Hoge Raad
ECLI:NL:HR:2012:BU9204
2012-03-09
Civiel recht
10/03970
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Formele procesketen
- conclusie ECLI:NL:HR:2012:BU9204 → ECLI:NL:PHR:2012:BU9204
- verwijzing ECLI:NL:GHAMS:2014:3838 → ECLI:NL:HR:2012:BU9204
Inhoudsindicatie
Uitleg echtscheidingsconvenant. Verdeling en toescheiding banksaldi; vergissing in definitieve tekst? Bewijsaanbod door overleggen correspondentie advocaten met betrekking tot concept-convenant ten onrechte als niet-relevant gepasseerd. Partij dient desgewenst uit zichzelf correspondentie in het geding te brengen, ook als het confraternele correspondentie betreft waarvoor toestemming is vereist.
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (55)
- ECLI:NL:GHARL:2026:618 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 03-02-2026
- ECLI:NL:PHR:2025:1142 Parket bij de Hoge Raad 24-10-2025
- ECLI:NL:GHDHA:2025:2002 Gerechtshof Den Haag 24-09-2025
- ECLI:NL:GHARL:2025:5397 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 02-09-2025
- ECLI:NL:RBOBR:2025:2889 Rechtbank Oost-Brabant 21-05-2025
- ECLI:NL:PHR:2025:169 Parket bij de Hoge Raad 07-02-2025
- ECLI:NL:RBOBR:2024:6136 Rechtbank Oost-Brabant 12-12-2024
- ECLI:NL:PHR:2024:1277 Parket bij de Hoge Raad 29-11-2024
- ECLI:NL:GHSHE:2024:2482 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 01-08-2024
- ECLI:NL:GHSHE:2024:2471 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 30-07-2024
- ECLI:NL:PHR:2024:633 Parket bij de Hoge Raad 14-06-2024
- ECLI:NL:GHDHA:2023:1553 Gerechtshof Den Haag 22-08-2023
- ECLI:NL:RBROT:2022:10280 Rechtbank Rotterdam 30-11-2022
- ECLI:NL:RBMNE:2022:3100 Rechtbank Midden-Nederland 17-08-2022
- ECLI:NL:PHR:2022:454 Parket bij de Hoge Raad 13-05-2022
- ECLI:NL:PHR:2022:402 Parket bij de Hoge Raad 29-04-2022
- ECLI:NL:GHARL:2022:1700 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 01-03-2022
- ECLI:NL:GHDHA:2022:255 Gerechtshof Den Haag 01-03-2022
- ECLI:NL:PHR:2021:784 Parket bij de Hoge Raad 03-09-2021
- ECLI:NL:PHR:2021:784 Parket bij de Hoge Raad 03-09-2021
- ECLI:NL:GHAMS:2021:2537 Gerechtshof Amsterdam 10-08-2021
- ECLI:NL:GHARL:2021:6396 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 29-06-2021
- ECLI:NL:PHR:2021:640 Parket bij de Hoge Raad 25-06-2021
- ECLI:NL:GHARL:2021:3137 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 01-04-2021
- ECLI:NL:GHSHE:2021:920 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 25-03-2021
- ECLI:NL:GHSHE:2021:354 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 09-02-2021
- ECLI:NL:PHR:2020:1214 Parket bij de Hoge Raad 27-11-2020
- ECLI:NL:RBROT:2020:7340 Rechtbank Rotterdam 19-08-2020
- ECLI:NL:GHSHE:2020:2178 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 14-07-2020
- ECLI:NL:PHR:2020:660 Parket bij de Hoge Raad 12-06-2020
- ECLI:NL:GHSHE:2020:767 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 03-03-2020
- ECLI:NL:GHAMS:2020:376 Gerechtshof Amsterdam 11-02-2020
- ECLI:NL:PHR:2019:561 Parket bij de Hoge Raad 24-05-2019
- ECLI:NL:GHDHA:2018:2283 Gerechtshof Den Haag 11-09-2018
- ECLI:NL:PHR:2018:915 Parket bij de Hoge Raad 24-08-2018
- ECLI:NL:RBNHO:2018:7064 Rechtbank Noord-Holland 15-08-2018
- ECLI:NL:RBOBR:2018:3314 Rechtbank Oost-Brabant 11-07-2018
- ECLI:NL:GHDHA:2018:214 Gerechtshof Den Haag 20-02-2018
- ECLI:NL:GHSHE:2017:5388 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 05-12-2017
- ECLI:NL:GHSHE:2017:3835 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 05-09-2017
- ECLI:NL:PHR:2017:657 Parket bij de Hoge Raad 30-06-2017
- ECLI:NL:RBDHA:2017:4384 Rechtbank Den Haag 03-05-2017
- ECLI:NL:PHR:2017:286 Parket bij de Hoge Raad 07-04-2017
- ECLI:NL:OGHACMB:2017:9 Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba 17-01-2017
- ECLI:NL:GHDHA:2016:3530 Gerechtshof Den Haag 06-12-2016
- ECLI:NL:PHR:2016:420 Parket bij de Hoge Raad 20-05-2016
- ECLI:NL:PHR:2016:618 Parket bij de Hoge Raad 17-05-2016
- ECLI:NL:PHR:2016:617 Parket bij de Hoge Raad 09-05-2016
- ECLI:NL:GHSHE:2015:2022 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 02-06-2015
- ECLI:NL:HR:2015:1077 Hoge Raad 17-04-2015
- ECLI:NL:PHR:2014:2107 Parket bij de Hoge Raad 07-11-2014
- ECLI:NL:RBROT:2014:5312 Rechtbank Rotterdam 04-06-2014
- ECLI:NL:RBROT:2014:5312 Rechtbank Rotterdam 04-06-2014
- ECLI:NL:GHSHE:2014:596 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 04-03-2014
- ECLI:NL:PHR:2013:1072 Parket bij de Hoge Raad 13-09-2013
Volledige tekst
Volledige tekst (7.190 tekens)
9 maart 2012
Eerste Kamer
10/03970
RM/AS
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
[De vrouw],
wonende te [woonplaats],
EISERES tot cassatie,
advocaat: mr. D.M. de Knijff,
t e g e n
[De man],
wonende te [woonplaats],
VERWEERDER in cassatie,
niet verschenen.
Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als de vrouw en de man.
1. Het geding in feitelijke instanties
Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:
a. de vonnissen in de zaak 268508 / HA ZA 06-2500 van de rechtbank Rotterdam van 14 november 2007 en 23 juli 2008;
b. het arrest in de zaak 200.016.317/01 van het gerechtshof te 's-Gravenhage van 1 juni 2010.
Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen het arrest van het hof heeft de vrouw beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Tegen de man is verstek verleend.
De zaak is voor de vrouw toegelicht door haar advocaat.
De conclusie van de Advocaat-Generaal M.H. Wissink strekt tot vernietiging van het bestreden arrest.
3. Beoordeling van het middel
3.1 In het echtscheidingsconvenant dat door partijen op 2 april 2004 is ondertekend, staat in art. 3 onder 12 een drietal bankrekeningen ten name van de man genoemd als behorende tot de huwelijksgoederengemeenschap, welke gemeenschap in het convenant wordt gescheiden en gedeeld. Het totaalsaldo van de rekeningen bedraagt € 50.649,90. Dit saldo wordt in het convenant, anders dan andere banksaldi van partijen, niet gedeeld en niet toegescheiden aan (een van) hen. De vrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat op dit punt sprake is van een vergissing en dat, overeenkomstig de bedoeling van partijen, alsnog deling en toescheiding van het saldo bij helfte dient plaats te vinden. Zij vordert in deze procedure dat alsnog hiertoe wordt overgegaan.
Volgens de man is geen sprake van een vergissing. Volgens hem is tussen partijen afgesproken dat het saldo van € 50.000,-- van een van de rekeningen buiten de verdeling in het convenant zou worden gehouden en dat dit saldo aan hem zou toekomen. Het niet delen en toescheiden van de in art. 3 onder 12 van het convenant genoemde saldi is volgens hem bewust gebeurd.
3.2 De vrouw heeft, ter nadere onderbouwing van haar standpunt, aangevoerd dat bij de totstandkoming van het convenant steeds van de verdeling van het gehele bedrag van de huwelijksgoederengemeenschap is uitgegaan, dus inclusief genoemde saldi, en dat de man en zijn advocaat nimmer te kennen hebben gegeven een ander uitgangspunt te (willen) hanteren. Zij heeft erop gewezen dat in het concept van het convenant van 5 december 2003, dat door de man voor akkoord is getekend, de saldi worden genoemd in art. 3 onder 11 en in de art. 4 en 5 bij helfte worden toegescheiden aan de vrouw en aan de man. Volgens haar is bij het definitief maken van de tekst van het convenant verzuimd de verwijzing in de art. 4 en 5 uit te breiden tot art. 3 onder 12, dat in het concept nog art. 3 onder 11 was en in de definitieve versie van het convenant is vernummerd in verband met het tussenvoegen van een aantal andere banksaldi van partijen, die ook bij helfte zijn verdeeld en toegescheiden in het convenant. Ten bewijze van haar stelling dat nimmer de hiervoor in 3.1 genoemde, door de man ter betwisting van de stelling van de vrouw gestelde afspraak is gemaakt - en dat haar stelling dat sprake is van een vergissing, dus juist is -, heeft zij aangeboden de correspondentie van de advocaten van partijen over te leggen over de voorbereiding van het convenant, nadat daarvoor toestemming is verkregen van de toenmalige advocaat van de man dan wel van de deken.
3.3 De rechtbank heeft het standpunt van de vrouw ongegrond geoordeeld. Het hof heeft het vonnis van de rechtbank bekrachtigd. Het hof heeft de vrouw gebonden geoordeeld aan de tekst van het convenant. De stelling van de vrouw dat sprake is van een vergissing heeft het, evenals de rechtbank, onvoldoende aannemelijk geoordeeld. Het door de vrouw gedane aanbod haar stellingen te bewijzen door het overleggen van de correspondentie van de advocaten van partijen heeft het gepasseerd als "niet specifiek", nu die correspondentie betrekking heeft op het concept van het convenant, terwijl het erom gaat wat partijen uiteindelijk bij het ondertekenen van het definitieve convenant zijn overeengekomen (rov. 6).
3.4.1 Het middel keert zich tegen het passeren van genoemd aanbod door het hof. De onderdelen klagen, in onderling verband en samenhang gelezen, dat het oordeel van het hof dat de correspondentie die de vrouw heeft aangeboden in het geding te brengen, niet relevant is, zonder nadere motivering onbegrijpelijk is.
3.4.2 Deze klacht is gegrond. Het aanbod van de vrouw betreft, zoals onderdeel 2 terecht aanvoert, onmiskenbaar alle correspondentie met betrekking tot het convenant.
De man heeft, zoals terecht in onderdeel 3 wordt aangevoerd, niet gesteld dat de hiervoor in 3.1 genoemde, volgens hem gemaakte afspraak vlak voor of bij de ondertekening van het definitieve convenant zou zijn gemaakt (en daarom niet uit de correspondentie blijkt). Tegen de achtergrond van het hiervoor in 3.1 genoemde verweer dat de man heeft gevoerd, en van de hiervoor in 3.2 genoemde stellingen van de vrouw, valt in verband met een en ander inderdaad niet in te zien dat bedoelde correspondentie niet relevant zou zijn voor het antwoord op de vraag hoe de tekst van het convenant valt te begrijpen en of deze inderdaad, zoals de vrouw stelt, maar de man betwist onder verwijzing naar de volgens hem gemaakte afspraak, op het hier aan de orde zijnde punt een vergissing bevat.
3.5 De Hoge Raad tekent bij het vorenoverwogene aan dat van een partij die zich beroept op correspondentie waarover zij beschikt, verlangd mag worden dat zij die correspondentie uit zichzelf in het geding brengt, ook als het vertrouwelijke correspondentie tussen advocaten betreft, voor het overleggen waarvan de toestemming van de (toenmalige) advocaat van de wederpartij dan wel de deken nodig is. De rechter behoeft partijen daartoe niet in de gelegenheid te stellen. Het passeren van het aanbod van de vrouw door het hof berust echter niet op de grond dat het hof geen aanleiding zag de vrouw alsnog deze gelegenheid te geven.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
vernietigt het arrest van het gerechtshof te 's-Gravenhage van 1 juni 2010;
verwijst de zaak ter verdere behandeling en beslissing naar het gerechtshof te Amsterdam;
compenseert de kosten van het geding in cassatie aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt.
Dit arrest is gewezen door de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, als voorzitter, M.A. Loth en G. Snijders, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer J.C. van Oven op 9 maart 2012.
Eerste Kamer
10/03970
RM/AS
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
[De vrouw],
wonende te [woonplaats],
EISERES tot cassatie,
advocaat: mr. D.M. de Knijff,
t e g e n
[De man],
wonende te [woonplaats],
VERWEERDER in cassatie,
niet verschenen.
Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als de vrouw en de man.
1. Het geding in feitelijke instanties
Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:
a. de vonnissen in de zaak 268508 / HA ZA 06-2500 van de rechtbank Rotterdam van 14 november 2007 en 23 juli 2008;
b. het arrest in de zaak 200.016.317/01 van het gerechtshof te 's-Gravenhage van 1 juni 2010.
Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen het arrest van het hof heeft de vrouw beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Tegen de man is verstek verleend.
De zaak is voor de vrouw toegelicht door haar advocaat.
De conclusie van de Advocaat-Generaal M.H. Wissink strekt tot vernietiging van het bestreden arrest.
3. Beoordeling van het middel
3.1 In het echtscheidingsconvenant dat door partijen op 2 april 2004 is ondertekend, staat in art. 3 onder 12 een drietal bankrekeningen ten name van de man genoemd als behorende tot de huwelijksgoederengemeenschap, welke gemeenschap in het convenant wordt gescheiden en gedeeld. Het totaalsaldo van de rekeningen bedraagt € 50.649,90. Dit saldo wordt in het convenant, anders dan andere banksaldi van partijen, niet gedeeld en niet toegescheiden aan (een van) hen. De vrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat op dit punt sprake is van een vergissing en dat, overeenkomstig de bedoeling van partijen, alsnog deling en toescheiding van het saldo bij helfte dient plaats te vinden. Zij vordert in deze procedure dat alsnog hiertoe wordt overgegaan.
Volgens de man is geen sprake van een vergissing. Volgens hem is tussen partijen afgesproken dat het saldo van € 50.000,-- van een van de rekeningen buiten de verdeling in het convenant zou worden gehouden en dat dit saldo aan hem zou toekomen. Het niet delen en toescheiden van de in art. 3 onder 12 van het convenant genoemde saldi is volgens hem bewust gebeurd.
3.2 De vrouw heeft, ter nadere onderbouwing van haar standpunt, aangevoerd dat bij de totstandkoming van het convenant steeds van de verdeling van het gehele bedrag van de huwelijksgoederengemeenschap is uitgegaan, dus inclusief genoemde saldi, en dat de man en zijn advocaat nimmer te kennen hebben gegeven een ander uitgangspunt te (willen) hanteren. Zij heeft erop gewezen dat in het concept van het convenant van 5 december 2003, dat door de man voor akkoord is getekend, de saldi worden genoemd in art. 3 onder 11 en in de art. 4 en 5 bij helfte worden toegescheiden aan de vrouw en aan de man. Volgens haar is bij het definitief maken van de tekst van het convenant verzuimd de verwijzing in de art. 4 en 5 uit te breiden tot art. 3 onder 12, dat in het concept nog art. 3 onder 11 was en in de definitieve versie van het convenant is vernummerd in verband met het tussenvoegen van een aantal andere banksaldi van partijen, die ook bij helfte zijn verdeeld en toegescheiden in het convenant. Ten bewijze van haar stelling dat nimmer de hiervoor in 3.1 genoemde, door de man ter betwisting van de stelling van de vrouw gestelde afspraak is gemaakt - en dat haar stelling dat sprake is van een vergissing, dus juist is -, heeft zij aangeboden de correspondentie van de advocaten van partijen over te leggen over de voorbereiding van het convenant, nadat daarvoor toestemming is verkregen van de toenmalige advocaat van de man dan wel van de deken.
3.3 De rechtbank heeft het standpunt van de vrouw ongegrond geoordeeld. Het hof heeft het vonnis van de rechtbank bekrachtigd. Het hof heeft de vrouw gebonden geoordeeld aan de tekst van het convenant. De stelling van de vrouw dat sprake is van een vergissing heeft het, evenals de rechtbank, onvoldoende aannemelijk geoordeeld. Het door de vrouw gedane aanbod haar stellingen te bewijzen door het overleggen van de correspondentie van de advocaten van partijen heeft het gepasseerd als "niet specifiek", nu die correspondentie betrekking heeft op het concept van het convenant, terwijl het erom gaat wat partijen uiteindelijk bij het ondertekenen van het definitieve convenant zijn overeengekomen (rov. 6).
3.4.1 Het middel keert zich tegen het passeren van genoemd aanbod door het hof. De onderdelen klagen, in onderling verband en samenhang gelezen, dat het oordeel van het hof dat de correspondentie die de vrouw heeft aangeboden in het geding te brengen, niet relevant is, zonder nadere motivering onbegrijpelijk is.
3.4.2 Deze klacht is gegrond. Het aanbod van de vrouw betreft, zoals onderdeel 2 terecht aanvoert, onmiskenbaar alle correspondentie met betrekking tot het convenant.
De man heeft, zoals terecht in onderdeel 3 wordt aangevoerd, niet gesteld dat de hiervoor in 3.1 genoemde, volgens hem gemaakte afspraak vlak voor of bij de ondertekening van het definitieve convenant zou zijn gemaakt (en daarom niet uit de correspondentie blijkt). Tegen de achtergrond van het hiervoor in 3.1 genoemde verweer dat de man heeft gevoerd, en van de hiervoor in 3.2 genoemde stellingen van de vrouw, valt in verband met een en ander inderdaad niet in te zien dat bedoelde correspondentie niet relevant zou zijn voor het antwoord op de vraag hoe de tekst van het convenant valt te begrijpen en of deze inderdaad, zoals de vrouw stelt, maar de man betwist onder verwijzing naar de volgens hem gemaakte afspraak, op het hier aan de orde zijnde punt een vergissing bevat.
3.5 De Hoge Raad tekent bij het vorenoverwogene aan dat van een partij die zich beroept op correspondentie waarover zij beschikt, verlangd mag worden dat zij die correspondentie uit zichzelf in het geding brengt, ook als het vertrouwelijke correspondentie tussen advocaten betreft, voor het overleggen waarvan de toestemming van de (toenmalige) advocaat van de wederpartij dan wel de deken nodig is. De rechter behoeft partijen daartoe niet in de gelegenheid te stellen. Het passeren van het aanbod van de vrouw door het hof berust echter niet op de grond dat het hof geen aanleiding zag de vrouw alsnog deze gelegenheid te geven.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
vernietigt het arrest van het gerechtshof te 's-Gravenhage van 1 juni 2010;
verwijst de zaak ter verdere behandeling en beslissing naar het gerechtshof te Amsterdam;
compenseert de kosten van het geding in cassatie aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt.
Dit arrest is gewezen door de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, als voorzitter, M.A. Loth en G. Snijders, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer J.C. van Oven op 9 maart 2012.