden in beslag heeft genomen en dat de redelijke termijn voor het doen van uitspraak op bezwaar één jaar bedraagt.
4.3.
Zoals de Hoge Raad heeft geoordeeld in zijn arrest van 22 maart 2013, nr. 11/04270, ECLI:NL:HR:2013:BX6666, BNB 2013/152, heeft in belastingzaken waarin de bezwaar- en beroepsfase tezamen onredelijk veel tijd in beslag hebben genomen als regel te gelden dat de bezwaarfase onredelijk lang heeft geduurd voor zover de duur daarvan een half jaar overschrijdt en de beroepsfase voor zover zij meer dan anderhalf jaar in beslag neemt. Dat heeft ook te gelden in een geval als het onderhavige, waarin de inspecteur op grond van artikel 25, lid 1, AWR (tekst tot 2008) verplicht was om binnen een jaar na ontvangst van het bezwaarschrift uitspraak daarop te doen.
Deze regel geldt behoudens bijzondere omstandigheden. Daarbij moet met name worden gedacht aan bijzondere omstandigheden als bedoeld in onderdeel 4.5 van het arrest van de Hoge Raad van 22 april 2005, nr. 37984, ECLI:NL:HR:2005:AO9006, BNB 2005/337.
4.4.
De Inspecteur heeft voor het Hof geen bijzondere omstandigheden aangevoerd die een langere termijn dan een half jaar voor het doen van uitspraak op bezwaar rechtvaardigen. Voor zover de klachten betrekking hebben op de duur van de redelijke termijn in de bezwaarfase zijn zij derhalve gegrond.
4.5.
Voor het overige kunnen de klachten niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu die klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4.6. ’
s Hofs uitspraak kan niet in stand blijven. De Hoge Raad kan de zaak afdoen. De feiten laten geen andere conclusie toe dan dat de redelijke termijn in de bezwaarfase met bijna twee jaar is overschreden. Naar de Hoge Raad heeft geoordeeld in zijn arrest van 10 juni 2011, nr. 09/02639, ECLI:NL:HR:2011:BO5046, BNB 2011/232, dient als uitgangspunt voor de schadevergoeding een tarief te worden gehanteerd van € 500 per halfjaar dat de redelijke termijn is overschreden, waarbij het totaal van de overschrijding naar boven wordt afgerond. Aan belanghebbende dient daarom een schadevergoeding te worden toegekend van 4 x € 500 = € 2000.
5Proceskosten
De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.
6Beslissing
De Hoge Raad:
verklaart het beroep in cassatie gegrond,
vernietigt de uitspraak van het Hof,
veroordeelt de Inspecteur tot vergoeding van de door belanghebbende geleden immateriële schade tot een bedrag van € 2000, en
gelast dat de Staat aan belanghebbende vergoedt het door deze ter zake van de behandeling van het beroep in cassatie betaalde griffierecht ten bedrage van € 115.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.W.C. Feteris als voorzitter, en de raadsheren P.M.F. van Loon en R.J. Koopman, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier A.I. Boussak-Leeksma, en in het openbaar uitgesproken op 9 augustus 2013.